Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:1973

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-03-2017
Datum publicatie
27-03-2017
Zaaknummer
C/10/506830 / HA ZA 16-751
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wegvervoer van satellietontvangers van Rotterdam naar Lauwin-Planque, Frankrijk. Geen sprake van bewust roekeloos handelen van de vervoerder in de zin van artikel 29 CMR. Aansprakelijkheidsbeperking vervoerder ex artikel 23 CMR.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2017/76
AR 2017/1573
NTHR 2017, afl. 3, p. 161
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/506830 / HA ZA 16-751

Vonnis van 8 maart 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VAN WIJNGEN INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Breda,

eiseres,

advocaat mr. V.R. Pool,

tegen

1. de vennootschap onder firma

E.F.B. EUROPEAN FREIGHT BROKERS V.O.F.,

gevestigd te De Meern (gemeente Utrecht),

gedaagde,

niet verschenen,

2. de vennootschap naar het recht van de plaats van vestiging

SIMASTOCK - SOCIETE INDUSTRIELLE DE MANUTENTION ET DE STOCKAGE,

gevestigd te Sin le Noble, Frankrijk,

gedaagde,

niet verschenen,

3. de vennootschap naar het recht van de plaats van vestiging

STRONG FRANCE S.A.R.L.,

gevestigd te Boulogne Billancourt, Frankrijk,

gedaagde,

advocaat mr. K.H.L. van Waasbergen,

4. de vennootschap naar het recht van de plaats van vestiging

ELECTRO DEPOT FRANCE SAS,

gevestigd te Faches-Thumesmil, Frankrijk,

gedaagde,

niet verschenen.

Eiseres zal hierna Van Wijngen genoemd worden, gedaagden afzonderlijk respectievelijk EFB, Simastock, Strong France en Electro Depot.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaardingen van 22 april 2016, met drie producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van Strong France, met twee producties;

  • -

    de oproepingsbrief van de rechtbank van 5 oktober 2016 waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    de zittingsagenda van 2 november 2016;

  • -

    de brief van de advocaat van Van Wijngen van 16 november 2016, met één productie;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 15 december 2016;

  • -

    de brief van de advocaat van Van Wijngen van 22 december 2016 met opmerkingen over het proces-verbaal.

1.2.

Op de rol van 27 juli 2016 is verstek verleend tegen EFB, Simastock en Electro Depot.

1.3.

De zaak tegen de oorspronkelijk medegedaagde Phimex Warehousing B.V. (hierna: Phimex) is doorgehaald op de rol van 7 september 2016.

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Van Wijngen is een transportbedrijf. Strong France handelt in satellietontvangers.

2.2.

EFB heeft Van Wijngen op 15 april 2016 opdracht gegeven om op 18 april 2016 een zending van zes europallets met dozen (hierna: de zending) te vervoeren van de loods van Phimex te Rotterdam naar Lauwin-Planque, Frankrijk, ter aflevering aldaar op 20 april 2016. Op de ‘laadopdracht’ (productie E1) staat Electro Depot vermeld als factuuradres. Voorts staat, voor zover relevant, het volgende vermeld:

“Losdatum: 20-04-2016 Lostijd: losafspraak om 6 uur

Goederensoort: 6 europlts = 332 CRTS = 1800 (…)

Vrachtprijs: Euro 293,60 all-in/ex BTW

Bijzonderheden: Let op deze goederen zijn diefstalgevoelig, dus op bewaakte parkeerplaatsen rusten en overnachten. GEEF EVEN LAADTIJD DOOR EN KENTEKEN (…)

Type auto: huif taut of kast (…)

Zending is gebonden aan vaste aflever dag en tijdslevering gaarne hier rekening mee houden en zorgen dat auto op tijd op plaats van bestemming is.”

2.3.

Voor dit vervoer is een CMR-vrachtbrief afgegeven, waarop de zending is omschreven als ‘satellietontvangers 332 kartonnen dozen’, en waarop Strong France als afzender en Simastock als geadresseerde staan vermeld (productie E2).

2.4.

De zending is op 18 april 2016 door een chauffeur van Van Wijngen in ontvangst genomen en vervoerd naar het bedrijfsterrein van Van Wijngen in Hazeldonk. Daar werd de zending met twee andere deelzendingen in een vrachtwagen geladen en vervolgens vervoerd naar Simastock in Lauwin-Planque. Toen de chauffeur op 20 april 2016 om 5:45 uur aankwam bij het industrieterrein (ZI) van Lauwin-Planque, waarop Simastock is gevestigd, werd hij tegengehouden door stakersposten waardoor aflevering van de zending niet mogelijk was. Na ruggenspraak tussen Van Wijngen en EFB is de zending gelost bij een agent van Van Wijngen in Lesquin, Frankrijk, en vervolgens door Van Wijngen teruggehaald naar haar bedrijfsterrein in Hazeldonk. Op 21 april 2016 heeft EFB een nieuwe afspraak gemaakt om op 22 april 2016 om 8:30 uur te lossen.

