Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:2078

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-03-2017
Datum publicatie
20-03-2017
Zaaknummer
10/811348-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inbraken bij scholen en sportverenigingen. Herkenningen van de verdachte op camerabeelden in aantal gevallen niet voldoende specifiek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/811348-16

Datum uitspraak: 14 maart 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de

Penitentiaire Inrichting Dordrecht,
raadsman mr. B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 28 februari 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E.M. Loppé heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 (met uitzondering van de diefstal van lood en een bronzen beeld), 9, en 10 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals geformuleerd in het rapport van Reclassering Nederland van 22 februari 2017.

4 Vrijspraken

Ten aanzien van feit 1 en feit 5

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezenverklaard dat de verdachte de onder 1 en onder 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan. De officier van justitie baseert zich hierbij op de aangiften, de camerabeelden en op de herkenningen van de verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] door één dan wel meerdere verbalisanten.

De verbalisanten hebben in hun processen-verbaal duidelijk omschreven waarop zij deze herkenningen baseren. Op grond van deze bewijsmiddelen bestaat geen enkele twijfel dat de verdachte de onder 1 en 5 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de feiten 1 en 5 daar de herkenningen van de verdachte onvoldoende specifiek zijn. Verbalisant [naam verbalisant 1] relateert in beide gevallen dat hij de verdachte herkent aan zijn kleding. Ten aanzien van feit 5 heeft de raadsman verder nog aangevoerd dat niet vast te stellen is dat de man die op de stills van de camerabeelden te zien is zich op dat moment schuldig maakt aan het plegen van een strafbaar feit.

Beoordeling

De camerabeelden van het onder 1 tenlastegelegde feit zijn bekeken door de verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] . Uitsluitend verbalisant [naam verbalisant 1] heeft op die beelden de verdachte als dader van dit feit herkend. Die herkenning, met name gebaseerd op de baard, de blauwe jas, blauwe broek en zwarte schoenen die de dader droeg, is echter onvoldoende specifiek. Verder bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte bij feit 1 is niet voorhanden. De verdachte dient daarom van dit feit te worden vrijgesproken.

De camerabeelden van het onder 5 tenlastegelegde feit zijn bekeken door de verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 3] . Ook in dit geval heeft uitsluitend verbalisant [naam verbalisant 1] de verdachte als dader van dit feit herkend. Die herkenning is o.a. gebaseerd op feit dat de dader een kort moment in de camera keek en toen te zien was dat dat hij een baard en een snor had. Van dit beeldmoment bevindt zich echter geen foto (still) bij de stukken. Voorts is de herkenning gebaseerd op de blauwe jas, blauwe broek en zwarte schoenen met witte zolen die de dader droeg. Een en ander is onvoldoende specifiek. Ander bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte bij feit 5 is niet voorhanden. De verdachte dient daarom ook van dit feit te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 3

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 3 kan worden bewezenverklaard op grond van de aangifte, het door de verbalisanten bij de aangever geconstateerde letsel en de herkenning van de verdachte door twee verbalisanten op foto’s die de aangever van de dader heeft gemaakt.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 3.

Hiertoe is betoogd dat de verdachte niet voldoet aan het door de aangever gegeven signalement van de dader. De dader zou een man van 1,90 meter zijn. De verdachte is een stuk kleiner, namelijk 1.75 meter. De foto’s die de aangever van de vermoedelijke dader heeft gemaakt zijn genomen van een bovengelegen etage. De dader is daarop uitsluitend op de rug te zien. Het valt niet uit te sluiten dat de dader van dit feit, een toenmalige vriend van de verdachte is met wie hij destijds veel omging, te weten [naam medeverdachte] . Deze heeft immers verklaard dat hij wel samen met de verdachte op inbrekerspad ging. Bovendien is hij 1.90 meter lang, wat overeenkomt met de door de aangever opgegeven lengte van de dader. Dit verschil in lengte tussen de verdachte en [naam medeverdachte] is door de verbalisanten geconstateerd bij het onderzoek naar een ander delict. Er is gelet op dit alles te weinig bewijs voor een bewezenverklaring.

