Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:2296

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-03-2017
Datum publicatie
27-03-2017
Zaaknummer
C/10/504438 / HA ZA 16-620
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schade wegens vermindering waarde aandelen (afgeleide schade).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1580
OR-Updates.nl 2017-0113
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/504438 / HA ZA 16-620

Vonnis van 8 maart 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SEAHORSE ENTERPRISES B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. A.J. Oskam,

tegen

1 [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. M.S. van Dijk.

Partijen zullen hierna Seahorse en [eisers] genoemd worden. Waar nodig zullen gedaagden afzonderlijk als [eiser 1] en [eiser 2] worden aangeduid.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 13 juni 2016 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    de brief van de rechtbank van 5 oktober 2016 waarin een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    de brief van de rechtbank van 28 november 2016, inhoudende een zittingsagenda;

  • -

    de akte van Seahorse;

  • -

    de pleitaantekeningen van [eisers] ;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 12 januari 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Seahorse is opgericht en wordt bestuurd door [bestuurder eiser] (hierna: [bestuurder eiser] ).

2.2.

[eisers] zijn bestuurders van en aandeelhouders in Pro-Partner Equity B.V. (hierna: PPE).

2.3.

Begin 2013 is [bestuurder eiser] met [eisers] in contact gekomen met het oog op een mogelijke investering door (een vennootschap van) [bestuurder eiser] in PPE. In dat kader heeft [bestuurder eiser] enige documentatie ontvangen en hebben enkele besprekingen van [bestuurder eiser] met onder anderen [eiser 1] plaatsgevonden.

2.4.

Op 5 maart 2013 heeft [bestuurder eiser] onder meer het volgende gemaild:

“In de laatste vergadering hebben we de intentie uitgesproken om 29 maart te tekenen en per 1 april te starten met de werkzaamheden.

Daarvoor wil ik graag nog een aantal stukken ontvangen. Waar staan we nu?”

Uit het vervolg van de mail blijkt dat [bestuurder eiser] nog vragen heeft over de rol van de beoogde “Partnerraad”, waarin de nieuwe aandeelhouders zitting zullen hebben. Voorts blijkt uit de mail dat [bestuurder eiser] ervan uit gaat dat hij 2.000 aandelen in PPE zal kopen en dat PPE een “100% belang” heeft in de vennootschappen Designetti, Capital Plus en Atras.

2.5.

Op 27 maart 2013 is tussen PPE en Seahorse een “Samenwerkingsovereenkomst/ Partnercontract” tot stand gekomen. Bij deze overeenkomst is onder andere afgesproken dat Seahorse zal investeren in PPE door de koop van 2.000 aandelen tegen betaling van

€ 250.000,-. De overeenkomst vermeldt voorts dat PPE drie 100% deelnemingen heeft, te weten Pro-Ondernemer, CapitalPlus en Designetti. Ten slotte is van belang dat de overeenkomst voorziet in de instelling van een “Partnerraad”, waarin de aandeelhouders (onder wie Seahorse) zitting hebben en die “als adviserend en toezichthoudend orgaan de directie terzijde [zal] staan”.

2.6.

Op 27 maart 2013 is voorts de notariële akte verleden strekkende tot levering van 2.000 aandelen door CMP Holding B.V. (hierna: CMP) aan Seahorse. In de akte is onder andere de volgende bepaling opgenomen:

KOOPSOM

De koopsom voor de aandelen bedraagt in het totaal: tweeduizend euro (€ 2.000,00). Voorts is met koper een agiostorting op de aandelen overeengekomen van een bedrag van tweehonderd acht en veertigduizend euro (€ 248.000,00).”

2.7.

Op 5 april 2013 heeft een bespreking plaatsgevonden van [bestuurder eiser] , [eisers] en de twee andere (nieuw ingestapte) aandeelhouders, dit naar aanleiding van zorgen van [bestuurder eiser] over de financiële organisatie en de professionaliteit van de organisatie binnen PPE.

2.8.

Vanaf mei 2013 zijn [bestuurder eiser] en [eisers] met elkaar in overleg geweest gericht op uittreding van Seahorse als investeerder. Dit overleg heeft niet tot overeenstemming geleid.

2.9.

