Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:2083

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-03-2017
Datum publicatie
22-03-2017
Zaaknummer
ROT 16/3260
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep gegrond en bip herroepen. Verweerder heeft ten onrechte gebruik gemaakt van artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb om de reeds vastgestelde subsidie lager vast te stellen. Er is sprake van een onjuistheid bij de subsidieverlening maar deze onjuistheid is niet als kennelijk te kwalificeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 16/3260

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 maart 2017 in de zaak tussen

[eiseres 2] ( [rechtsvoorgangster 2]), te [plaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. G.J.M. de Jager,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. J.A. Karreman.

Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiseres voor het jaar 2013 vastgestelde subsidie gewijzigd en lager vastgesteld op € 119.375,- en een bedrag van € 60.700,- van eiseres teruggevorderd.

Bij besluit van 4 april 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door [naam 4] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. R.H. Derks.

Overwegingen

1.1.

Op 28 september 2012 heeft verweerder aan het [naam 1] als rechtsvoorgangster van eiseres voor de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 een incidentele prestatiesubsidie verleend van € 180.075,- maximaal voor haar activiteiten (de verleningsbeschikking).

Het subsidiebedrag is als volgt opgebouwd:

- Aandachtsveld Emancipatie € 101.175,- ;

- Aandachtsveld Discriminatiebestrijding € 18.200,- ;

- Aandachtsveld Diversiteit als Kracht € 60.700,- .

In bijlage 1 bij de verleningsbeschikking onder het kopje ‘h. motivering’ bij Aandachtsveld Diversiteit als Kracht en activiteit: Vrijwilligers in Actie is het volgende vermeld:

“De activiteit wordt verleend. De activiteit draagt bij aan de geformuleerde outcome voorwaarde: Het gaat om een activiteit binnen Vrijwilligers aan zet. Uitgangspunt onder Vrijwilligers aan zet is dat de vrijwilligersorganisatie het project uitvoert. Om deze reden wordt het maximale bedrag dat kan worden ingezet voor de coördinerende organisatie ( [rechtsvoorgangster 2] ) op € 12.000.- gesteld. Het overige budget wordt aantoonbaar ingezet door de vrijwilligersorganisaties.”

1.2.

Bij besluit van 24 april 2014 is de subsidie aan eiseres voor het jaar 2013 vastgesteld op € 180.075,-.

1.3.

De Rekenkamer Rotterdam (de Rekenkamer) heeft een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de besteding van de subsidie door eiseres in 2013. De Rekenkamer heeft in een rapport van september 2015 vastgesteld dat eiseres het maximale bedrag van € 12.000,- dat zij voor het project ‘Vrijwilligers in Actie’ kon inzetten met circa € 10.000,- heeft overschreden.

1.4.

Naar aanleiding van het rapport van de Rekenkamer heeft verweerder bij het primaire besluit het besluit tot subsidievaststelling van 24 april 2014 gewijzigd in die zin dat het subsidiebedrag voor het project ‘Vrijwilligers in Actie’ op nihil is vastgesteld en de totale subsidie voor het jaar 2013 lager is vastgesteld op € 119.375,-. Het voor dit project toegekende subsidiebedrag van € 60.700,- is teruggevorderd. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de subsidievaststelling onjuist was en eiseres dit als subsidieontvanger wist of behoorde te weten als bedoeld in artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiseres heeft het project niet uitgevoerd zoals verwoord in de verleningsbeschikking en heeft niet voldaan aan de aanvullende voorwaarden die zijn gesteld.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder – onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van 1 april 2016 – het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

3. Op grond van artikel 4:46, eerste lid, van de Awb stelt het bestuursorgaan, indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.

Op grond van artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb kan het bestuursorgaan de subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen, indien de subsidievaststelling onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten.

Op grond van artikel 4:57, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan onverschuldigd betaalde subsidiebedragen terugvorderen.

4.1.

Eiseres heeft betoogd dat de kenbaarheid van de aan de subsidie verbonden verplichting ontbreekt. Het was niet duidelijk dat naast de voorwaarde dat 15 vrijwilligersorganisaties bij de uitvoering van het project ‘Vrijwilligers in Actie’ moesten worden betrokken een aanvullende financiële voorwaarde gold die inhield dat zij van het ter zake verleende subsidiebedrag van € 60.700,- een bedrag van maximaal € 12.000,- aan de coördinatie door haarzelf mocht besteden en dat het restant subsidiebedrag door de vrijwilligersorganisaties moest worden ingezet. Volgens eiseres is er geen sprake van een verplichting die nageleefd moet worden en die consequenties kan hebben voor de subsidievaststelling omdat deze verplichting niet voldoende kenbaar was.

4.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. In de verleningsbeschikking is vermeld dat bijlage 1 bij de beschikking een integraal onderdeel is van de beschikking. Van het aandachtsveld Diversiteit als Kracht maakt onderdeel uit het project ‘Vrijwilligers in Actie’. Voor dit project is € 60.700,- subsidie aangevraagd en verleend.

