Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:1985

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
14-06-2019
Zaaknummer
C/10/505060 / HA ZA 16-643
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Behoorde de oldtimercollectie van erflater geheel tot de nalatenschap of was deze deels in eigendom van de onderneming die hij met zijn zoons voerde?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2019/184
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/505060 / HA ZA 16-643

Vonnis van 15 maart 2017

in de zaak van

[eiser] in zijn hoedanigheid van executeur-testamentair in de nalatenschap van [naam erflater] ,

woonplaats gekozen hebbende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

advocaat mr. J. Meijer te Rotterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. D.L.A. van Voskuilen te Rotterdam.

Partijen zullen hierna de executeur-testamentair en [gedaagde 1] c.s., alsook de onderneming respectievelijk gedaagden sub 2 en 3 genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de conclusie van antwoord,

  • -

    het brief van 5 oktober 2016 waarbij de comparitie van partijen is bepaald,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 23 januari 2017 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 3 maart 2014 is overleden [naam erflater] (hierna: erflater). Ten tijde van zijn overlijden was erflater als partner geregistreerd met [partner erflater] (hierna: de partner). Erflater heeft twee afstammelingen/zonen achtergelaten, te weten de gedaagden 2 en 3.

2.2.

In zijn testament heeft erflater de partner tot enig erfgenaam benoemd en heeft hij, voor zover thans van belang, het volgende bepaald:

“III. Legaat aandelen

Ik legateer, niet vrij van rechten en kosten en af te geven zo spoedig mogelijk na mijn overlijden, aan mijn zoon [gedaagde 2] en mijn zoon [gedaagde 3] , gezamenlijk en voor gelijke delen:

alle tot mijn nalatenschap behorende aandelen in het kapitaal van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid: [naam onderneming] , gevestigd te [vestigingsplaats] .

IV. Legaat tegen inbreng

Ik legaat aan mijn zoon [gedaagde 2] en/of mijn zoon [gedaagde 3] de auto(‘s) uit mijn oldtimer-collectie (derhalve niet de auto(‘s) die mijn partner en ik dagelijks gebruiken) die zij zullen verkiezen, zulks tegen inbreng van de waarde van die betreffende auto(‘s) in mijn nalatenschap.

Deze waarde zal worden vastgesteld overeenkomstig het sub VII bepaalde, met dien verstande dat indien een deskundige de waarde bepaalt, daarop een korting van tien procent (10%) wordt toegepast.

Ten aanzien van dit legaat bepaal ik:

dat de executeur binnen drie maanden na mijn overlijden deze keuze aan mijn zoons dient voor te leggen en dat ieder van mijn zoons binnen negen maanden na mijn overlijden schriftelijk moet verklaren of hij het legaat al dan niet aanvaardt;

(…)

dat ingeval van aanvaarding van het legaat de afgifte zal moeten plaatsvinden op de dag waarop de inbreng zal hebben plaatsgehad, doch uiterlijk binnen één jaar na mijn overlijden.

(…)”

2.3.

Erflater beschikte over een oldtimer-collectie die op het terrein van de woning van erflater en de partner stond opgeslagen. Erflater hield van iedere auto uit de collectie een logboek bij.

2.4.

Van een deel van de oldtimer-collectie zijn de kentekens op naam van de onderneming gesteld.

3 Het geschil

3.1.

De executeur-testamentair vordert samengevat -

  1. veroordeling van [gedaagde 1] c.s. om aan hem af te geven de bescheiden waarmee de tenaamstelling bij de RDW van de auto’s vermeld op de als productie 9 aan de dagvaarding gehechte lijst kan worden gewijzigd, op verbeurte van een dwangsom van € 1.500 per dag dat zij hiermee in gebreke blijven,

  2. een verklaring voor recht dat gedaagden 2 en 3 geen aanspraken (meer) kunnen ontlenen aan het legaat dat onder IV is opgenomen in het testament van erflater,

met veroordeling in de kosten.

3.2.

De executeur-testamentair legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de auto’s vermeld op de als productie 9 aan de dagvaarding gehechte lijst en waarvan het kenteken te naam is gesteld op naam van de onderneming, deel uitmaken van de nalatenschap van erflater. Gedaagden sub 2 en 3 weigeren echter om kenbaar te maken dat zij het legaat dat onder IV is opgenomen in het testament willen aanvaarden. Dit terwijl de nalatenschap dient te worden afgewikkeld en de executeur-testamentair hen hiertoe diverse malen de gelegenheid toe heeft geboden.

Gedaagden sub 2 en 3 zijn de bestuurders en enig aandeelhouders van de onderneming en dienen in die hoedanigheid af te geven de bescheiden waarmee de tenaamstelling bij de RDW van de auto’s vermeld op de als productie 9 aan de dagvaarding gehechte lijst kan worden gewijzigd.

3.3.

[gedaagde 1] c.s. voert hiertegen aan dat de auto’s vermeld op de als productie 9 aan de dagvaarding gehechte lijst op naam staan van de onderneming. Die auto’s behoren derhalve toe aan de onderneming en maken geen deel uit van de nalatenschap. Het was de intentie van erflater dat de door hem opgebouwde collectie auto’s in stand zou worden gehouden.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is in geschil de vraag of de auto’s vermeld op de als productie 9 aan de dagvaarding gehechte lijst onderdeel uitmaken van de nalatenschap van erflater.

