Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:2258

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-03-2017
Datum publicatie
27-03-2017
Zaaknummer
10/960136-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewijs deelname aan IS, terroristische organisatie in de zin van artikel 140a Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/960136-16

Datum uitspraak: 23 maart 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen,

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Vught, locatie Nieuw Vosseveld, Bijzondere Afdeling,

raadsman mr. G. Spong en mr. E. van Reydt, advocaten te Amsterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 9 maart 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De beschuldiging komt er – kort gezegd – op neer dat de verdachte in de periode van 17 oktober 2015 tot en met 18 maart 2016 in Syrië en/of Irak heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie, te weten Islamitische Staat (IS).

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M.G. Vreugdenhil heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek van voorarrest.

4 Aanleiding onderzoek

Op 23 oktober 2015 komt er bij de alarmcentrale 112 een melding binnen van [naam 5] die vertelt dat hij zich ernstig zorgen maakt om zijn broer [naam verdachte] , de verdachte. Hij vertelt dat zijn broer is gebrainwasht en dat hij ergens in Syrië terecht is gekomen; de familie heeft al een week niets van hem vernomen. Op 23 oktober 2015 krijgt de familie een soort afscheidsmail van de verdachte dat hij naar Allah is gegaan, dat hij in goede handen is en niet meer kan terugmailen.

Naar aanleiding van de vermissing wordt een internationaal arrestatiebevel tegen de verdachte uitgevaardigd.

Op 18 maart 2016 meldt de verdachte zich bij de Nederlandse ambassade in Ankara om aangifte te doen van vermissing van zijn Nederlandse paspoort. Op 25 maart wordt de verdachte door de Turkse autoriteiten aangehouden en op 7 april 2016 uitgeleverd aan Nederland.

5 Standpunten

Standpunt openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich – kort en zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat de verdachte in het strijdgebied van Irak of Syrië is geweest en daar heeft deelgenomen aan de terroristische organisatie Islamitische Staat (hierna: IS). De verklaring van de verdachte dat hij die vijf maanden niet in Irak of Syrië was, maar in Turkije heeft verbleven, is op cruciale onderdelen niet geloofwaardig en in strijd met de bewijsmiddelen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat IS een terroristische organisatie is als bedoeld in artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Deelname aan IS levert dan ook deelname op aan een terroristische organisatie als bedoeld in artikel 140a Sr en voor bewezenverklaring is niet nodig vast te stellen welk concreet aandeel de verdachte heeft geleverd.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken en heeft daartoe - kort weergegeven - het volgende aangevoerd.

Niet te bewijzen valt dat de verdachte in Syrië en/of Irak heeft verbleven.

Het alternatief scenario van de verdachte, dat hij gedurende de ten laste gelegde periode in Turkije heeft verbleven, is door het openbaar ministerie niet onderzocht. Het openbaar ministerie heeft de resultaten van een Turks rechtshulpverzoek niet afgewacht en een onderzoek naar e-mail accounts is onvolledig terwijl beschikbare onderzoeksbevindingen ontlastend kunnen zijn.

Mocht de rechtbank de verdachte wel in Syrië en/of Irak plaatsen dan impliceert aanwezigheid in door IS gecontroleerd gebied geen (in)directe bijdrage, laat staan deelneming aan IS.

Voorts betwist de verdediging de onderzoeksmethode en de conclusies van het rapport “Bestemming Syrië” en wordt geconcludeerd dat dit rapport in de onderhavige zaak geen bewijswaarde heeft.

6 Bewijsoverwegingen

De rechtbank overweegt als volgt.

Vast staat dat de verdachte op 17 oktober 2015 uit Groot-Brittannië is vertrokken met een vliegticket met eindbestemming Erbil in Noord Irak. Vast staat ook, dat zijn bagage in Erbil is aangekomen. Volgens verdachte en zijn broer [naam 1] is dit vanuit Erbil teruggestuurd naar [naam 1] in Manchester. Hoewel er geen rechtstreeks bewijs is dat ook de verdachte in Erbil is gearriveerd, is, gelet op de praktijk bij luchtvaartmaatschappijen om uit veiligheidsoverwegingen geen bagage zonder passagiers door te sturen, de kans dat de verdachte wel in Erbil is aangekomen, aanmerkelijk groter, dan dat hij daar niet is aangekomen.