Het doel van het toegekende subsidiebedrag is, gelet op de toelichting in bijlage 1 en de mededeling in de verleningsbeschikking over activiteiten die vallen onder de functie Vrijwilligers aan zet, gelegen in het activeren van vrijwilligersorganisaties in die zin dat zij zelf een project uitvoeren. Uit de hiervoor onder 1.1. aangehaalde motivering in bijlage 1 bij de verleningsbeschikking volgt dat daarom het maximale bedrag dat kan worden ingezet voor eiseres als coördinerende organisatie op een bedrag van € 12.000,- is vastgesteld en dat het restant subsidiebedrag aantoonbaar door de vrijwilligersorganisaties moet worden ingezet. De rechtbank is van oordeel dat deze voorgeschreven wijze van verdeling van het subsidiebedrag van € 60.700,- tussen eiseres en de vrijwilligersorganisaties als een aan de subsidieverlening verbonden verplichting moet worden aangemerkt en dat deze verplichting, nu deze onderdeel uitmaakte van de verleningsbeschikking, voldoende kenbaar was voor eiseres. Bovendien heeft [naam 4] ter zitting namens eiseres verklaard dat zij wist dat het maximale bedrag van € 12.000,- door eiseres zou worden overschreden.

5.1.

Eiseres heeft verder betoogd dat verweerder ten onrechte gebruik heeft gemaakt van artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb om de reeds vastgestelde subsidie lager vast te stellen. Deze beroepsgrond slaagt. Daartoe is het volgende van belang.

5.2.

De rechtbank stelt vast dat bij besluit van 24 april 2014 de subsidie is vastgesteld als bedoeld in artikel 4:46, eerste lid, van de Awb en definitief is beslist dat eiseres een subsidie ontvangt van € 180.075,-. Verweerder komt evenwel op grond van artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb de bevoegdheid toe de subsidievaststelling in te trekken of ten nadele van de ontvanger te wijzigen indien de subsidievaststelling onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten.

5.3.

Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 20 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2064, en de uitspraak van 30 december 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK7970) kan de bepaling van artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb slechts worden toegepast ingeval de subsidievaststelling kennelijk onjuist was. Daartoe heeft de Afdeling verwezen naar de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb (memorie van toelichting, Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 78).

5.4.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de in het rapport van de Rekenkamer vastgestelde overschrijding met circa € 10.000,- van het bedrag van € 12.000,- dat eiseres als coördinatrice maximaal toekwam voor het project ‘Vrijwilligers in Actie’ wel leiden tot de conclusie dat de subsidie voor het jaar 2013 onjuist is vastgesteld, maar deze onjuistheid is niet als kennelijk te kwalificeren. De rechtbank overweegt daartoe dat [naam 2] namens verweerder aan (onder meer) [naam 4] van eiseres bij e-mail van 17 april 2014 heeft medegedeeld dat bij de behandeling van de aanvraag om subsidievaststelling over 2013 aan de hand van de door eiseres ingediende niet-financiële subsidieverantwoording niet kan worden vastgesteld dat eiseres heeft voldaan aan de voorwaarde dat van het budget voor bovengenoemd project een bedrag van € 12.000,- voor haar als coördinerende organisatie is en dat het overige budget aantoonbaar is ingezet door de vrijwilligersorganisaties. Eiseres is verzocht stukken in te dienen waaruit blijkt dat aan deze voorwaarde is voldaan. In reactie hierop heeft [naam 4] bij e-mail van 24 april 2014 aan [naam 2] onder meer het volgende meegedeeld. “Vrijwilligers in actie: In het jaarverslag zijn inderdaad de 15 organisaties opgenomen die hebben deelgenomen aan dit project. We nemen in het jaarverslag over het algemeen geen financiële paragraaf op. Het budget is ingezet voor de activiteiten van deze organisaties. Ik kan een zin hierover opnemen in het jaarverslag in de tekst om dit toe te lichten indien wenselijk. In de jaarrekening van [rechtsvoorgangster 2] is het project opgenomen en de accountant heeft de assurantieverklaring getekend op basis van de beschikking en de daaraan gekoppelde resultaten en voorwaarden.” De subsidie is vervolgens op dezelfde dag vastgesteld overeenkomstig de verleningsbeschikking. Verweerder heeft voorafgaand aan de subsidievaststelling geen nadere stukken van eiseres ontvangen betreffende de besteding van het totale subsidiebedrag van € 60.700,- voor het project ‘Vrijwilligers in Actie’ en de voorwaarde die aan dit bedrag was verbonden. Ook is niet gebleken dat verweerder een cijfermatige controle bij eiseres heeft uitgevoerd om vast te stellen of eiseres aan de voorwaarde had voldaan. Verweerder heeft evenwel niet afgezien van het vaststellen van de subsidie voor het jaar 2013 overeenkomstig de verleningsbeschikking. Eiseres mocht er dan ook van uitgaan dat de verantwoording van de subsidie voor het jaar 2013 voor verweerder afdoende was en dat het subsidiebedrag zoals vastgesteld juist was.

5.5.

Het voorgaande betekent dat er geen sprake was van een kennelijke fout en er geen grondslag was voor verweerder om het besluit tot subsidievaststelling van 24 april 2014 te wijzigen en de subsidie lager vast te stellen en het verschil terug te vorderen. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd. .

6. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat zij het primaire besluit zal herroepen. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van eiseres, voor zover zij die heeft gehandhaafd, geen bespreking meer.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten in bezwaar en beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.980,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 334,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.980,-, te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzitter, en mr. A.I. van Strien en

mr. R.H.L. Dallinga, leden, in aanwezigheid van mr. H.C. de Wit-Mulder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.