Bij brief van haar advocaat van 8 mei 2015 heeft Seahorse (de directie van) PPE verzocht een algemene aandeelhoudersvergadering uit te roepen. Deze AVA heeft op 25 juni 2015 plaats gevonden. Tot de stukken die tijdens die AVA aan de orde zijn gekomen behoort de jaarrekening over 2013. Op 28 augustus 2015 heeft een vervolg van de AVA plaats gevonden.

3 Het geschil

3.1.

Seahorse vordert – samengevat – het volgende:

  1. een verklaring voor recht dat [eisers] onrechtmatig jegens Seahorse hebben gehandeld en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de als gevolg daarvan geleden schade;

  2. hoofdelijke veroordeling van [eisers] tot betaling aan Seahorse van een schadevergoeding van € 250.000, subsidiair tot betaling van schadevergoeding nader op te maken bij staat;

  3. hoofdelijke veroordeling van [eisers] tot betaling van € 3.025 ter zake van buitengerechtelijke kosten;

  4. hoofdelijke veroordeling van [eisers] in de proceskosten;

een en ander bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

3.2.

[eisers] voeren verweer. Zij concluderen tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van Seahorse in de proceskosten, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

4 De beoordeling

4.1.

Seahorse maakt [eisers] in hun hoedanigheid van bestuurders van PPE zeven verwijten, die hierna aan de orde komen. In de visie van Seahorse leiden die verwijten tezamen tot de conclusie dat [eisers] persoonlijk aansprakelijk zijn jegens Seahorse. Seahorse stelt dat de schade bestaat uit een waardevermindering tot nihil van de door Seahorse gehouden aandelen in PPE. Dit volgt uit de dagvaarding (onder 66) en is desgevraagd uitdrukkelijk door Seahorse ter comparitie bevestigd (zie het proces-verbaal). Andere (vormen van) schade is (zijn) niet gesteld of gebleken, behoudens het hierna in 4.10 overwogene.

4.2.

Voor de beoordeling van deze kwestie is het volgende kader van belang (HR 16 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0419). Indien aan vennootschap door een derde vermogensschade wordt toegebracht door het niet behoorlijk nakomen van contractuele verplichtingen jegens de vennootschap of door gedragingen die tegenover de vennootschap onrechtmatig zijn, heeft alleen de vennootschap het recht uit dien hoofde van de derde vergoeding van deze aan haar toegebrachte schade te vorderen. Die vermogensschade van de vennootschap zal, zolang zij niet is vergoed, een vermindering van de waarde van de aandelen in de vennootschap (kunnen) meebrengen. In beginsel kunnen de aandeelhouders echter op grond van dit voor hen ontstaan nadeel (ook welk ‘afgeleide schade’ genoemd) niet een eigen vordering tot schadevergoeding tegen de bedoelde derde geldend maken. De aandeelhouder heeft slechts recht op vergoeding van door hem in deze hoedanigheid geleden schade als deze schade het gevolg is van schending van een jegens hem geldende specifieke zorgvuldigheidsverplichting. Dit geldt ook in gevallen waarin door de bestuurder van een vennootschap schade aan de vennootschap is toegebracht omdat deze is tekortgeschoten in de nakoming van de uit zijn aanstelling/opdracht voortvloeiende verplichtingen tegenover die vennootschap. De enkele omstandigheid dat een voorzienbaar gevolg van de handelwijze van de bestuurder is dat de aandeelhouder wordt benadeeld, brengt niet mee dat de bestuurder jegens de aandeelhouder in die hoedanigheid een specifieke zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden. Bijkomende omstandigheden zijn nodig, zoals het opzet om die aandeelhouder te benadelen. Partijen zijn het erover eens dat dit het relevante beoordelingskader vormt, zo is ter comparitie gebleken.

4.3.

Voorts is van belang dat voor toewijzing van de vordering van Seahorse nodig is dat causaal verband komt vast te staan tussen het gestelde onrechtmatige handelen van [eisers] en de gestelde schade in de vorm van waardevermindering van de aandelen. Nu van andere (vormen van) schade dan het verdampen van de waarde van de inleg niet is gebleken, komt de vordering niet voor toewijzing in aanmerking indien dergelijk causaal verband niet kan worden aangenomen.