De gedachte dat de verdachte in Noord-Irak is aangekomen en zich bij IS heeft aangesloten, wordt in elk geval gedeeld door zijn zuster [naam 2] , die hem op 24 oktober 2015 een e-mailbericht stuurt, dat hij zijn verstand moet gebruiken, nu “50% van de bewoners van Mosoel (…) de stad (hebben) verlaten door ISIS, (…) koppig zijn is niet goed (…) je kunt niet God dienen met doden van mensen en zelf later exploderen tussen de moslims”.

Daar komt bij dat op 31 oktober 2015 het volgende e-mailbericht is verstuurd naar het e-mailaccount [naam emailadres] (hierna: het [naam emailadres] ):

Vrede zij met je. Beste broeder, ik ben de broer van [naam 2] 's echtgenote, ik ben op dit moment in de provincie Mosul. Jouw vader heeft contact met mij gehad om mij te berichten dat je aangekomen bent. Jouw zus [naam 2] heeft ook contact met mij gehad, daarom hoop ik jou ik z.s.m. te ontmoeten om jou het toevertrouwde van je vader te overhandigen.

Jouw broeder [naam 3]

Volgens de vertaler wordt met ‘het toevertrouwde’ vaak geld bedoeld. Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat [naam 2] zijn stiefzus is, een dochter van zijn vader uit een eerder huwelijk, en dat het bovengenoemde account door hem werd gebruikt en ook dat hij [naam 3] kent.

Gelet op deze e-mailberichten, gekoppeld aan de bovenstaande bevindingen over de reisbeweging van verdachtes bagage, is de conclusie dat de verdachte is aangekomen in de omgeving van Mosul. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit in het noorden van Irak ligt en dat Mosul in oktober 2015 in handen was van IS.

Op 20 oktober 2015 heeft verdachtes zuster [naam 2] een e-mail gestuurd aan het [naam emailadres] dat bij de verdachte in gebruik was: [naam verdachte] bel ons! Waar ben je?! Waarom is je telefoon dicht?! (p. 235). Vanaf het account [naam emailadres] is nog diezelfde dag een antwoord gekomen: Ja er is iets mis met mijn telefoon ik bel straks wanneer ik gemaakt heb. Kennelijk is er die dag geen antwoord gekomen. In elk geval heeft [naam 2] nog een aantal berichten naar het [naam emailadres] gestuurd, met het verzoek om contact op te nemen. Op 23 oktober 2015 heeft de verdachte, zoals hij ter zitting heeft verklaard, het volgende bericht gestuurd vanaf het [naam emailadres] :

Er is niks aan de hand met mij ik ben in goede handen. Er gaat niks met mij gebueren inshAllah. Word sterk en blijf bij mij moeder en vader. Ik kan niet meer terug emailen.

Ik ben naar Allah gegaan. Bedank mijn ouders voor alles. En sorry dat ik slecht tegen jou was [naam 2] . Lees de quran veel. Salam alekum.

Mede gelet op hetgeen boven is geconcludeerd over verdachtes aanwezigheid in of nabij IS gebied en op hetgeen hieronder nog zal worden overwogen, begrijpt de rechtbank dit bericht zo dat de verdachte in bedekte termen heeft laten weten dat hij zich bij IS heeft aangesloten.

Immers, op 14 januari 2016 is vanaf het [naam emailadres] een e-mailbericht verstuurd aan ene [naam 4] , later geïdentificeerd als [naam 4] .

Het bericht luidde:

Alekum assalam beste broer [naam 4]

Mijn broer [naam 4] , ik ben 2 maanden geleden naar de Islamitische staat gekomen. En alhamdulillah het is hier heel goed wallahi.

Ik wou dat alle moslims de uitbreiding van de Islamitische staat en de sharia van Allah accepteerden. Let niet op de slechte dingen die de media zeggen. Moge Allah alle moslims en mensen die ook maar iets goeds in hun hart hebben de weg wijzen inshAllah.

