Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:2189

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
31-03-2017
Zaaknummer
C/10/502509 / HA ZA 16-526
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schadevergoedingsvordering ingediend door eigenaar auto tegen bestuurder auto ten tijde van een ongeval. Causaal verband betwist. Omkeringsregel niet van toepassing. Bewijsopdracht aan eiser.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 150
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3443
VR 2017/133
AR 2017/1685
JA 2017/70 met annotatie van mr. P.J. klein Gunnewiek
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/502509 / HA ZA 16-526

Vonnis van 15 maart 2017

in de zaak van

[curator] , in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van FRANCE LIMOUSIN NEDERLAND B.V.,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. M.A.J. Hartman te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. R.A.D. Blaauw te Rotterdam.

Partijen zullen hierna de curator en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het inleidend exploot van dagvaarding van 18 mei 2016 met producties;

- de conclusie van antwoord;

- de brief van de rechtbank van 31 augustus 2016, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 21 november 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

France Limousin Nederland B.V. (verder te noemen: “FLN”) was eigenaresse van een motorvoertuig van het type Lexus 2 (verder te noemen: “de Lexus”). De Lexus was in gebruik bij de vader van [gedaagde] .

2.2.

Op 19 april 2013 was [gedaagde] als bestuurder van de Lexus betrokken bij een aanrijding met een ander motorvoertuig, merk Volkswagen, (verder te noemen: “de Volkswagen”) te Stellendam (verder te noemen: “het ongeval”).

2.3.

De politie heeft proces-verbaal van het ongeval opgemaakt. In het proces-verbaal relaas van onderzoek, registratienummer [registratienummer] , van de politie Rotterdam-Rijnmond, opgemaakt op 27 juni 2013, staat op pagina 4 een “verkorte weergave” opgenomen van de conclusies van de onderzoeken ter plaatse verricht door de Technische- en Ongevallendienst (TOD). Deze verkorte weergave vermeldt het volgende – voor zover hier van belang -:

“ (…)

 De bestuurder van de Volkswagen geen voorrang heeft verleend aan de van links komende en op een voorrangsweg rijdende Lexus.

 De indicatieve botssnelheid van de Lexus heeft blijkens de analyse van PC-Crash gelegen tussen 120 en 150 km/u.

 (..)

 Blijkens analyse van de datadragers heeft de Lexus ongeveer 5 seconden voor het ongeval gereden met een snelheid van minimaal 194 km/u.

 (…)

 Uit analyse met behulp van PC-Crash bleek dat de aanrijding niet plaats zou hebben gehad indien de bestuurder van de Lexus 5 seconden voor het ongeval met de ter plaatse geldende maximum snelheid van 80 km/u zou hebben gereden. De Volkswagen zou het kruisingsvlak dan reeds 5,5 seconden verlaten hebben.”

Op pagina 6 van voornoemd proces-verbaal staat verder vermeld – voor zover hier van belang -:

“Door het NFI werd op 25-04-2013 gerapporteerd dat er in het bloed van [gedaagde] 0,53 milligram alcohol per ml bloed was aangetroffen.
(…)
Door het NFI werd tevens onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van andere stoffen in het bloed, die de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden. In het bloed van [gedaagde] zijn sporen aangetroffen van Cocaïne, Benzoyecgonine en Mathylecgonine, waarvan de conclusie is dat nadelige beïnvloeding van de rijvaardigheid niet kan worden geconcludeerd.”

2.4.

FLN is bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 31 januari 2014 failliet verklaard, met benoeming van de curator.

2.5.

Bij een rapport van expertise van 10 maart 2014 van ITEB Schadeservices is de schade aan de auto vastgesteld op basis van dagwaarde inclusief BTW op € 27.500,00. Nadat het wrak is vrijgegeven door de politie is het wrak door de curator verkocht voor

€ 700,00.

2.6.

