Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:2077

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-03-2017
Datum publicatie
20-03-2017
Zaaknummer
VI 99-000497-37 / 10-740084-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Herroeping VI.

Berekening rest gevangenisstraf cf. artikel 15j, tweede lid Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ROtterdam

Team straf 2

VI-zaaknummer: 99-000497-37

Parketnummer: 10-740084-15

Datum uitspraak: 14 maart 2017

Beslissing van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van

strafzaken, aangaande de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in de zaak tegen de veroordeelde:

[naam veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres van [naam instelling 1] , [adres instelling 1] , [vestigingsplaats instelling 1] ,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel,

raadsvrouw mr. M. Lochs, advocaat te Amsterdam.

Opgelegde straf en verdere feiten

Bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank
van 3 september 2015 is aan de veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van twee jaren, met aftrek van voorarrest.

De veroordeelde is op 24 juni 2016 voorwaardelijk in vrijheid gesteld met een v.i.-periode van 244 dagen.

Als bijzondere voorwaarden zijn onder meer gesteld dat de veroordeelde zich met ingang van de voorwaardelijke invrijheidstelling op 24 juni 2016:

- binnen 2 werkdagen na invrijheidstelling meldt bij [naam instelling 2] ,

[adres instelling 2] in [vestigingsplaats instelling 2] en dat de veroordeelde zich zal melden, zolang en zo vaak

de reclassering dit noodzakelijk acht;

- voor zijn verslavingsproblematiek en voor diagnostiek verplicht zal laten opnemen binnen

de (forensische) verslavingszorg of een soortgelijke intramurale instelling, zulks ter

beoordeling van het NIFP-IFZ, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de

aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de

(geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven;

- houdt aan de opdrachten van de reclasseringsorganisatie die in het kader van het toezicht

op de naleving van de voorwaarden noodzakelijk zijn en daartoe een open, gemotiveerde

en meewerkende houding met betrekking tot toezicht en behandeling toont.

Op 24 juni 2016, de datum van de voorwaardelijke invrijheidstelling, is de veroordeelde vanuit detentie opgenomen de Forensische Verslavingskliniek van [naam instelling 1] .

Op 4 juli 2016 is de veroordeelde aangehouden na zijn mededeling dat hij die kliniek wilde verlaten. Vervolgens is bij beschikking van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank van 6 juli 2016 de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde geschorst.

Wegens het niet naleven van de voorwaarde dat hij zich zal laten behandelen in een verslavingskliniek, heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank bij beslissing van 10 augustus 2016 - na vordering van de officier van justitie van 5 juli 2016 - de voorwaardelijke invrijheidstelling gedeeltelijk herroepen en gelast dat een gedeelte van de nog niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf, groot 90 dagen, alsnog moest worden ondergaan.

De voorlopige datum voor de hernieuwde voorwaardelijke invrijheidstelling is vastgesteld op 30 september 2016.

Op 31 augustus 2016 heeft de officier van justitie een vordering ingediend tot het achterwege laten van een (hernieuwde) voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde.

Bij beslissing van deze rechtbank van 12 oktober 2016 is bepaald dat de voorwaardelijke invrijheidstelling voor de duur van 60 dagen zal worden uitgesteld. De reden hiervoor was

dat de veroordeelde aan de reclassering, die hem bezocht om te praten over de voorwaarden van de nieuwe voorwaardelijke invrijheidstelling, aanvankelijk niet bereid was de voorwaarde na te leven tot (hernieuwde) opname en behandeling in een forensische verslavingskliniek. Omdat de veroordeelde op de zitting van 12 oktober 2016 heeft verklaard daarvoor alsnog open te staan heeft de rechtbank - weliswaar niet volledig overtuigd van de motivatie van de veroordeelde, maar gelet op het standpunt van de officier van justitie en de bereidheid van de reclassering een nieuwe indicatiestelling aan te vragen- de veroordeelde het voordeel van de twijfel gegund en hem die mogelijkheid alsnog geboden.