Salam alekum. Je broer [naam verdachte]

Dit bericht is niet anders te verstaan dan dat de persoon die dit heeft verstuurd, verklaart dat hij zich bij IS heeft gevoegd. Nu dit bericht is verstuurd vanaf het account dat bij de verdachte in gebruik was en gelet op de bovenstaande bevindingen, is er alle aanleiding om te veronderstellen dat het de verdachte is die heeft bericht dat hij zich bij IS heeft gevoegd.

In elk geval is [naam 4] kennelijk die mening toegedaan. Op 14 januari 2016 is op het [naam emailadres] een antwoord binnengekomen vanaf het e-mailadres van [naam 4] .

Beste broer [naam verdachte] , ik vind het zo erg dat ik heb gelezen dat je bij ISIS bent gegaan.

Op 26 februari 2016 is van het [naam emailadres] het volgende e-mailbericht verstuurd aan het e-mailadres van [naam 4] . Hierin wordt [naam 4] conclusie dat de verdachte zich bij IS heeft gevoegd niet tegengesproken, maar eerder bevestigd:

Omdat ik hier nu sinds ongeveer 5 maanden ben, heb ik de waarheid met eigen ogen gezien. Isis heeft het in veel dingen fout (…). Er is veel racisme tussen de

muhajireen en ansar en zelfs onderling bij de muhajireen. (…) Daarom heb ik besloten om binnenkort terug te gaan, inshallah.(…) Ik ben er op dit moment mee bezig om over een paar dagen te vertrekken. Je moet niet denken dat ik als mens ben veranderd. De videos van isis zijn heel gevaarlijk en hersenspoelen iemand gemakkelijk. De informatie uit de video's is niet zoals het leven hier echt is. En alhamdullah ik heb mensen die tegen isis vechten niets aangedaan.

Blijkens bevindingen van het opsporingsonderzoek zou de verdachte rond 16 maart 2016 in Turkije zijn aangekomen. In elk geval heeft de verdachte zich op 18 maart 2016 gemeld bij de Nederlandse ambassade in Ankara in Turkije, met de mededeling dat hij zijn paspoort kwijt was. Op 25 maart 2016 is de verdachte in Turkije in vreemdelingenbewaring geplaatst en op 7 april 2016 naar Nederland uitgezet.

Op 14 april 2016 hebben [naam 5] en een NN vrouw, waarvan de verdachte op de zitting heeft verklaard dat dit zijn moeder was, een telefoongesprek gevoerd. Het gesprek gaat over [bijnaam verdachte] , waarmee de verdachte wordt bedoeld.

[naam 5] zegt. Jullie moeten een beetje geduld hebben. Niet te veel haast. (…) Ik zei steeds tegen jullie wacht nog even tot dat Turkije open gaat, en hij zal heus komen. Twee of drie dagen na dat Turkije open ging, kwam hij. (…) [naam 5] zegt, hij zit vast en heeft geen probleem. NN Vrouw zegt, maar hij zit binnen vier muren ..

[naam 5] zegt, het is toch beter dan daar. Hij heeft daar vijf maanden gezeten..

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen, in onderling en elkaar versterkend verband, is de meest van de hand liggende conclusie, dat de verdachte naar Erbil in Noord-Irak is gevlogen, dat hij zich daarna naar de omgeving van Mosul heeft begeven en zich bij IS heeft aangesloten. In maart 2016 heeft hij zich aan IS onttrokken en is hij naar Turkije gegaan.

Tegenover het bovenstaande heeft de verdachte een alternatieve lezing van de feiten gegeven.

De verdachte heeft verklaard dat hij naar Erbil op weg was om zijn aldaar woonachtige nichtje, een huwelijksaanzoek te doen. Hij had een overstap in Istanbul gepland om cadeaus te kopen. Daar vernam hij van zijn nichtje via Instagram dat het huwelijk niet doorging. Hij is daarop niet doorgereisd naar Erbil, maar zijn koffer is wel in Erbil terecht gekomen. De verdachte verklaarde ook dat hij de naam en het adres van zijn broer [naam 1] in Manchester op het label van de koffer had gezet.

De verdachte heeft verder verklaard dat hij zijn bankpas heeft teruggestuurd naar zijn familie omdat daar geld van zijn vader op stond en dat zijn paspoort in Turkije is gestolen.