Ten tijde van de ongeval was de Lexus door FLN volledig casco verzekerd bij Allianz. Als productie 6 bij de dagvaarding heeft de curator verzekeringsvoorwaarden PM 08 van Allianz overgelegd. Artikel 2 van de bijzondere voorwaarden voor cascoverzekering luidt – voor zover hier van belang –:

“Artikel 2 Uitsluitingen
Naast de uitsluitingen genoemd in artikel 2 van de Algemene voorwaarden, geeft de verzekering evenmin dekking, indien:

2.1

Alcohol e.d.
de schade is ontstaan terwijl de bestuurder van het motorrijtuig onder zodanige

invloed van alcoholhoudende drank of enig bedwelmend of opwekkend middel

verkeerde, dat het besturen van het motorrijtuig hem door de wet of overheid is of

zou zijn verboden.

(…)”

2.7.

Bij email van 21 maart 2014 heeft de schadebehandelaar aan de curator onder meer het volgende bericht:

“Betreft: schadenummer [schadenummer] – t.n.v. France Limousin Nederland B.V.
Schade dd 19-04-2013 – kenteken: [kenteken]

(…)

Er zal geen casco uitkering op deze polis volgen aangezien er vast is komen te staan dat er sprake is van overmatig alcohol en drugsgebruik van de bestuurder, [gedaagde] . Dit betreft een uitsluiting op de polis.

Wij zijn wettelijk verplicht de tegenpartij schadeloos te stellen en zodra dit gebeurd zullen wij u hierover inlichten.

(…)”

2.8.

Bij brief van 19 maart 2015 heeft de curator [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de door FLN geleden schade.

2.9.

Bij het op tegenspraak gewezen vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam van 14 juli 2015 (zaaknummer 10/710117-13) in de strafzaak tegen [gedaagde] inzake het ongeval van 19 april 2013 heeft de rechtbank onder rechtsoverweging 5.1 overwogen – voor zover hier van belang - :

“(…)
Het verwijt dat verdachte wordt gemaakt is dat het ongeval (mede) aan hem kan worden toegerekend omdat hij met veel te hoge snelheid (…) ter hoogte van de kruising (…) heeft gereden en geen rekening heeft gehouden met mogelijk kruisend verkeer, dit terwijl hij niet in staat was de weg te overzien en teveel alcoholhoudende drank had gedronken.

(…) de rechtbank (is) van oordeel dat de verdachte op zijn minst genomen aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden. (…)

De volgende vraag is of het verkeersgedrag van de verdachte ook heeft bijgedragen aan het ongeval. In dit verband is van belang dat uit het dossier volgt dat de bestuurder van de Volkswagen zich er, voordat hij de kruising overstak, onvoldoende van moet hebben vergewist dat er geen verkeer naderde en dat hij veilig kon oversteken. Uit diens verklaring en uit technisch onderzoek leidt de rechtbank af dat deze bestuurder de Lexus voor het oversteken van de kruising in het geheel niet heeft opgemerkt (…). In dat licht bezien heeft het verkeersgedrag van de verdachte – hoe onvoorzichtig ook – naar het oordeel van de rechtbank geen invloed gehad op de beslissing van de bestuurder van de Volkswagen om de kruising op dat moment over te steken. Uit de technische rapporten volgt voorts dat, indien de Lexus de kruising zou zijn genaderd met een aldaar toegestane snelheid, het ongeval eveneens zou hebben plaatsgevonden in die zin dat de bestuurder van de Lexus het ongeval ook dan niet zou hebben kunnen vermijden.

Bij de huidige stand van zaken kan de rechtbank (…) niet anders concluderen dan dat het ongeval niet (mede) is veroorzaakt door het – onvoorzichtige – verkeersgedrag van de verdachte.”

3 Het geschil

3.1.

De curator vordert bij vonnis, voor zover de wet zulks toelaat volledig uitvoerbaar bij voorraad:

- [gedaagde] te veroordelen aan de curator te betalen het bedrag van € 26.800 (zegge: zesentwintigduizend achthonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag van de dag van het ongeval, 19 april 2013, althans vanaf 19 maart 2015, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

- [gedaagde] te veroordelen aan de curator te betalen een bedrag ter zake van buitengerechtelijke kosten van € 1.210 (zegge: éénduizend tweehonderdtien euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van deze dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

- [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding, onder de bepaling dat (i) de proceskosten voldaan dienen te worden binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis, en – voor het geval voldoening binnen deze termijn niet plaatsvindt – (ii) te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, alsmede (iii) met veroordeling van gedaagde in de nakosten ad € 131 (zegge: honderdeenendertig euro), dan wel, indien betekening plaatsvindt, ad € 199 (zegge: honderdnegenennegentig euro).