Voorts is nog aangevoerd dat het door de dader gepleegde geweld niet faciliterend was voor de diefstal, zodat in elk geval ten aanzien van dat deel van de tenlastelegging vrijspraak dient te volgen.

Beoordeling

Op de twee foto’s die de aangever heeft gemaakt van de man die naar zijn zeggen de dader is, is de verdachte door de verbalisanten [naam verbalisant 4] en [naam verbalisant 5] herkend. Met name zijn daarbij herkend de overeenkomende haardracht van de dader, de blauwe jas die de dader droeg met witte kraag en embleem op de mouw, zijn donkerkleurige schoenen met witte rand of zool. alsmede de fiets die de dader blijkens de foto’s bij zich had. Toen de verbalisanten de verdachte later op de dag zagen had hij ook zo’n jas en zulke schoenen aan. Ook de fiets die hij toen bij zich had kwam overeen met de fiets die op de foto’s te zien is.

Tegenover deze herkenningen staat echter de verklaring van de aangever waarbij hij bij de beschrijving van het signalement van de dader opgeeft dat de dader een man van 1,90 meter lang was. Tijdens het onderzoek op de zitting is gebleken dat de verdachte aanzienlijk korter is dan 1,90 meter. Eerdergenoemde [naam medeverdachte] , die heeft verklaard dat hij wel eens met de verdachte meeging om inbraken te plegen, is langer dan de verdachte en zou wat betreft zijn lengte dus wel passen in het door de aangever opgegeven signalement van de dader.

Het vorenstaande brengt mee dat er te veel twijfel is voor een bewezenverklaring van feit 3.

De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van dit feit.

Ten aanzien van feit 10

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 10 kan worden bewezenverklaard op grond van de aangifte, en de herkenning van de verdachte op camerabeelden die rond het tijdstip van deze inbraak zijn gemaakt aan de achterzijde van de school waar de inbraak plaatsvond.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 10 omdat de herkenning door de verbalisanten louter berust op de kleding die de man droeg die op de camerabeelden te zien is.

Beoordeling

De rechtbank heeft op de zitting de screenschots bekeken van eerdergenoemde camerabeelden. Op grond van die screenshots staat onvoldoende overtuigend vast dat de verdachte de man is die daarop te zien is. Ook de onderliggende videobeelden vindt de rechtbank onvoldoende om buiten redelijke twijfel vast te stellen dat de verdachte de man is die daarop te zien is. Ander bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte bij feit 10 is niet voorhanden. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 Bewijswaardering en bewezenverklaring

Bewijsverweren

Ten aanzien van feiten 6, 7 en 9

Standpunt verdediging

De raadsman heeft ook met betrekking tot de feiten 6, 7 en 9 vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat ook in deze zaken de herkenning van de verdachte door de verbalisanten onvoldoende specifiek is, omdat ook deze herkenningen telkens slechts zijn gebaseerd op de herkenning van kleding die door de dader wordt gedragen en niet op gezichtsherkenningen. Bij dergelijke herkenningen dient zeer grote behoedzaamheid te worden betracht.

Ten aanzien van feit 7 is voorts aangevoerd dat de verdachte niet is herkend op de camerabeelden. Deze beelden zijn ook veel te vaag om te kunnen komen tot een 100% procent herkenning van de verdachte. Met betrekking tot de tas waarmee de verdachte is aangehouden is opgemerkt dat die tas weliswaar lijkt op de tas die op de camerabeelden is te zien, maar dat dit niets zegt omtrent het daderschap van de verdachte, omdat de aanhouding van de verdachte pas uren na de inbraak plaatsvond. Verder is de tas die bij de verdachte is aangetroffen niet aan de aangever getoond met de vraag of dit de tas is die is weggenomen.

Ten aanzien van feit 9 is voorts gewezen op de verklaring van medeverdachte [naam medeverdachte] dat, toen zij op het dak kwamen waar het in de tenlastelegging bedoelde lood zou zijn weggenomen, zijn maatje tegen hem zei: “Kijk het hele dak is al gestript, er zit geen lood meer op”. Gelet op die verklaring kan hoogstens worden vastgesteld dat sprake is van een poging tot het plegen van dit feit. Dit is echter niet ten laste gelegd. Van het tenlastegelegde voltooide delict dient vrijspraak te volgen.