De verdachte heeft tenslotte verklaard dat hij gedurende de ten laste gelegde periode in Turkije was en dat hij daar met een vriend in verschillende hotels heeft verbleven, alle kosten zijn betaald door die vriend, genaamd [naam 6] uit Bahrein en dat hij twee keer een week naar (telkens een ander) een nichtje is gegaan. Hijzelf heeft alleen contant geld gebruikt.

Toen de verdachte werd aangehouden had hij een mobiele telefoon bij zich. In deze telefoon zijn onder meer de hierboven beschreven berichten aan [naam 4] aangetroffen. De verdachte heeft ontkend dat hij deze twee e-mails heeft verzonden. Hij heeft verklaard dat zijn telefoon kapot was, dat hij deze telefoon in Turkije heeft verkocht, dat hij zijn e-mailaccount op die telefoon open heeft laten staan en dat iemand anders deze berichten heeft verstuurd.

De verdediging heeft er op gewezen dat zowel [naam 5] als [naam 1] hebben verklaard dat zij reeds in november 2015 hadden vernomen dat de verdachte zich in Turkije bevond. Uit ‘het’ concrete handelen van de broers van de verdachte in november 2015, aldus de verdediging, blijkt de bevestiging van de verklaring van de verdachte.

De verdediging heeft er tenslotte op gewezen dat het onderzoek onvolledig is geweest. Zowel het onderzoek bij Google naar de verkeersgegevens van de e-mails die door de verdachte zijn verzonden, als het rechtshulpverzoek aan Turkije zijn onvolledig respectievelijk in het geheel niet uitgevoerd. Een en ander leidt tot de conclusie dat het alternatieve verhaal van de verdachte niet is weerlegd en (alleen al om die reden) vrijspraak dient te volgen.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Voorop moet worden gesteld dat door het openbaar ministerie is getracht de verklaring van de verdachte over zijn verblijf in Turkije te verifiëren. Daartoe is maanden geleden een rechtshulpverzoek gedaan, maar beantwoording van dat verzoek valt niet binnen een redelijke termijn te verwachten, waarbij het nog maar de vraag is of het verzoek, mede gezien de huidige politieke situatie tussen Nederland en Turkije, ooit beantwoord zal worden. Dit mag de verdachte niet worden tegengeworpen. Daar staat tegenover dat de verdachte zelf niets heeft aangedragen dat zijn verklaring, dat hij maanden in hotelkamers in Turkije heeft geleefd, ondersteunt. Hij heeft geen rekeningen, geen bonnetjes en hij heeft zelfs geen foto’s van zijn verblijf op zijn mobiele telefoon staan. De verdediging heeft geen verklaring, brief noch e-mail van die vriend [naam 6] of nichtjes die zijn verhaal kunnen ondersteunen, terwijl gelet op al het e-mailverkeer in het dossier, dit tot de mogelijkheden moet hebben behoord. De rechtbank vermag niet in te zien waarom niet aan het nichtje [naam 7] , waarmee de verdachte wilde trouwen, een verzoek kon worden gedaan om het verhaal desnoods per e-mail te bevestigen. Of anders aan een nichtje in Turkije waar de verdachte naar eigen zeggen zou hebben verbleven. De verdediging heeft de rechtbank ook geen enkel verzoek gedaan om een en ander nader te onderzoeken. Zij heeft zich beperkt tot het wijzen op de incompleetheid van het onderzoek en het bepleiten van vrijspraak.

Wat het onderzoek bij Google betreft, is dit volgens de verdediging niet compleet. Enerzijds beschikt Google kennelijk over data aan de hand waarvan kan worden uitgezocht vanaf welke plaats, welk bericht is verstuurd, maar onduidelijk is of deze data zijn verstrekt en zo ja, dan is niet duidelijk of deze data zijn onderzocht. Daar staat, zo constateert de rechtbank, tegenover dat volgens het desbetreffende onderzoeksrapport aan de hand van de van Google ontvangen data niet kan worden nagegaan of de verdachte in Syrië of Irak is geweest, terwijl wel duidelijk is geworden dat in het e-mailaccount [naam emailadres] geen e-mails aanwezig waren die in de periode tussen 21 oktober 2015 en 1 maart 2016 zijn verstuurd (toen een e-mailbericht werd verstuurd). Nu bekend is dat er in die periode wel e-mails zijn verstuurd, zijn deze kennelijk gewist. De verdachte heeft daarover geen verklaring gegeven. Nader onderzoek acht de rechtbank niet noodzakelijk en is ook niet door de verdediging bepleit.

Wat betreft de kern van het bewijs constateert de rechtbank dat de e-mails zijn verstuurd vanaf het e-mailaccount van de verdachte en de rechtbank ziet niet in waarom een persoon die een kapotte telefoon heeft gekocht, inlogt op het e-mailaccount van de verdachte om deze e-mails te verzenden naar een vriend van de verdachte, waarbij dan nog de vraag rijst hoe die persoon dat heeft kunnen doen, nu de telefoon kapot was. De verdachte had dit e-mailadres al veel langer en ontkent niet de andere berichten van dit adres te hebben verzonden. Ook de ontvanger heeft niet gedacht dat de twee gewraakte e-mails van de hand van een ander dan de verdachte waren. De rechtbank gaat er onder deze omstandigheden, zoals reeds eerder is overwogen, van uit dat deze e-mails daadwerkelijk door de verdachte zelf zijn verzonden.

Dat de verdachte in het gebied van de Islamitische Staat is geweest wordt voorts ondersteund door de inhoud van afgeluisterde telefoongesprekken tussen familieleden van de verdachte, die begrepen dan wel wisten dat de verdachte zich heeft aangesloten bij IS.

Behalve op de eerder genoemde gesprekken wijst de rechtbank nog op het gesprek dat [naam 5] (L.) op 19 april 2016 heeft gevoerd met (kennelijk) zijn vriendin (NN). Hij is eerder die dag door de politie gehoord en heeft de bovenstaande e-mails aan [naam 4] gezien. In dit gesprek zegt [naam 5] :

L: Ze hebben een e-mail laten zien, waar hij, waar hij contact opneemt met één of andere gozer. In Libië of zo. Hij heeft in een mail gezegd. Ik ben hier in uh.. uh ISIS plek en uh ik ben al 5 maanden hier. (…) Ik weet alleen niet hoe ik het mijn ouders moet vertellen, die zitten de heel tijd te wachten op mij en uh... hij kan 10 tot 15 jaar celstraf krijgen....

NN: Dan is het dus, als je ontsnapt bent daaruit. Dan kan je dus 15 jaar cel krijgen

L: Ja. (…) Daarom heb ik wel 80 keer tegen hem gezegd, niet liegen. Wees nou eerlijk, wees nou eerlijk, ga nou gewoon de waarheid vertellen, ga niet liegen, maar toch liegt die...

Verder blijkt uit de afgeluisterde gesprekken dat [naam 5] en zijn moeder hun verhalen afstemmen, in het bijzonder over het nichtje [naam 7] , terwijl [naam 5] de politie informeert.

Zo zegt de moeder (NN vrouw) van de verdachte op 17 april 2016 tegen [naam 5] :

[naam 5] zegt, dat meisje dat hij verliefd op was. NN Vrouw zegt, dat meisje [naam 7] is geen nicht.

NN Vrouw zegt, hij was bang dat het nummer van het meisje aan hem zou gevraagd worden vandaar dat hij dat heeft verteld. Zeg dat zij geen familie is., klaar

NN Vrouw zegt, dat je haar niet kent. klaar. [naam 5] zegt, goed..zij was ons nicht niet ..maar.. NN Vrouw zegt, er was ook een nicht. mijn moeder..

NN Vrouw zegt, zeg, mijn moeder probeerde de nicht aan hem ( [bijnaam verdachte] ) te koppelen.. zeg dat er twee dingen te gelijk was...

De volgende dag heeft [naam 5] een e-mailbericht aan de politie gestuurd. Dit wordt hem, nadat hij heeft verklaard dat zij geen nichtje hebben met de naam [naam 7] , op 19 april 2016 voorgehouden.