3.2.

De curator legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] onrechtmatig jegens FLN heeft gehandeld door onder invloed van alcohol en met meer dan twee keer de toegestane snelheid een ongeval te veroorzaken en daarmee schade aan de Lexus van FLN. Dat [gedaagde] het ongeval heeft veroorzaakt volgt uit het hiervoor onder 2.3 opgenomen proces-verbaal van de politie. Derhalve dient [gedaagde] de door hem veroorzaakte schade aan het eigendom van FLN te vergoeden aan de curator. De schade aan de Lexus bedraagt volgens het taxatierapport van 10 maart 2014 € 27.500 (inclusief BTW) te verminderen met een bedrag van € 700 waarvoor het wrak van de Lexus is verkocht, derhalve in totaal € 26.800 inclusief BTW.
De curator maakt naast de hoofdsom aanspraak ex artikel 6:96 lid 2 sub c Burgerlijk Wetboek (BW) op een bedrag aan buitengerechtelijke kosten van € 1.210 ter zake van verrichtingen die vallen buiten de reikwijdte van artikel 241 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), zoals overleg met de verzekeraar, bestudering van het Politierapport, correspondentie met [gedaagde] en de verzekeraar en telefonisch overleg met de politie. Verder maakt hij aanspraak op de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de datum van het ongeval ingevolge artikel 6:83 sub b BW jo. artikel 6:119 lid 1 BW en vordert hij [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente en nakosten.

3.3.

[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering van de curator. [gedaagde] betwist dat sprake is van causaal verband, aangezien het ongeval niet door hem is veroorzaakt. Het proces-verbaal waarop de curator zich beroept, is achterhaald. Er heeft nadien uitgebreid nader onderzoek plaatsgevonden, waaruit volgt dat [gedaagde] het ongeval niet heeft veroorzaakt. Dit blijkt ook uit het vonnis van de rechtbank van 14 juli 2015, meer in het bijzonder rechtsoverweging 5.1. Verder voert [gedaagde] aan dat niet is voldaan aan het relativiteitsvereiste, nu artikel 5 en artikel 8 Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) niet tot doel hebben niet-verkeersdeelnemers te beschermen tegen vermogensschade als gevolg van een ongeval. Subsidiair betwist [gedaagde] de hoogte van de gevorderde schade, nu uit een eerder taxatierapport een lagere dagwaarde van de Lexus zou volgen en de gevorderde BTW geen schade voor FLN zou betreffen. Tevens doet [gedaagde] een beroep op matiging van het schadebedrag nu de curator drie jaar heeft stilgezeten, als gevolg waarvan de aanspraak van [gedaagde] jegens zijn verzekeraar is verjaard.
De gevorderde buitengerechtelijke kosten komen volgens [gedaagde] niet voor vergoeding in aanmerking nu deze vallen onder de proceskosten. Subsidiair voert [gedaagde] aan dat de kosten dienen te worden berekend conform de staffel van het Besluit vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten.

4 De beoordeling

Causaal verband en omkeringsregel

4.1.

De curator heeft ter comparitie herhaald dat de grondslag van zijn vordering is dat [gedaagde] onrechtmatig jegens FLN heeft gehandeld door te hard en onder invloed van alcohol te rijden, waardoor het ongeval is veroorzaakt en daarmee de schade. [gedaagde] is gehouden deze schade aan de curator te vergoeden.

4.2.

Gelet op de stelling van de curator is de bekendheid van [gedaagde] met de zogenaamde alcoholclausule in de verzekeringspolis van FLN (zie onder 2.6) niet aan de orde. De

vraag is of er een causaal verband is tussen het handelen van [gedaagde] – te weten overschrijding van het wettelijk toegestane alcoholpromillage en gevaarzetting onder meer door overtreding van de snelheidsnorm – en het ongeval.

4.3.