4.2.

De bezitter van een goed wordt vermoed rechthebbende te zijn (art. 3:119 lid 1 BW). Erflater was bezitter van de collectie auto’s nu deze zich op het terrein bij zijn woning bevond en hij die auto’s hobbymatig gebruikte. Dit bezit blijkt ook uit het feit dat erflater in privé autoverzekeringen voor al die auto’s had afgesloten, hetgeen de executeur gemotiveerd heeft gesteld en niet is weersproken. Ingevolge de Wegenverkeerswet is iedereen die in het bezit is van een motorrijtuig, verplicht deze minimaal WA te verzekeren.

[gedaagde 1] c.s. heeft het hiervoor omschreven wettelijke vermoeden niet weerlegd terwijl dit wel op zijn weg had gelegen. Dat de kentekens van de auto’s vermeld op de als productie 9 aan de dagvaarding gehechte lijst op naam stonden van de onderneming en dat de onderneming voor die auto’s bestemde onderdelen heeft betaald, is daartoe onvoldoende in het licht van de locatie waar de auto’s vermeld op de als productie 9 aan de dagvaarding gehechte lijst tezamen met de rest van de oldtimer-collectie van erflater stonden opgeslagen, het feit dat erflater die auto’s in privé had verzekerd en erflater samen met de partner gebruik maakte van die auto’s, zoals blijkt uit de door de partner overgelegde logboeken.

4.3.

[gedaagde 1] c.s. heeft verder gesteld dat de eigendom van de auto’s vermeld op de als productie 9 aan de dagvaarding gehechte lijst op enig moment door erflater is overgedragen aan de onderneming door inbreng, echter deze stelling is door hem niet onderbouwd. Dit terwijl de executeur deze stelling van [gedaagde 1] c.s. gemotiveerd heeft betwist onder verwijzing naar onder meer jaarrekeningen van de onderneming, zodat niet is komen vast te staan dat erflater de auto’s aan onderneming heeft geleverd.

4.4.

Het vorenstaande brengt met zich dat de vordering van de executeur tot afgifte van de bescheiden waarmee de tenaamstelling bij de RDW van de auto’s vermeld op de als productie 9 aan de dagvaarding gehechte lijst kan worden gewijzigd, zal worden toegewezen voor zover dit de onderneming betreft, met maximering van de dwangsom als na te melden. Immers, de betreffende kentekens staan op naam van de onderneming en niet op naam van gedaagden sub 2 en 3, die vanzelfsprekend als directeuren van de onderneming uitvoering dienen te geven aan de veroordeling.

4.5.

Ten aanzien van de gevorderde verklaring voor recht dat gedaagden sub 2 en 3 geen aanspraken (meer) kunnen ontlenen aan het legaat dat onder IV is opgenomen in het testament van erflater wordt overwogen dat in het testament is bepaald dat ieder van gedaagden sub 2 en 3 binnen negen maanden na overlijden van de erflater schriftelijk moet verklaren of hij het legaat al dan niet aanvaardt.

Gedaagden sub 2 en 3 hebben geen (separaat) verweer gevoerd tegen dit onderdeel van de vordering.

Verder staat vast dat gedaagden sub 2 en 3 het legaat niet hebben aanvaard, ondanks daartoe diverse malen door de executeur te zijn aangemaand, zoals door de executeur is gesteld en door gedaagden sub 2 en 3 niet is weersproken.

Gedaagden sub 2 en 3 hebben het legaat niet aanvaard omdat zij naar thans blijkt ten onrechte meenden dat de onderneming eigenaar was van een deel van de oldtimer-collectie. Evenmin hebben gedaagden sub 2 en 3 het legaat aanvaard onder de ontbindende voorwaarde dat zij eigenaar zouden zijn van de auto’s vermeld op de als productie 9 aan de dagvaarding gehechte lijst.

De gevorderde verklaring voor recht ligt derhalve voor toewijzing gereed, te meer omdat de executeur zijn taak met het oog waarop hem het beheer van de nalatenschap door erflater bij testament was opgedragen, dient te kunnen volbrengen.

4.6.

De stelling van gedaagden sub 2 en 3 dat de tekst van het testament geen recht doet aan de laatste wil van erflater en niet de wens van hun vader kan zijn geweest, kan niet slagen. Immers, door hen is niet gesteld dat de wil tot het opmaken van dit testament ontbrak omdat er bij erflater sprake was van een geestelijke stoornis.

4.7.

[gedaagde 1] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de executeur-testamentair worden begroot op:

- dagvaarding € 102,75

- griffierecht € 288,00

- salaris advocaat € 904,00 (2 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.294,75

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde 1] . om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de bescheiden waarmee de tenaamstelling bij de RDW van de auto’s vermeld op de als productie 7 aan de dagvaarding gehechte lijst gewijzigd kan worden aan de executeur af te geven, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.500 per dag dat zij hiermee in gebreke blijven, met een maximum van € 300.000;

5.2.

verklaart voor recht dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] geen aanspraken (meer) kunnen ontlenen aan het legaat dat onder IV (‘legaat tegen inbreng’) is opgenomen in het testament van erflater van 21 december 2012,

5.3.

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van de executeur-testamentair tot op heden begroot op € 1.294,75,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Eerdhuijzen en in het openbaar uitgesproken op

15 maart 2017.1

2294/2438

1 2294/