Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:201

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-01-2017
Datum publicatie
10-01-2017
Zaaknummer
ROT 16/2383
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Nieuwe aanvraag uitwonendenbeurs voor hetzelfde adres na eerdere onvrijwillige omzetting naar thuiswonendenbeurs. Verweerder hoeft geen rekening te houden met een mogelijke onbevoegdheid van de controleurs die betrokken waren bij het huisbezoek dat ten grondslag ligt aan de eerdere omzetting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 16/2383

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 januari 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. J. van den Ende,

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder,

gemachtigde: mr. Th. Holtrop.

Procesverloop

Bij besluit van 1 januari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een uitwonendenbeurs per 1 januari 2016 afgewezen.

Bij besluit van 4 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Omdat bij een controle op 28 september 2015 was geconstateerd dat eiser niet feitelijk op het adres [adres] te [woonplaats] (brp-adres) woonde, heeft verweerder bij besluit van 23 oktober 2015 het recht op studiefinanciering van eiser herzien door omzetting van zijn uitwonendenbeurs in een beurs voor thuiswonenden vanaf 1 augustus 2015, en hetgeen te veel aan studiefinanciering is ontvangen omgezet in een schuld.

Bij besluit van 30 oktober 2015 heeft verweerder eiser een boete opgelegd, omdat hij niet voldoet aan de voorwaarde van feitelijke bewoning op het brp-adres.

Tegen de besluiten van 23 oktober 2015 en 30 oktober 2015 heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij besluit van 3 februari 2016 heeft verweerder dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

2. Eiser heeft verweerder per 1 januari 2016 verzocht om opnieuw in aanmerking te komen voor een uitwonendenbeurs voor het brp-adres. Bij het primaire besluit heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

3. Het bestreden besluit berust op verweerders standpunt dat eiser met de overgelegde verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanaf 1 januari 2016 op het brp-adres woont en dat de aanvraag van eiser om opnieuw in aanmerking te komen voor een uitwonendenbeurs daarom is afgewezen.

4. Eiser voert in beroep aan dat het in het kader van een zorgvuldige besluitvorming op de weg van verweerder ligt om een onderzoek te verrichten, bijvoorbeeld door het afleggen van een huisbezoek, naar de woonsituatie op het brp-adres. Dat het herzieningsbesluit in rechte vaststaat betekent volgens eiser nog niet dat de feiten die aan dat besluit ten grondslag liggen in rechte vaststaan. Voorts stelt eiser dat hij met de overgelegde verklaringen en poststukken voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij feitelijk woonachtig is op het brp-adres. Eiser heeft in beroep aanvullende poststukken overgelegd die hij op het brp-adres heeft ontvangen.

5. Uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 25 mei 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1928) volgt dat het in een geval als hier aan de orde, waarin een eerder toegekende uitwonendenbeurs is herzien en omgezet in een thuiswonendenbeurs en de belanghebbende een nieuwe aanvraag voor een later gelegen datum voor hetzelfde brp‑adres indient, op de weg van de aanvrager ligt om aan te tonen dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat op dat later gelegen tijdstip wel wordt voldaan aan de vereisten voor toekenning. Bij de beoordeling van de bewijsstukken moet wel worden bedacht dat, afgezien van een gericht huisbezoek, bewijs van feitelijke bewoning niet eenvoudig te leveren is.

6. Op basis van dit uitgangspunt heeft verweerder de aanvraag van eiser terecht afgewezen. Eiser heeft namelijk niet aangetoond dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. De overgelegde verklaringen van eisers tante en moeder zijn in dit verband onvoldoende, want zij bevatten te weinig concrete informatie om daar uit af te kunnen leiden dat eiser inderdaad op het brp-adres woonde. Uit de verklaring van [getuige] van 18 februari 2016 blijkt dat al helemaal niet. Dat eiser post ontvangt op het brp-adres betekent ook niet dat hij er ook feitelijk woont. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij geen huurovereenkomst had en geen huur betaalde. Wel zou hij voor zijn inboedel meeverzekerd zijn op het brp-adres, maar hij droeg daar weer geen premie voor af. Verweerder heeft ter zitting terecht gesteld dat van eiser kon worden verlangd meer bewijs, bijvoorbeeld in de vorm van verklaringen van andere personen met concrete informatie, over te leggen. Anders dan eiser stelt, lag het onder die omstandigheden niet op de weg van verweerder om - bijvoorbeeld door middel van een huisbezoek - een nader onderzoek te doen naar de woonsituatie van eiser.

7. Eiser heeft er nog op gewezen dat het huisbezoek dat aan de eerdere herziening ten grondslag lag, door onbevoegde controleurs is uitgevoerd. Volgens verweerder maakt dat niet uit, omdat het herzieningsbesluit dat naar aanleiding van die controle is genomen, in rechte vaststaat.

8. Verweerder mag, mede gelet op en met inachtneming van het bepaalde in artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, van de studerende verlangen dat hij aantoont dat hij voldoet aan de voorwaarden voor een uitwonendenbeurs. Daarbij hanteert verweerder echter het beleid dat bij een eerste aanvraag voor een uitwonendenbeurs van de aanvrager geen (nadere) bewijstukken worden verlangd, maar dat achteraf wordt gecontroleerd of aan de voorwaarden wordt voldaan. Bij een situatie zoals hier aan de orde, waarin een uitwonendenbeurs onvrijwillig is omgezet naar een thuiswonendenbeurs en vervolgens een uitwonendenbeurs wordt aangevraagd voor hetzelfde adres, hanteert verweerder wel het uitgangspunt dat van de aanvrager wordt verlangd aan te tonen dat hij voor de aanspraak in aanmerking komt. Verweerder slaat daarbij geen acht op de wijze van totstandkoming van de eerdere omzetting. De rechtbank acht dit niet onredelijk, ook al omdat tegen de eerdere omzetting rechtsmiddelen hebben opengestaan. Dit betekent dat verweerder geen rekening behoeft te houden met een mogelijke onbevoegdheid van de controleurs die betrokken waren bij het huisbezoek dat ten grondslag ligt aan de eerdere omzetting.

9. Of de gestelde onbevoegdheid van de controleurs mogelijk zou kunnen leiden tot herziening van het eerdere omzettingsbesluit, is een vraag die in deze procedure niet aan de orde is.

10. Dat verweerder in het primaire besluit, zonder eiser in de gelegenheid te stellen om zijn aanvraag nader te onderbouwen, direct tot afwijzing is overgegaan, is wellicht onzorgvuldig. Eiser heeft echter in de bezwaarfase die gelegenheid alsnog gekregen, zodat de rechtbank aan die mogelijke onzorgvuldigheid kan voorbijgaan.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, voorzitter, en mr. A.I. van Strien en

mr. D. Brugman, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Coenraads, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.