De curator stelt zich op het standpunt dat de omkeringsregel betreffende de bewijslast van het causaal verband van toepassing is. Gelet op de schending van verkeersnormen – meer in het bijzonder artikel 5 WVW 1994 en artikel 8 WVW 1994 – die strekken tot voorkoming van ongevallen is het causaal verband tussen de schade en de onrechtmatige gedragingen in beginsel gegeven. Dit omdat het overtreden van de verkeersregel het gevaar voor verkeersongevallen in het algemeen vergroot en in dit geval het gevaar zich heeft verwezenlijkt, hetgeen volgt uit het onder 2.3 opgenomen proces-verbaal. De bewijslast voor het ontbreken van een causaal verband ligt derhalve bij [gedaagde] , aldus de curator. [gedaagde] heeft gemotiveerd – onder verwijzing naar het hiervoor onder 2.9 opgenomen vonnis van 14 juli 2015 – betwist dat sprake is van causaal verband tussen de schending van voornoemde verkeersnormen en het ongeval.

4.4.

Voor de toepassing van de omkeringsregel is vereist dat is komen vast te staan dat sprake is geweest van een gedraging in strijd met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade, en dat degene die zich op schending van deze norm beroept, ook bij betwisting aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval het (specifieke) gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt (HR 29 november 2002, NJ 2004, 305, ECLI:NL:HR:2002:AE7351).

4.5.

Uit het strafvonnis van 14 juli 2015 volgt – ingevolge artikel 161 Rv – dat vaststaat dat [gedaagde] ten tijde van het ongeval meer dan de wettelijk toegestane hoeveelheid alcoholhoudende drank had genuttigd en dat sprake was van gevaarzetting, onder meer doordat hij harder reed dan het ter plaatse toegestane snelheidsmaximum.
Los van de vraag of de door [gedaagde] geschonden verkeersnormen strekken ter voorkoming van vermogensschade als door FLN geleden (of alleen ter voorkoming van schade bij andere verkeersdeelnemers), heeft [gedaagde] gemotiveerd betwist dat het ongeval door zijn handelen is veroorzaakt. Na het hiervoor onder 2.3 opgenomen proces-verbaal van de politie – waarmee de curator zijn stelling heeft gestaafd – heeft blijkens het onder 2.9 aangehaalde vonnis van 14 juli 2015 nader onderzoek plaatsgevonden naar de oorzaak van het ongeval. De rechtbank concludeert in haar strafvonnis van 14 juli 2015 op basis van de (nadere) technische rapporten dat het ongeval niet (mede) is veroorzaakt door het – onvoorzichtige – verkeersgedrag van [gedaagde] .

4.6.

Onder deze omstandigheden heeft de curator – tegenover de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] – voorshands niet aannemelijk gemaakt dat het ongeval is veroorzaakt door de schending van de verkeersnormen door [gedaagde] . Uit hetgeen hiervóór in 4.4 is overwogen volgt dat in het onderhavige geval voor toepassing van de omkeringsregel reeds daarom geen plaats is. Gelet hierop zal de curator op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv in de gelegenheid worden gesteld bewijs te leveren van zijn stelling dat sprake is van causaal verband tussen het handelen van [gedaagde] en het ongeval.

4.7.

De zaak zal naar de rol worden verwezen om bewijstukken in het geding te brengen. Indien de curator tevens gebruik wil maken van bewijslevering door middel van getuigen, kan hij dit kenbaar maken onder opgave van de getuigen en de verhinderdata van alle partijen.

4.8.

Indien de curator niet slaagt in het bewijs, kan niet worden vastgesteld dat [gedaagde] door zijn handelen het ongeval heeft veroorzaakt. De vordering van de curator zal dan worden afgewezen.

4.9.

Indien de curator slaagt in het bewijs, kan worden vastgesteld dat [gedaagde] onrechtmatig jegens FLN heeft gehandeld en is [gedaagde] aansprakelijk voor de schade die hierdoor is ontstaan. De vordering van de curator zal dan worden toegewezen, tenzij één van de verweren van [gedaagde] – die de rechtbank uit proceseconomische overwegingen hierna zal bespreken – slaagt.

Relativiteitsvereiste

4.10.