"De vriendin ( [naam 7] ) van [naam verdachte] is inderdaad de gene waarvoor hij van Engeland naar Arbil is geweest (of tenminste dat was zijn planning tot dat hij in Istanbul hoorde dat zij al iemand anders heeft). Ik zei dat mijn moeder naar hem toeging voor haar ( [naam 7] ), maar dat klopt niet want zij was naar Koerdistan gegaan om mijn broertje te bezoeken en op dezelfde moment probeerde mijn moeder mijn nichtje voor hem te regelen via mijn tante, dat is niet gelukt omdat hij (haar) broers dat niet hadden geaccepteerd. Ik dacht eerst dat het over [naam 7] ging toen ik het destijds van mijn moeder hoorde maar het ging dus over mijn nichtje, maak ik op dat [naam verdachte] vanuit Londen is vertrokken om naar zijn vriendin [naam 7] te ontmoeten."

Tegen de achtergrond van het bovenstaande, is niet aannemelijk dat de broers [naam 1] en [naam 5] al in november 2015 aan de autoriteiten lieten blijken dat de verdachte in Turkije was. Dit staat slechts in hun verklaringen die in april en mei 2016 zijn afgelegd en in zoverre mist het verweer feitelijke grondslag. Te meer nu de wijkagent op 15 november 2015 nog een bezoek afgelegd bij [naam 5] . De familie had toen nog niets van de verdachte gehoord en de wijkagent heeft niet gerelateerd dat de familie hem in de tweede helft van november wél heeft bericht dat zij van de verdachte hadden gehoord.

Gelet op het bovenstaande - in onderling verband en samenhang bezien - acht de rechtbank de alternatieve lezing van de feiten in volle omvang onaannemelijk en stelt zij vast dat de verdachte in de periode van 17 oktober 2015 tot en met 18 maart 2016 zich heeft aangesloten bij IS.

7 Deelneming aan een terroristische organisatie

Islamitische Staat (IS) een terroristische organisatie

Van een criminele terroristische organisatie is sprake indien deze organisatie beoogt misdrijven met een terroristisch oogmerk te plegen. Dat zijn misdrijven gericht op het aanjagen van vrees van de bevolking dan wel een overheid wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.

Islamitische Staat (IS), ook wel Islamitische Staat in Irak en al-Sham (IS(IS)) en Islamitische Staat in Irak en de Levant (ISIL) genoemd, wordt internationaal aangemerkt als een (verboden) terroristische organisatie. Deelname aan IS, levert dan ook deelname aan een terroristische organisatie als bedoeld in artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht op.

Het moet voor de verdachte volstrekt duidelijk zijn geweest dat IS het oogmerk heeft het plegen van (terroristische) misdrijven. Immers, IS wordt in de media voortdurend aangeduid als een terroristische organisatie en is als zodanig aangemerkt in internationaal verband door plaatsing op de UN-sanctielijst.

Deelneming aan een terroristische organisatie

De verdediging heeft aangevoerd dat aanwezigheid in door ISIS gecontroleerd gebied geen (in)directe bijdrage, laat staan deelmening aan ISIS impliceert.

De rechtbank overweegt dat uit jurisprudentie volgt dat van deelneming aan een criminele (terroristische) organisatie sprake is indien een betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie (HR 18 november 1997, NJ 1998, 225). Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van bovenbedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken (Hoge Raad 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012: BW5161). Evenmin is vereist dat de betrokkene zelf heeft meegedaan of meedoet aan de misdrijven die door andere leden zijn respectievelijk worden gepleegd.

Nu de verdachte zich naar eigen zeggen heeft aangesloten bij IS en heeft hij, nu IS internationaal is aangemerkt als terroristische organisatie, reeds daarmee een aandeel gehad in, dan wel ondersteuning geboden aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van IS. Dat hij een bijdrage heeft geleverd aan IS vloeit voort uit zijn e-mail van 26 februari 2016 aan [naam 4] . Hieruit blijkt dat hij de daden van IS van nabij heeft meegemaakt en weet dat er tussen de “muhajireen” onderling racisme bestaat. Dat kan hij alleen weten, als hij daarvan zelf deel heeft uitgemaakt. En dat hij een bijdrage heeft geleverd kan verder, indirect, worden afgeleid uit de opmerking dat hij niemand die tegen ISIS vecht iets heeft aangedaan.

Dit brengt mee dat het rapport getiteld ‘ [naam rapport] ’ niet voor het bewijs wordt gebezigd. Het verweer van de verdediging op dit punt behoeft derhalve geen bespreking.