Beoordeling bewijsverweren

Ten aanzien van feit 6

Het gevoerde verweer wordt verworpen.

Het bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte bij deze inbraak wordt gebaseerd op het volgende.

Blijkens de aangifte is bij de inbraak, die plaatsvond in een school, o.a. een kluis weggenomen. Op de camerabeelden die van de inbraak zijn gemaakt is te zien dat de dader zich in de school bevindt en daar de ontvreemde kluis wegsleept. De kluis is later in de buurt van de school teruggevonden, in een tuinkasje van de school, langs het spoor.

[naam medeverdachte] , een bekende van de verdachte, tegen wie de verdachte destijds heeft gezegd dat hij diverse inbraken heeft gepleegd en die heeft toegegeven een aantal van die inbraken samen met de verdachte te hebben begaan, heeft verklaard dat de verdachte ongeveer 3 tot 4 dagen voor zijn aanhouding tegen hem vertelde dat hij een grote kluis had gejat maar dat hij deze ergens in de bosjes had moeten achterlaten.

De onderhavige inbraak vond plaats in de nacht van 17 op 18 november 2016. De (laatste) aanhouding van de verdachte was op 21 november 2016, dat wil zeggen 3 dagen later.

De gemaakte camerabeelden van de inbraak zijn door aangever aan de politie ter beschikking gesteld. De verbalisanten [naam verbalisant 6] en [naam verbalisant 1] hebben op die beelden de verdachte als de dader herkend.

Op grond van deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd. wordt bewezen geacht dat de verdachte de dader is van deze inbraak.

De omstandigheid dat de herkenning door de verbalisanten met name is gebaseerd op de kleding die de verdachte droeg doet hieraan niet af, nu die herkenning –zoals uit het vorenstaande blijkt– niet het enige bewijs vormt.

Ten aanzien van feit 7

Het gevoerde verweer wordt verworpen.

Het bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte bij deze inbraak wordt gebaseerd op het volgende.

Blijkens de aangifte vond de inbraak plaats bij een sportvereniging, op de avond van 29 oktober 2016. Het inbraakalarm ging af omstreeks 21.45 uur en geconstateerd werd dat er diverse soorten snoepgoed waren weggenomen. Op de camerabeelden die ten tijde van de inbraak zijn gemaakt is te zien dat een man een ruit bij de ingang verbreekt en de sportkantine binnenloopt met in zijn handen een blauw tas met gele zijkanten. Door surveillerend politiepersoneel werd de verdachte die avond om 23.16 uur, d.w.z. ongeveer anderhalf uur na de inbraak, gezien op de fiets, terwijl hij een blauw gele tas bij zich had. Bij onderzoek bleek dat op de tas een sticker zat met de tekst "hesjes". Uit een vergelijking met de camerabeelden van de sportvereniging blijkt het om een en dezelfde tas te gaan. Het is algemeen bekend dat bij de trainingen van sportverenigingen hesjes worden gebruikt. Op grond daarvan staat voldoende dat de tas afkomstig was uit de sportkantine. In de bij de verdachte aangetroffen tas werd een hoeveelheid snoepgoed aangetroffen dat overeen kwam met het weggenomen snoepgoed uit de sportkantine van aangever. De verdachte heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht. Enige redelijke verklaring hoe hij zo kort na de inbraak aan die tas en het snoepgoed is gekomen heeft hij dus niet gegeven. Mede vanwege het niet geven van die uitleg wordt bewezen geacht dat de verdachte de inbraak zelf heeft gepleegd.

Ten aanzien van feit 9

Het gevoerde verweer wordt verworpen.

Het bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte bij deze diefstal wordt gebaseerd op het volgende.