4.4.

Mede aan de hand van deze beide uitgangspunten zullen de zeven afzonderlijke verwijten aan het adres van [eisers] in het navolgende worden beoordeeld.

4.5.

Seahorse meent dat [eisers] in hun hoedanigheid van bestuurders een valse jaarrekening bekend hebben gemaakt, nu de jaarrekening over 2013 bij de Kamer van koophandel is gedeponeerd terwijl deze niet door de AVA was vastgesteld (verwijt 1). [eisers] hebben dit feit op zichzelf niet betwist. Niet valt echter in te zien dat sprake is van het hiervoor bedoelde causaal verband. Het enkele feit dat [eisers] foutief hebben gehandeld in verband met de jaarrekening betekent niet, althans niet automatisch, dat de waarde van de vennootschap als gevolg daarvan is verminderd. Dat [eisers] als bestuurders van PPE op grond van artikel 2:249 BW in dit verband aansprakelijk zijn, laat onverlet dat sprake moet zijn van causaal verband tussen het handelen en de schade.

4.6.

Seahorse stelt zich op het standpunt dat zij onjuist is geïnformeerd over deelnemingen van PPE. In de documentatie die zij ontving voorafgaande aan de totstandkoming van de samenwerkingsovereenkomst van 27 maart 2013 is vermeld dat PPE een belang van 100% heeft in onder andere Capital Plus B.V., maar tijdens de AVA in 2015 bleek dat dit belang beperkt is tot 50% (verwijt 2). Ook bleek tijdens die AVA dat PPE nooit de aandelen in Interieurline International B.V. heeft verworven, hoewel dat wel in de samenwerkingsovereenkomst stond (verwijt 3). De rechtbank ziet niet in hoe de hier bedoelde gedraging van [eisers] als bestuurders van PPE (het niet informeren van Seahorse over de werkelijke omvang van het belang in genoemde vennootschappen), indien al juist, kan hebben geleid tot vermindering van de waarde van de aandelen. Het betreft hier mogelijk handelen of nalaten van PPE als contractspartij bij de samenwerkings-overeenkomst, maar dit handelen of nalaten zelf kan niet hebben geleid tot vermindering van de waarde van de aandelen, zodat ook geen sprake kan zijn van onrechtmatig handelen [eisers] , laat staan van opzet van [eisers] op het toebrengen van nadeel aan Seahorse. Denkbaar is dat Seahorse bij een juiste voorstelling van zaken slechts bereid zou zijn geweest voor een lager bedrag te investeren en dat op enigerlei wijze [eisers] onrechtmatig hebben gehandeld door die onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen en/of te laten voortbestaan. Daarop zijn de stellingen van Seahorse echter niet gericht.

4.7.

Voorts meent Seahorse dat op de jaarrekening van PPE de deelnemingen onjuist zijn gewaardeerd, namelijk voor de verkrijgingswaarde en niet (in overeenstemming met artikel 2:389 BW) als eigen activa en passiva van de vennootschap (verwijt 4). Als van deze stellingen (die door [eisers] zijn betwist) moet worden uitgegaan, valt ook ten aanzien van dit punt niet in te zien hoe dit de waarde van de vennootschap negatief kan hebben beïnvloed. Die waarde als zodanig wordt door een onjuiste vermelding op de jaarrekening immers niet beïnvloed. Een onjuiste vermelding als hier aan de orde zou mogelijk tot schade kunnen leiden als op basis van die vermelding een investeringsbeslissing wordt genomen, maar dat is hier niet aan de orde. De beslissing van Seahorse om te investeren dateert al van ver voor de totstandkoming van de onderhavige jaarrekening.

4.8.