[gedaagde] heeft betwist dat is voldaan aan het relativiteitsvereiste ex artikel 6:163 BW, nu de geschonden normen van artikel 5 en 8 WVW 1994 niet zouden strekken tot bescherming van vermogensschade van een niet-verkeersdeelnemer, in casu FLN. Hiermee miskent [gedaagde] echter dat hij door de schending van deze verkeersnormen reeds onzorgvuldig heeft gehandeld jegens FLN, zodat hij ook aansprakelijk is voor de eventueel daardoor ontstane schade aan het eigendom van FLN. Aan het relativiteitsvereiste is voldaan.


Omvang schade en matiging

4.11.

De curator heeft een bedrag van € 26.800 gevorderd, bestaande uit de dagwaarde van de Lexus inclusief BTW en verminderd met de opbrengst van het wrak. Nu de daadwerkelijke opbrengst van het wrak bekend is, kan de daadwerkelijke schade worden begroot. De rechtbank ziet geen aanleiding om op de dagwaarde de getaxeerde (hogere) waarde van het wrak in mindering te brengen.

4.12.

[gedaagde] heeft verder aangevoerd dat uit een eerder taxatierapport, opgemaakt in het kader van de eventuele verkoop van auto aan de vader van [gedaagde] , een lagere dagwaarde van de Lexus zou volgen. Nu dit verweer niet met stukken is gestaafd, kan dit niet leiden tot toewijzing van een lager schadebedrag dan het bedrag dat volgt uit het taxatierapport opgemaakt door de verzekeraar van FLN naar aanleiding van het ongeval.

4.13.

Nu FLN BTW-plichtig is, heeft [gedaagde] betwist dat de schade tevens de BTW omvat, zodat de BTW op een eventueel toe te wijzen schadebedrag in mindering dient te worden gebracht. De curator heeft daartegenover gesteld, dat bij verkoop van de auto kort voor het faillissement, de BTW conform de rangregeling aan de schuldeisers van de boedel zou zijn toegekomen en niet rechtstreeks aan de Belastingdienst.
Bij een faillissement worden de schuldeisers uitbetaald conform een bepaalde rangorde. Ook de Belastingdienst is een schuldeiser in het faillissement. BTW bedragen die de failliet ontvangt vlak voor dan wel na het faillissement, komen derhalve niet één op één aan de Belastingdienst toe. Aangezien de vorderingen van de Belastingdienst in een faillissement eerst worden uitbetaald, nadat bank- en hypotheekhouders hun rechten hebben uitgeoefend en boedelschulden zijn voldaan, staat niet bij voorbaat vast dat het BTW-deel van de waarde van de auto rechtstreeks toekomt aan de Belastingdienst. Een eventueel schadebedrag omvat derhalve tevens de BTW.

4.14.

Tot slot doet [gedaagde] een beroep op matiging, nu de curator eerst meer dan drie jaar na het ongeluk de onderhavige procedure aanhangig heeft gemaakt en hij daardoor – gelet op de verjaringstermijn van drie jaren in artikel 10 lid 5 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) – de schade niet meer kan verhalen op de verzekeraar van de Volkswagen. Dit verweer kan niet slagen. De curator heeft [gedaagde] binnen twee jaar na het ongeval, te weten bij brief van 19 maart 2015, aansprakelijk gesteld voor de schade. [gedaagde] had vanaf dat moment de bestuurder, althans de verzekeraar van de Volkswagen, aansprakelijk kunnen stellen en de verjaring kunnen stuiten. Van rechtsverwerking aan de zijde van de curator is geen sprake, zodat ook matiging van de schade op die grond niet aan de orde is.

Resumé

4.15.

In afwachting van de bewijslevering wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

draagt de curator op te bewijzen dat het ongeval van 19 april 2013 is veroorzaakt door het handelen van [gedaagde] ,

5.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 12 april 2017 voor uitlating door de curator of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,

5.3.

bepaalt dat de curator, indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.4.

bepaalt dat de curator, indien hij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van beide partijen en hun advocaten in de maanden mei 2017 tot en met augustus 2017 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.5.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van
mr. S.M. den Hollander in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan het Wilhelminaplein 100/125,

5.6.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. den Hollander en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2017.1

1 2872/2846