De aangifte houdt in dat de diefstal plaatsvond bij een school, in de nacht van 29 op 30 september 2016. Volgens de aangever is daarbij vanaf het dak van de school lood weggenomen. Op camerabeelden van de school, opgenomen op 30 september 2016 omstreeks 3.00 uur, is te zien dat twee mannen een kliko pakken, daar op klimmen en daarna via de regenpijp op het dak klimmen. De verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] zijn door verbalisanten herkend op die camerabeelden. De herkenning van de verdachte betreft een gezichtsherkenning en geen herkenning aan de hand van de kleding van de verdachte, zoals de raadsman heeft gesteld. Toen hij door de politie werd gehoord over deze diefstal heeft medeverdachte [naam medeverdachte] verklaard (pagina 158) dat hij inderdaad via een kliko het dak was geweest en voorts dat hij toen langs een camera was gegaan en dat hij samen met een maat was. Tijdens een ander verhoor heeft medeverdachte [naam medeverdachte] verklaard dat hij een aantal inbraken heeft gepleegd met de verdachte.

Op grond van deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, wordt bewezen geacht dat de verdachte een van de daders is van deze diefstal. Aan de verklaring van medeverdachte [naam medeverdachte] dat er geen lood is weggenomen wordt geen geloof gehecht.

Bewezenverklaring

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de redengevende inhoud van het voorgaande en op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende tot bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

2.

hij op of omstreeks [pleegdatum 1] te [pleegplaats 1] tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen lood, toebehorende aan [naam benadeelde 1]

, ;

4.

hij op [pleegdatum 2] te [pleegplaats 2] , tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een sportcomplex (gelegen aan de [adres delict 1] ) heeft weggenomen een geldbedrag en een

stroomkabel en lood,

toebehorende aan Voetbalvereniging [naam benadeelde 7] ,), zulks nadat hij, verdachte, en zijn mededader, die weg te nemen goederen en/ geld onder hun bereik hadden gebracht door middel van braak, en inklimming;

6.

hij in de periode van [pleegdatum 3] tot en met [pleegdatum 4] te [pleegplaats 3] met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in een schoolgebouw (gelegen aan de [adres delict 2] ) heeft weggenomen een kluis en een koektrommel met inhoud (tw 10 euro of daaromtrent), toebehorende aan [naam benadeelde 2] , zulks nadat hij, verdachte, dat weg te nemen goed en geld onder zijn bereik had gebracht door middel van braak;

7.

hij op [pleegdatum 5] te [pleegplaats 2] met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in een pand (gelegen aan de [adres delict 3] ) heeft weggenomen een canvasboodschappentas en snoep en koeken en chocolade en frisdranken, toebehorende aan Rooms Katholieke sportvereniging [naam sportvereniging] , zulks nadat hij, verdachte, die weg te nemen voedingsartikelen onder zijn bereik had gebracht door middel van braak ;

8.

hij op of omstreeks [pleegdatum 6] te [pleegplaats 3] tezamen en in vereniging met een ander , met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in een schoolgebouw (gelegen aan de [adres delict 4] ) heeft weggenomen een geldbedrag toebehorende aan [naam benadeelde 3] en/of [naam benadeelde 4] , zulks nadat hij, verdachte, en/zijn mededader dat weg te nemen geld onder hun bereik hadden gebracht door middel van braak ;

9.

hij op [pleegdatum 7] te [pleegplaats 3] tezamen en in vereniging met een ander , met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening van een schoolgebouw (gelegen aan de [adres delict 4] ) heeft weggenomen lood, toebehorende aan [naam benadeelde 2] , [naam benadeelde 3]

, zulks nadat hij, verdachte, en zijn mededader, dat weg te nemen goed onder hun bereik hadden gebracht door middel van inklimming.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

6 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

2 Diefstal, door twee of meer verenigde personen;

4. Diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming;

6. Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

7. Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

8. Diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

9. Diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

7 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft in een periode van nog geen twee maanden, twee inbraken gepleegd bij sportverenigingen en drie inbraken bij scholen. Daarnaast heeft hij lood gestolen bij een appartementencomplex. Vier van deze delicten pleegde hij samen met een ander. De twee andere delicten pleegde hij alleen.

