Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:2073

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-03-2017
Datum publicatie
21-06-2017
Zaaknummer
ROT 16/4267
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft beroep ingesteld wegens niet tijdig beslissen op bezwaar. De heffingsambtenaar heeft echter met een verzendregistratie aannemelijk gemaakt dat de uitspraak op bezwaar voordien is verzonden aan eiser. Het beroep wegens niet tijdig beslissen is daarom niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1466
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 16/4267

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2017 in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats] , eiser,

en

het hoofd van de unit belastingen van de gemeente Capelle aan den IJssel, verweerder,

gemachtigde: mr. P.E.H.A. Ingenhou.

Procesverloop

Eiser heeft op 21 januari 2015 een aanvraag voor het verstrekken van informatie uit het bouwarchief van de gemeente ingediend.

Op 21 januari 2015 heeft verweerder de door eiser opgevraagde stukken digitaal ter beschikking gesteld.

Verweerder heeft, met dagtekening 9 november 2015, aan eiser een aanslag secretarieleges opgelegd ten bedrage van € 42,60.

Eiser heeft op 10 november 2015 bezwaar gemaakt tegen de aanslag.

Verweerder heeft de ontvangst van het bezwaarschrift bij brief van 19 november 2015 bevestigd.

Bij brief, gedagtekend 18 december 2015, heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft, met dagtekening 26 april 2016, verweerder verzocht alsnog een besluit te nemen.

Eiser heeft, met dagtekening 25 juni 2016, beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar. Hij heeft verzocht het beroep gegrond te verklaren en de maximale dwangsom van € 1.260,- toe te kennen en heeft verder verzocht te bepalen dat verweerder alsnog een nieuw besluit aan hem bekendmaakt op straffe van een dwangsom.

Verweerder heeft twee verweerschriften ingediend, één met dagtekening 7 juli 2016 en één met dagtekening 10 augustus 2016.

Eiser heeft, met dagtekening 13 juli 2016, aanvullende stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2017. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder is namens verweerder verschenen S.D.P. Abraham (de behandeld ambtenaar).

Overwegingen

1. Eiser voert aan dat verweerder in gebreke is tijdig een besluit op zijn bezwaar te nemen.

1.1.

Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

1.1.1.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:969, onder meer het volgende overwogen.

In de Awb is geregeld binnen welke termijn een bestuursorgaan dient te beslissen op een bezwaarschrift. Deze termijn en ook de andere termijnen waarbinnen een bestuursorgaan besluiten moet nemen, beschermen burgers tegen onbehoorlijk gedrag van de overheid en verschaffen tevens rechtszekerheid, omdat burgers zo weten binnen welke termijn zij duidelijkheid krijgen over het standpunt van de overheid (vgl. Kamerstukken II 2004/05,

29 934, nr. 3, blz. 1).

Met betrekking tot de rechtsingang wegens het niet tijdig geven van een beschikking op aanvraag, is in de parlementaire toelichting het volgende opgemerkt:

“Het resultaat van dit stelsel voor de gevallen waarin een specifieke termijn ontbreekt is, dat de burger steeds na acht weken weet waar hij aan toe is. Hij moet dan immers of een beschikking op zijn aanvraag hebben gekregen, of een mededeling van het tijdstip waarop die te verwachten is. Heeft hij nog niets ontvangen, dan staat in ieder geval vast dat het bestuursorgaan in verzuim is.” (Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 106).

Hieruit volgt dat de bepalingen over de termijnen waarbinnen het bestuursorgaan een besluit dient te nemen, (mede) ertoe strekken te waarborgen dat belanghebbenden binnen de in het desbetreffende geval geldende termijn worden geïnformeerd over de besluitvorming, en bij voorkeur over de inhoud daarvan.

1.2.

Naar het oordeel van de rechtbank dient onder het tijdig nemen van een besluit te worden verstaan dat de uitspraak op bezwaar binnen de daarvoor geldende termijn wordt genomen en dat de uitspraak op bezwaar aan de belanghebbende wordt bekend gemaakt. De rechtbank begrijpt dat eiser van mening is dat aan beide vereisten niet is voldaan.

1.2.1.

Verweerder heeft een aan het adres van eiser ( [adres] ) gerichte brief, gedagtekend 18 december 2015, overgelegd waarin zijn bezwaar van 10 november 2015 ongegrond is verklaard. Eiser maakt niet aannemelijk dat moet worden betwijfeld dat verweerder op deze datum uitspraak op zijn bezwaar heeft gedaan. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat op 18 december 2015 uitspraak op bezwaar is gedaan. Daarbij zal in het midden worden gelaten of moest worden beslist binnen de termijn als bedoeld in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb (binnen zes weken vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken) of binnen de termijn als bedoeld in artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet (voor het einde van het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen) omdat verweerder met de uitspraak op bezwaar van 18 december 2015 hoe dan ook tijdig heeft beslist op eisers bezwaar van 10 november 2015.

1.2.2.

Verweerder maakt aannemelijk dat de uitspraak op bezwaar aan het adres van eiser is verzonden. Ter zitting heeft hij een schermafdruk van Word-documenten overgelegd waarop staat: “[naam], gemeentearchief (1762016, handhaven bezwaar ongegro… 17-12-2015 14:22”, alsmede een schermafdruk van pdf-bestanden in het digitale archief, waarop staat: “ [naam] , Leges gemeentearchief 17-12-2015 14:21”. S.D.P. Abraham, die volgens de aanduiding boven de uitspraak op bezwaar en haar verklaring ter zitting het bezwaar van eiser heeft behandeld, heeft ter zitting verklaard dat op 17 december 2015 de uitspraak op bezwaar in Word is afgemaakt, dat er een pdf-bestand van is gemaakt, dat zij op 17 december 2015 het pdf-bestand van de uitspraak op bezwaar, voorzien van een digitale handtekening, heeft uitgeprint en in een (venster-)enveloppe heeft gedaan. Dit is door

mr. P.E.H.A. Ingenhou, die verklaarde daarbij aanwezig te zijn geweest, ter zitting bevestigd. S.D.P. Abraham heeft verder verklaard dat zij de enveloppe zelf naar de postkamer heeft gebracht, omdat de tweede postronde op die dag al was geweest en zij er op die manier zeker van was dat de uitspraak op bezwaar tijdig zou worden verstuurd, en dat de post vanuit de postkamer wordt verzonden.

Eiser stelt geen feiten op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij problemen heeft met aangetekende post in die zin dat hij die post ontvangt zonder dat voor de ontvangst ervan is getekend, maar hij maakt niet aannemelijk dat hij structurele problemen heeft met de ontvangst van de gewone, niet aangetekend verzonden post.

2. Er is geen sprake van het niet tijdig nemen van een besluit als bedoeld in artikel

6:2 van de Awb. Het beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk.

3. Eiser verzoekt om een dwangsom op grond van artikel 4:17, eerste lid Awb dat, voor zover van belang, bepaalt dat het bestuursorgaan een dwangsom verbeurt voor iedere dag dat het in gebreke is, doch ten hoogste voor 42 dagen, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven. Dat verzoek wordt afgewezen, nu verweerder tijdig uitspraak op bezwaar heeft gedaan en hij de uitspraak op bezwaar tijdig aan eiser heeft verzonden. Verweerder is daarom niet in gebreke geweest.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- wijst het verzoek om een dwangsom af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Bouter, rechter, in aanwezigheid van

mr. L.W.F. van Deyzen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

20 maart 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer).