Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:2113

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-03-2017
Datum publicatie
22-03-2017
Zaaknummer
ROT 16/6887
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Niet in geschil is dat toepassing van het beleid, zoals neergelegd in de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003, leidt tot weigering van de verkrijging van het Nederlanderschap door optie, omdat op grond van het gedrag van eiser ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde. Het is een bewuste keuze geweest van de wetgever om ten aanzien van de weigeringsgrond voor optie, neergelegd in artikel 6, vierde lid, van de RWN, dezelfde normen te hanteren als bij naturalisatie, neergelegd in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN. Deze keuze behoort tot het primaat van de wetgever. De persoonlijke omstandigheden van de aanvrager, zoals diens verblijfsduur in Nederland, spelen in deze beoordeling geen rol; deze kunnen door verweerder wel worden betrokken in zijn beoordeling of er aanleiding is om af te wijken van het bestaande beleid. Verweerder heeft zich in dat kader op het standpunt mogen stellen dat de totale verblijfsduur van eiser in Nederland bij de beoordeling van de ernstige vermoedens geen doorslaggevende rol kan hebben, nu aangesloten wordt bij het recente verleden om de verwachtingen voor het toekomstige gedrag op te baseren. Verder heeft verweerder van belang kunnen achten dat de strafbare feiten niet blijvend worden tegengeworpen, en eiser na ommekomst van de rehabilitatietermijn een nieuw verzoek tot verkrijging van het Nederlanderschap kan indienen.

Wetsverwijzingen
Rijkswet op het Nederlanderschap 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 16/6887

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 maart 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te Rotterdam, eiser,

gemachtigde: mr. D. Schaap,

en

de burgemeester van Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. C.J. Lekkerkerker.

Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het verkrijgen van het Nederlanderschap door optie aan eiser geweigerd.

Bij besluit van 8 september 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Eiser heeft op 20 oktober 2015 een optieverklaring afgelegd op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).

1.2.

Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 oktober 2015 blijkt onder meer het volgende:

- de politierechter heeft eiser op 8 februari 2013 veroordeeld tot 6 weken gevangenisstraf in verband met huiselijk geweld. De tenuitvoerlegging heeft plaatsgevonden tussen 15 november en 25 december 2013;

- de politierechter heeft op 8 februari 2013 ook bepaald dat de beslissing van de politierechter van 27 juni 2011, te weten een voorwaardelijke veroordeling van eiser tot 20 uren werkstraf subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis, ten uitvoer wordt gelegd.

Verder is ten aanzien van eiser op 27 januari 2015 een proces-verbaal opgemaakt inzake een verkeersovertreding.

2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de Algemene Bezwaarschriftencommissie van 26 mei 2016, ten grondslag gelegd dat op grond van het gedrag van eiser ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk en dat hij om die reden niet in aanmerking komt voor het Nederlanderschap.

3. Niet in geschil is dat toepassing van het beleid, zoals neergelegd in de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 (Handleiding), leidt tot weigering van de verkrijging van het Nederlanderschap door optie, omdat op grond van het gedrag van eiser ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde.

4. Eiser betoogt dat ten onrechte voor twee verschillende categorieën, te weten naturalisatie en optie, exact dezelfde wetsinterpreterende beleidsregels worden gehanteerd ter invulling van het begrip ‘ernstige vermoedens dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde’. Eiser stelt zich op het standpunt dat de verblijfsduur een rol zou moeten spelen bij de openbare orde-toets.

4.1.

Op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, van de RWN, voor zover hier van belang, verkrijgt de meerderjarige vreemdeling die sedert het bereiken van de leeftijd van vier jaar toelating en hoofdverblijf heeft in het Europese deel van Nederland, na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring door een bevestiging als bedoeld in het derde lid, het Nederlanderschap.

Op grond van het vierde lid wordt de bevestiging geweigerd indien op grond van het gedrag van de persoon, die de verklaring betreft, ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk, tenzij volkenrechtelijke verplichtingen zich daartegen verzetten.

Volgens de Handleiding wordt de optieverklaring niet bevestigd als op grond van het gedrag van de optant ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk. Dit is een imperatieve weigeringsgrond. De burgemeester heeft geen beleidsvrijheid. Dit volgt uit de tekst van de wet, aldus de Handleiding. Bij de beoordeling of ernstige vermoedens bestaan, hanteert de burgemeester, om redenen van rechtszekerheid en gelijke behandeling, dezelfde normen als bij naturalisatie. De burgemeester is verplicht de normen die in de Handleiding bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN worden beschreven, toe te passen. Dit volgt uit de RWN en de daarop gebaseerde regelgeving. Om ongelijkheid tussen gemeenten te voorkomen is het volgens de Handleiding van belang dat de normen ook strikt worden toegepast.

4.2.

Uit het voorgaande volgt dat het een bewuste keuze is geweest van de wetgever om ten aanzien van de weigeringsgrond voor optie, neergelegd in artikel 6, vierde lid, van de RWN, dezelfde normen te hanteren als bij naturalisatie, neergelegd in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN. Deze keuze behoort tot het primaat van de wetgever. De onder 4. weergegeven opvatting van eiser volgt de rechtbank dan ook niet.

De persoonlijke omstandigheden van de aanvrager, zoals diens verblijfsduur in Nederland, spelen in deze beoordeling geen rol; deze kunnen door verweerder wel worden betrokken in zijn beoordeling of er aanleiding is om af te wijken van het bestaande beleid.

4.3.

De beroepsgrond slaagt niet.

5. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte niet van zijn beleid is afgeweken omdat zich bijzondere omstandigheden voordoen, te weten rechtmatig verblijf in Nederland gedurende 40 jaar.

5.1.

Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

5.2.

In de uitspraak van 26 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2840) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwogen dat zij thans - anders dan voorheen - van oordeel is dat omstandigheden die bij het opstellen van een beleidsregel zijn verdisconteerd, dan wel moeten worden geacht te zijn verdisconteerd, niet reeds daarom buiten beschouwing kunnen worden gelaten bij het beantwoorden van de vraag of wegens bijzondere omstandigheden van de toepasselijke beleidsregel moet worden afgeweken. Het bestuursorgaan moet dus alle omstandigheden van het geval betrekken in zijn beoordeling en moet bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.

5.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder alle relevante omstandigheden betrokken bij zijn beoordeling op grond van artikel 4:84 van de Awb, te weten de lange verblijfsduur van eiser in Nederland en de Nederlandse nationaliteit van zijn kinderen, en heeft hij zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de door eiser aangevoerde omstandigheden niet kunnen worden aangemerkt als zodanig bijzonder dat hij, in afwijking van het door hem gevoerde beleid, de verkrijging van het Nederlanderschap door optie had moeten bevestigen. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de totale verblijfsduur van eiser in Nederland bij de beoordeling van de ernstige vermoedens geen doorslaggevende rol kan hebben, nu aangesloten wordt bij het recente verleden om de verwachtingen voor het toekomstige gedrag op te baseren. Verder heeft verweerder van belang kunnen achten dat de strafbare feiten niet blijvend worden tegengeworpen, en eiser na ommekomst van de rehabilitatietermijn een nieuw verzoek tot verkrijging van het Nederlanderschap kan indienen. Daarnaast staat het verweerder vrij om uit een oogpunt van eenduidigheid, rechtsgelijkheid en rechtszekerheid terughoudend te zijn in het aannemen van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb.

5.4.

De beroepsgrond slaagt niet.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Woudstra, voorzitter, en mr. B. van Velzen en mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, leden, in aanwezigheid van mr. S.M.J. Bos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.