Deze inbraken en diefstal hebben tot veel materiële schade geleid. Niet alleen vertegenwoordigen de weggenomen goederen economische waarde, ook is veel schade aangericht door de manier waarop de verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de betreffende panden hebben verschaft. Daarnaast leveren dergelijke feiten voor de gedupeerden veel overlast, frustratie en ergernis op. De verdachte was tijdens het plegen van deze feiten enkel uit op eigen financieel gewin om op die manier in zijn verslaving aan verdovende middelen te kunnen voorzien.

Blijkens een uittreksel uit de justitiële documentatie van [datum uittreksel] is de verdachte eerder veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten, waaronder betrekkelijk kort voordat hij de onderhavige delicten pleegde.

Reclassering Nederland, heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd [datum reclasseringsrapport] . Dit rapport houdt het volgende in.

De verdachte verblijft afwisselend bij zijn ouders en bij zijn oom en tante. Hij staat ingeschreven op het adres van zijn oom en tante. Uit eerder rapportage is gebleken dat de verdachte geen inkomen heeft, dat hij werkloos is en dat hij een schuld heeft van € 10.000. Hij heeft geen partnerrelatie. De verdachte gaf tijdens de vroeghulp geen opening van zaken. Er zijn zorgen over de verder toenemende justitiële contacten, de huidige leefomstandigheden en de houding t.o.v. de inzet van interventies.

Op basis van de beschikbare informatie kan worden geconcludeerd dat er (onder andere ingezet) moet worden op praktische zaken, maar ook op middelengebruik, sociale contacten, gedrag en houding.

De verdachte dient te worden verplicht om zich te laten behandelen voor zijn verslavingsproblematiek bij [naam GGZ-instelling] of een soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven. De reclassering acht het daarbij van belang dat een kortdurende klinische opname ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek kan plaatsvinden binnen een ambulant behandeltraject, indien de reclassering dit nodig vindt.

De verdachte dient voorts een inspanningsverplichting te worden opgelegd voor het verkrijgen en behouden van huisvesting en een dagbesteding. Daarnaast dient hij zich in te spannen om over een gezonde financiële situatie te beschikken. En dient hij te worden verplicht om mee te werken aan ondersteuning op het gebied van wonen, dagbesteding en financiën en aan een aanmelding bij een instelling voor maatschappelijke dienstverlening.

Op de zitting heeft de verdachte desgevraagd te kennen gegeven een behandeling voor zijn verslaving niet nodig te achten omdat hij inmiddels is afgekickt. Hij heeft verklaard wel hulp van de reclassering te willen aanvaarden.

Gelet op de aard en ernst van de gepleegde delicten, alsmede het strafblad van de verdachte wordt een gevangenisstraf onontkoombaar geacht.

De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van een bewezenverklaring van alle feiten op de tenlastelegging. Nu de verdachte, anders dan waartoe de officier van justitie heeft gerekwireerd, zal worden vrijgesproken van de feiten 1, 3, 5 en 10, zal een lagere gevangenisstraf worden opgelegd dan door de officier van justitie is gevorderd.

Net als de officier van justitie acht de rechtbank, gelet op de inhoud van het hiervoor genoemde rapport van Reclassering Nederland, toezicht en begeleiding door de reclassering noodzakelijk. Een deel van de gevangenisstraf zal voorwaardelijk worden opgelegd teneinde de verdachte tot dat toezicht en die begeleiding te verplichten.

Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf zal niet de voorwaarde worden verbonden van een kortdurende klinische opname ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek, indien noodzakelijk geacht door de reclassering, gedurende de ambulante behandeling. De jurisprudentie van de Hoge Raad laat dit niet toe nu daarmee de beslissing tot een vrijheidsbenemende maatregel in handen van de reclassering wordt gelegd. Vanwege de gebrekkige motivatie van de verdachte daarvoor zal die klinische opname ook niet als zelfstandige voorwaarde worden opgelegd.

Alles afwegend worden na te noemen straf passend en geboden geacht.