Conclusie

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven.

7.1.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 17 oktober 2015 tot en met 18 maart 2016,te Syrië en/of Irak,

heeft deelgenomen aan een organisatie, namelijk Islamitische Staat (IS), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, te weten,

A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en/of 289a en/of 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

E. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en/of munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet wapens en munitie).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

8 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

9 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

10 Motivering straf

10.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

10.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich aangesloten bij de verboden jihadistische terroristische organisatie IS.

Strijdgroepen als IS hebben tot doel het vestigen van een islamitische staat, waarin de rechten van andersdenkenden op zeer gewelddadige wijze worden geschonden. Door deze strijdgroepen worden op grote schaal ernstige mensenrechtenschendingen begaan zoals standrechtelijke executies, moord, marteling en verminking van krijgsgevangen en burgers. Veel van die misdrijven worden bovendien gepleegd met het uitdrukkelijke doel de bevolking in deze gebieden vrees aan te jagen en zijn daarmee ontegenzeggelijk terroristische misdrijven. Terrorisme wordt internationaal gezien als één van de ernstigste misdrijven.

10.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 februari 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder in Nederland is veroordeeld.

GZ-psycholoog [naam 8] en forensisch milieurapporteur hebben gezamenlijk een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 26 januari 2017. Dit rapport houdt het volgende in.

“De verdachte heeft niet deelgenomen aan het psychologisch onderzoek. Wel werkte hij grotendeels mee aan het milieuonderzoek.

Al met al kan geconcludeerd worden dat er uit het milieuonderzoek en, zeer beperkte,

psychologisch onderzoek geen aanwijzingen naar voren komen voor ernstige psychiatrische

ziekten (zoals schizofrenie), voor een intellectueel defect, en/of voor een ernstige

ontwikkelingsstoornis (zoals autisme). Geheel uit te sluiten is dit uiteraard niet maar de

aanwezigheid van zulk soort, ernstige en pervasieve, psychopathologie zou lastig geheel

te verbergen zijn geweest, gezien ook het feit dat de milieu rapporteur ook foto's en

schoolrapporten inzag. Of er bij hem mogelijk sprake is van persoonlijkheidsproblematiek of een persoonlijkheidsstoornis is op basis van dit onderzoek echter niet te zeggen. Hetzelfde geldt voor de vraag of er in de periode rond het ten laste gelegde sprake was van middelenmisbruik- of afhankelijkheid, en/of een psychopathologisch toestandsbeeld.”

10.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Hoewel de verdachte een weloverwogen keuze heeft gemaakt om zich aan te sluiten bij IS, wordt bij de strafoplegging in zijn voordeel meegewogen dat er geen aanwijzingen zijn in hoeverre hij aldaar actief betrokken is geweest bij gevechtshandelingen waarbij mensen zijn gedood, dat hij, nadat hij tot inzicht is gekomen, het strijdgebied van IS heeft verlaten en dat er geen directe aanwijzingen zijn dat hij in Nederland een misdrijf zal gaan plegen. Aangezien de rechtbank uitgaat van het feit dat het bericht aan een vriend over een verblijf in IS gebied afkomstig is van de verdachte, neemt de rechtbank tevens zijn verklaring als uitgangspunt dat hij geen mensen heeft gedood of verwond. Hiermee houdt de rechtbank rekening bij de duur van de op te leggen straf. Alles afwegend wordt na te noemen straf, lager dan de eis van de officier van justitie, passend en geboden geacht.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht.

12 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

13 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.L.M. Boek, voorzitter,

en mrs. J. van der Groen en D. van Putten, rechters,

in tegenwoordigheid van M.J. Grootendorst, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij

op één of meerdere tijdstippen in de periode van 17 oktober 2015

tot en met 18 maart 2016,te Syrië en/of Irak,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

heeft deelgenomen aan een organisatie, namelijk Islamitische Staat (IS),

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven,

te weten,

A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit

feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van

Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in

artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in

artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel

289 jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot

eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en/of 289a en/of

96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

E. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en/of munitie van de

categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens

en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om

een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals

bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet wapens en munitie).

(artikel 140a lid 1 Wetboek van Strafrecht)