Bij het wijzigingsbesluit voorwaardelijke invrijheidstelling van 9 november 2016 is een nieuwe ingangsdatum van de voorwaardelijke invrijheidstelling, rekening houdend met de gedeeltelijke herroeping met 90 dagen en vervolgens uitstel met 60 dagen, vastgesteld op 1 december 2016.

De bijzondere voorwaarden die daarbij zijn gesteld houden in dat de veroordeelde zich met ingang van de voorwaardelijke invrijheidstelling:

- moet houden aan de aanwijzingen van de reclassering, waaronder de verplichting om zich te melden bij de reclassering, zo lang en zo frequent als de reclassering
nodig acht;

- zich laat opnemen in de forensische verslavingskliniek van [naam instelling 1] of een soort gelijke intramurale instelling;

- een open, gemotiveerde en meewerkende houding toont met betrekking tot het
toezicht en de behandeling.

Op 21 december 2016 is de veroordeelde vanuit detentie opgenomen in de forensische verslavingskliniek van [naam instelling 1] .

Op 1 februari 2017 is de veroordeelde aangehouden en weer overgebracht naar een penitentiaire inrichting

Op 3 februari 2017 heeft de rechter-commissaris de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling bevolen.

Vordering

Op 2 februari 2017 heeft het openbaar ministerie een vordering ingediend tot herroeping van de laatstelijk verleende voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde voor een periode van 94 dagen wegens het niet naleven van de daaraan verbonden voorwaarden.

Bij de vordering is overgelegd het rapport van [naam instelling 1] , afdeling reclassering, op

1 februari 2017 opgemaakt door [naam deskundige] , reclasseringswerker, eerste toezichthouder van de veroordeelde.

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek van de zaak heeft plaatsgevonden op de openbare terechtzitting van

28 februari 2017. De officier van justitie mr. E.M. Loppé en de (uitdrukkelijk gemachtigde) raadsvrouw zijn gehoord. De veroordeelde heeft afstand gedaan van het recht om aanwezig te zijn bij de behandeling van de zaak. Voorts is als deskundige gehoord [naam deskundige] , als reclasseringswerker verbonden aan [naam instelling 1] .

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot herroeping van de

voorwaardelijke invrijheidstelling voor een periode van 94 dagen. Dit betreffen volgens de officier van justitie de nog niet door de veroordeelde uitgezeten dagen gevangenisstraf.

De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering af te wijzen en subsidiair de voorwaardelijke invrijheidstelling te herroepen voor een periode van 20 tot 21 dagen. Daartoe is aangevoerd dat de veroordeelde een conflict had met een medepatiënt en niet met de medewerkers van de kliniek. De veroordeelde was boos en gefrustreerd en had bovendien nog last van ontwenningsverschijnselen. Hij was nog maar kort in de kliniek en de behandeling was nog maar net gestart. Op dit moment is hij nog steeds niet stabiel. Om die reden is geen sprake van een verwijtbare overtreding van de voorwaarden, zodat herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling een te zwaar middel is.

Ontvankelijkheid
Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vordering, nu de vordering tijdig is ontvangen op de griffie van de rechtbank en de grond bevat waarop zij berust.

Beoordeling

Het rapport van de reclassering houdt het volgende in.

De veroordeelde volgde een klinische behandeling bij de FVK van [naam instelling 1] , waar hij sinds 21 december 2016 verbleef. De veroordeelde had daar een conflict met een medepatiënt en daarnaast was de veroordeelde dwingend in contact met het personeel. Op 31 januari 2017 is de situatie geëscaleerd en is de veroordeelde verbaal agressief geweest jegens een personeelslid van de kliniek, van wie hij meer medicatie eiste. Er ontstond een erg onveilige situatie waarbij meerdere medepatiënten aanwezig waren, die ook erg geschrokken zijn. De veroordeelde heeft hiermee een grens overschreden en is vanwege de verbale agressie niet langer welkom in de kliniek. Hij is op 1 februari 2017 uit de kliniek geplaatst en bevindt zich sedertdien weer in detentie.