9 Benadeelde partijen/schadevergoedingsmaatregel

Vorderingen

Als benadeelde partij heeft zich ter zake van feit 2 in het geding gevoegd: [naam benadeelde 1] te [pleegplaats 1] bij wege van haar vertegenwoordiger, bestuurslid [naam gemachtigde 1] . De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 4.791,60 aan materiële schade.

Als benadeelde partij heeft zich ter zake van feit 3 in het geding gevoegd: [naam benadeelde 6] te Vlaardingen, bij wege van haar vertegenwoordiger c.q. gemachtigde, [naam gemachtigde 2] . De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 2.087,25 aan materiële schade.

Als benadeelde partij heeft zich ter zake van feit 8 in het geding gevoegd: [naam benadeelde 4] . bij wege van haar vertegenwoordiger [naam gemachtigde 3] . De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 9.476, 37 aan materiële schade.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, de vorderingen van de benadeelde partijen [naam benadeelde 1] te [pleegplaats 1] en [naam benadeelde 6] te [pleegplaats 3] omdat de schades reeds door de verzekering zijn vergoed, en de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 4] . omdat deze nog ter beoordeling bij de verzekering ligt.

Standpunt verdediging

De raadsman heef zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen primair dienen te worden afgewezen en subsidiair niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

Beoordeling

Feit 2.

De benadeelde partij [naam benadeelde 1] te [pleegplaats 1] zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de door de benadeelde partij geleden schade inmiddels door de verzekering is vergoed.

Feit 3.

De benadeelde partij [naam benadeelde 6] te [pleegplaats 3] , zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de verdachte wordt vrijgesproken van dit feit.

Feit 8

De benadeelde partij [naam benadeelde 4] . zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard omdat deze vordering gemotiveerd is betwist en de onderbouwing van de vordering (mede in het licht van de betwisting) onvoldoende is. Zo wordt er een bedrag van € 3.356,83 gevorderd ter zake van schade aan de frisdrankautomaat. Uit de onderbouwing blijkt dat dit volgens de benadeelde partij de restwaarde van de automaat is. Uit de toelichting blijkt echter niet waarom de restwaarde gelijk is aan de schade. Dat zou kunnen, als herstel onmogelijk is of meer kost dan de restwaarde, maar of dat in dit geval zo is, blijkt niet uit de stukken. De andere gevorderde bedragen zijn niet, of onvoldoende onderbouwd. Dit alles maakt dat de behandeling van deze vordering een te grote belasting van het strafgeding is. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1, 3, 5 en 10 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 2, 4, 6, 7, 8 en 9 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 5 (vijf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde moet zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft. Daartoe moet de veroordeelde zich melden bij de reclassering zo lang en zo frequent als deze instelling dit nodig acht;

2. de veroordeelde is verplicht om zich te laten behandelen voor zijn verslavingsproblematiek bij [naam GGZ-instelling] of soortgelijke instelling voor ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

3. de veroordeelde heeft een inspanningsverplichting voor het verkrijgen en behouden van huisvesting, dagbesteding en, gezonde financiële situatie. Hij is verplicht om mee te werken aan ondersteuning op het gebied van wonen, dagbesteding en financiën. Indien nodig werkt hij mee aan een aanmelding bij een instelling voor maatschappelijke dienstverlening en komt hij de afspraken met deze instelling na, zolang de reclassering dit nodig acht.

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 1] te [pleegplaats 1] niet-ontvankelijk in de vordering ter zake van feit 2;

veroordeelt de benadeelde partij [naam benadeelde 1] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 6] te [pleegplaats 3] , niet-ontvankelijk in de vordering ter zake van feit 3;

veroordeelt de benadeelde partij [naam benadeelde 6] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 4] . niet-ontvankelijk in de vordering ter zake van feit 8; bepaalt dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partij [naam benadeelde 4] in de proceskosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.K. Asscheman-Versluis, voorzitter,

en mrs. N. Doorduijn en J.H.J. Verbaan, rechters,

in tegenwoordigheid van S. Wongsokerto, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te onderteken.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks [pleegdatum 8] te [pleegplaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfspand (gelegen aan de [adres delict 5] ) weg te nemen goederen en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan snackbar [naam benadeelde 8] en/of [naam benadeelde 9] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, door naar voornoemde pand is gegaan en/of vervolgens met een breekvoorwerp, althans een hard en/of scherp voorwerp, heeft getracht een deur te forceren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks [pleegdatum 1] te [pleegplaats 1] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen lood, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam benadeelde 1]