Voorts stelt Seahorse zich op het standpunt PPE ten onrechte geen partnerraad heeft ingesteld, zoals voorgeschreven in de samenwerkingsovereenkomst (verwijt 5). Naar de mening van Seahorse hebben [eisers] de gang van zaken binnen PPE vanwege het ontbreken van de partnerraad buiten het zicht van de overige aandeelhouders kunnen houden. [eisers] hebben betwist dat er geen partnerraad is ingesteld. Aangenomen dat een partnerraad niet heeft gefunctioneerd, dan is weliswaar denkbaar dat er minder controle was op het handelen van [eisers] als bestuurders, maar dat is onvoldoende om causaal verband te kunnen aannemen tussen het ontbreken van een partnerraad en het verdampen van de aandelenwaarde. Seahorse heeft geen concrete feiten gesteld die zouden kunnen leiden tot de conclusie dat een functionerende partnerraad zou hebben voorkomen dat de gestelde vermindering van de waarde van de aandelen zou hebben plaatsgevonden.

4.9.

Seahorse verwijt [eisers] dat deze hebben gehandeld in strijd met statutaire bepalingen ter zake het (tijdig) opstellen van de jaarrekening, het uitroepen van een AVA en het in die vergadering vaststellen van de jaarrekening (verwijt 6). Ook ten aanzien van dit verwijt valt niet in te zien dat dit handelen of nalaten de waarde van de vennootschap in negatieve zin heeft beïnvloed. Seahorse heeft geen feiten gesteld die tot een andere conclusie kunnen leiden.

4.10.

Uit de dagvaarding leidt de rechtbank af dat Seahorse op dit specifieke punt niet alleen het oog heeft op vergoeding van afgeleide schade wegens vermindering van de aandelenwaarde, maar ook op vergoeding van andere (overigens niet nader omschreven) schade die louter van de schending van statutaire bepalingen het gevolg is. Seahorse refereert in dit verband aan het arrest van de Hoge Raad inzake NOM/Willemsen (arrest van 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959). Ook dit betoog kan niet tot toewijzing van de vordering leiden, nu het hier niet gaat om schending van statutaire bepalingen die specifiek een individuele aandeelhouder beogen te beschermen. Op dat punt heeft Seahorse niets gesteld, ook niet nadat [eisers] hierop ter comparitie uitdrukkelijk waren ingegaan.

4.11.

Ten slotte meent Seahorse dat [eisers] onrechtmatig hebben gehandeld door PPE ‘leeg’ te halen (verwijt 7). Seahorse stelt dat PPE onzakelijke leningen heeft verstrekt aan de persoonlijke beheervennootschappen van [eisers] en dat PPE een andere vennootschap van [eiser 2] heeft ingeschakeld ten behoeve van secretariaatswerk waarvoor grote bedragen zijn betaald. In de visie van Seahorse hebben [eisers] haar daarmee opzettelijk benadeeld en daarvoor zijn zij persoonlijk aansprakelijk. In het licht van het overwogene in 4.2, is de rechtbank van oordeel dat Seahorse onvoldoende heeft onderbouwd dat met het handelen van [eisers] een jegens Seahorse geldende specifieke zorgvuldigheidsverplichting heeft geschonden. Seahorse heeft (bij dagvaarding) wel gesteld dat sprake was van opzettelijke benadeling door [eisers] , maar zij heeft daartoe geen enkel concreet feit gesteld, ook niet nadat [eisers] op dat punt specifiek verweer hadden gevoerd (conclusie van antwoord onder 35). Bij akte voorafgaande aan de comparitie (sub 18) heeft Seahorse gesteld dat [eisers] handelden “met als enige oogmerk om Pro-Partner vervolgens leeg te roven om zichzelf te verrijken”, maar dat impliceert nog geen opzet om (ook) Seahorse te benadelen. Ook dit verwijt kan dus niet tot toewijzing van de vordering leiden.

4.12.

Nu aldus niet is gebleken van (de door Seahorse gestelde noch enige andere vorm van) schade, heeft Seahorse geen belang bij de gevraagde verklaring voor recht. Ook de vordering tot veroordeling van [eisers] tot betaling van schadevergoeding komt niet voor toewijzing in aanmerking.

4.13.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal Seahorse worden veroordeeld in de proceskosten. Deze worden begroot op € 288,- aan griffierecht en € 4.000,- aan advocaatsalaris. De nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten zijn toewijsbaar zoals in het dictum omschreven.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt Seahorse in de proceskosten van [eisers] , tot op heden begroot op € 4.288,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 14 dagen na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag van voldoening;

5.3.

veroordeelt Seahorse in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Seahorse niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

5.4.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2017.

1980/39