De reclassering heeft sinds de voorwaardelijke invrijheidstelling in december 2016 vier gesprekken met de veroordeelde gevoerd, waarbij de nadruk veelal op medicatie lag. Toen de veroordeelde op 21 december 2016 in de kliniek werd geplaatst was hij onder invloed van drugs en moest hij eerst detoxificeren voor de daadwerkelijke behandeling kon aanvangen.

De veroordeelde leek zich eerst in te zetten voor behandeling, maar dat werd al snel minder. Hij leek vooral gefocust op het verkrijgen van (meer) medicatie.

Hij was tegenover het personeel zeer dwingend in zijn wens tot het krijgen van meer medicatie en zou mogelijk ook cliënten onder druk hebben gezet om via hen aan meer medicatie te komen. Tijdens groepsmomenten werkte de veroordeelde onvoldoende mee aan de behandeling en zijn gedrag liet te wensen over. Hij lijkt niet gemotiveerd tot gedragsverandering of het volgen van behandeling. Hij heeft geen leerdoelen anders dan gericht op het medische vlak. Ondanks de eerdere gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling heeft de veroordeelde binnen de huidige klinische opname geen motivatie tot behandeling of gedragsverandering laten zien. De reclassering ziet daarom geen meerwaarde in een verdere voortzetting van het toezicht. De veroordeelde heeft onvoldoende meegewerkt aan de voorwaarden en om die reden wordt een herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling geadviseerd.

De als deskundige gehoorde reclasseringswerker heeft op de terechtzitting het rapport van de reclassering toegelicht en heeft daarbij een lijst overgelegd waaruit blijkt welke medicatie de veroordeelde krijgt. De deskundige heeft verklaard dat de veroordeelde (nog) meer medicatie wilde hebben en dat hij daarom gefrustreerd raakte. Zijn frustratie betrof niet (zozeer) de behandeling.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de veroordeelde de voorwaarden die aan de laatste voorwaardelijke invrijheidstelling zijn verbonden verwijtbaar niet heeft nageleefd. Gelet op de opstelling van de veroordeelde in de kliniek en jegens de reclassering, is een adequate behandeling en begeleiding niet mogelijk gebleken.

De vordering van de officier van justitie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling zal daarom worden toegewezen, met dien verstande dat daarbij zal worden vastgesteld dat het gedeelte van de gevangenisstraf dat als gevolg van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling nog niet door de veroordeelde is ondergaan en alsnog door hem zal moeten worden uitgezeten (244 - 170 – 42 =) 32 dagen bedraagt en niet 94 dagen, zoals door de officier van justitie is gesteld. Bij de berekening van dit aantal dagen is op de voet van artikel 15j, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht rekening gehouden met de periode vanaf de aanhouding van de veroordeelde op 4 juli 20106 tot aan het moment van zijn opname bij [naam instelling 1] op 21 december 2016, zijnde een periode van 170 dagen, alsook met de periode vanaf de aanhouding van de veroordeelde op 1 februari 2017 tot aan de datum van de uitspraak van deze beslissing, zijnde 14 maart 2017, zijnde een periode van 42 dagen. Gedurende deze perioden wordt de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf geacht te zijn hervat. De veroordeelde is gedurende deze perioden ook feitelijk gedetineerd geweest.

Beslissing
De rechtbank:

wijst toe de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling;

gelast dat het gedeelte van de gevangenisstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidsstelling niet ten uitvoer is gelegd, belopende een periode, van 32 (tweeëndertig) dagen, alsnog door de veroordeelde moet worden ondergaan.

Deze beslissing is genomen door mr. M.K. Asscheman-Versluis, voorzitter,

en mrs. E.J. Stalenberg en J.H.J. Verbaan, rechters,

in tegenwoordigheid van S. Wongsokerto, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 maart 2017.

De oudste en de jongste rechter zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.