en/of [naam gemachtigde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), zulks nadat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), die weg te nemen onder zijn/hun bereik had(den) gebracht door verbreking;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks [pleegdatum 9] te [pleegplaats 3] met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen lood, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam benadeelde 6] en/of [naam gemachtigde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam gemachtigde 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het, één of meermalen

- duwen op/tegen het lichaam van die [naam gemachtigde 2] en/of

- slaan en /of stompen in het gezicht van die [naam gemachtigde 2] ;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks [pleegdatum 2] te [pleegplaats 2] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een sportcomplex (gelegen aan de [adres delict 1] ) heeft weggenomen een geldbedrag en/of een

stroomkabel en/of lood, in elk geval enig goed en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan Voetbalvereniging [naam benadeelde 7] en/of [naam gemachtigde 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), zulks nadat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), die weg te nemen goederen en/of geld onder zijn/hun bereik had(den) gebracht door braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks [pleegdatum 10] te [pleegplaats 3] met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een schoolgebouw (gelegen aan het [adres delict 6] ) heeft weggenomen een geldkistje (met 50 euro), in elk geval enig goed en/of geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [naam benadeelde 2] en/of [naam gemachtigde 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, zulks nadat hij, verdachte, die weg te nemen goederen en/of geld onder zijn bereik had gebracht door braak, verbreking en/of

inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

6.

hij in of omstreeks de periode van [pleegdatum 3] tot en met [pleegdatum 4] te [pleegplaats 3] met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een schoolgebouw

(gelegen aan de [adres delict 2] ) heeft weggenomen een kluis en/of een koektrommel met inhoud (tw 10 euro of daar omtrent), in elk geval enig goed en/of geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [naam benadeelde 2] en/of [naam gemachtigde 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, zulks nadat hij, verdachte, die weg te nemen goed en/of geld onder zijn bereik had gebracht door braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

7.

hij op of omstreeks [pleegdatum 5] te [pleegplaats 2] met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een pand (gelegen aan de [adres delict 3] ) heeft weggenomen een (canvas) boodschappentas en/of één of meer snoep en/of koeken en/of chocolade en/of fris dranken, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Rooms Katholieke sportvereniging [naam sportvereniging] en/of [naam benadeelde 10] , in elk geval aan een ander of anderen

dan aan hem, verdachte, zulks nadat hij, verdachte, die weg te nemen voedingsartikelen onder zijn bereik had gebracht door braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

8.

hij op of omstreeks [pleegdatum 6] te [pleegplaats 3] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een schoolgebouw (gelegen aan de [adres delict 4] ) heeft weggenomen een geldbedrag en/of lood en/of een bronzen beeld, in elk geval enig goed en/of geldbedrag, geheel of

ten dele toebehorende aan [naam benadeelde 3] en/of [naam verbalisant 2] en/of [naam benadeelde 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), zulks nadat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), die weg te nemen goederen en/of geld onder zijn/hun bereik had(den) gebracht door braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

9.

hij op of omstreeks [pleegdatum 7] te [pleegplaats 3] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een schoolgebouw (gelegen aan de [adres delict 4] ) heeft weggenomen lood, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam benadeelde 2] , [naam benadeelde 3]

en/of [naam verbalisant 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), zulks nadat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik had(den) gebracht door braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

10.

hij op of omstreeks [pleegdatum 11] te [pleegplaats 2] met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een schoolgebouw (gelegen aan de [adres delict 7] ) heeft weggenomen een geldbedrag, in elk geval enig goed en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [naam benadeelde 11] en/of [naam benadeelde 12] en/of [naam benadeelde 13] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, zulks nadat hij, verdachte,

die weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik had gebracht door braak, verbreking en/of inklimming;

(artikel 311 wetboek van strafrecht)