2.5.

In de nacht van donderdag 21 op vrijdag 22 april 2016 is de lading satellietontvangers gestolen terwijl de vrachtwagen overstond op een onbewaakte parkeerplaats aan de A27, ter hoogte van Camphin-en-Pévèle, Frankrijk, bij de Frans-Belgische grens.

2.6.

De satellietontvangers waren ten tijde van de diefstal eigendom van Strong France. Het gewicht van de gestolen lading bedroeg 1.793 kg.

2.7.

Van Wijngen heeft het overeenkomstig artikel 23 lid 3 CMR berekende bedrag aan schadevergoeding van SDR 14.935,65 vermeerderd met de CMR-rente aan Strong France voldaan door betaling op de derdengeldenrekening van de advocaat van Strong France.

3 Het geschil

3.1.

Van Wijngen vordert, na eisvermindering ter comparitie, dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis voor recht verklaart dat:

primair:

gedaagden, althans één of meer van hen, in eventuele schadevorderingen jegens eiseres niet ontvankelijk zijn (is),

subsidiair:

Van Wijngen jegens gedaagden, althans jegens één of meer van hen, niet verder aansprakelijk is dan tot het bedrag van de CMR-beperking ex artikel 23 CMR van 8,33 SDR per verloren kilogram brutogewicht,

met veroordeling van gedaagden in de proceskosten.

3.2.

Hieraan legt Van Wijngen de volgende stellingen - samengevat - ten grondslag:

- Van Wijngen richt haar vordering tegen EFB als opdrachtgever, althans afzender, althans anderszins belanghebbende, tegen Simastock als geadresseerde, althans eigenaar van de gestolen lading, althans anderszins belanghebbende, tegen Strong France als opdrachtgever, althans afzender, althans eigenaar, althans anderszins belanghebbende en tegen Electro Depot als eigenaar van de gestolen lading, althans anderszins belanghebbende;

- Van Wijngen is slechts beperkt aansprakelijk jegens Strong France en de overige gedaagden, omdat zij noch opzettelijk noch bewust roekeloos in de zin van artikel 29 CMR juncto artikel 8:1108 BW heeft gehandeld.

3.3.

Strong France voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Van Wijngen bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, kosten rechtens.

3.4.

Hiertoe voert Strong France de volgende argumenten - samengevat - aan:

  • -

    Er is een vervoerovereenkomst tot stand gekomen tussen Strong France en Van Wijngen die EFB als expediteur van Strong France heeft doen sluiten;

  • -

    Van Wijngen heeft bewust roekeloos gehandeld in de zin van artikel 29 CMR juncto artikel 8:1108 BW, zodat zij volledig aansprakelijk is voor de door Strong France geleden schade.

4 De beoordeling

bevoegdheid en toepasselijk recht

4.1.

Het betreft internationaal vervoer over de weg van Nederland naar Frankrijk. Deze landen zijn beide partij bij het CMR-verdrag. Op grond van artikel 1 juncto artikel 41 CMR is het CMR-verdrag dwingendrechtelijk van toepassing op het onderhavige vervoer.

4.2.

Deze rechtbank is op grond van artikel 31 lid 1 sub b CMR bevoegd om van de onderhavige vordering kennis te nemen omdat de zending in Rotterdam door Van Wijngen in ontvangst is genomen.

de vorderingsgerechtigdheid van gedaagden

4.3.

Van Wijngen vordert primair voor recht te verklaren dat gedaagden niet-ontvankelijk zijn in hun eventuele schadevorderingen jegens haar.

Van Wijngen heeft ter comparitie gesteld dat EFB de afzender is en Simastock de geadresseerde. Strong France heeft hierop gereageerd door te stellen dat EFB voor haar is opgetreden als expediteur zodat de vervoerovereenkomst tot stand is gekomen tussen Strong France en Van Wijngen, hetgeen door Van Wijngen niet is betwist (en waarop de betaling aan Strong France ook wijst). Van Wijngen heeft voorts gesteld dat zij het limietbedrag (zie onder 2.7) met goedvinden van EFB aan Strong France heeft betaald. De rechtbank stelt vast dat Strong France de contractuele wederpartij van de vervoerder is en dus als afzender vorderingsgerechtigd. Dat betekent dat de primaire vordering ten aanzien van Strong France wordt afgewezen.

4.4.

Ten aanzien van de overige gedaagden, tegen wie verstek is verleend, zal de primaire vordering, die de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, worden toegewezen.

doorbreking beperkte aansprakelijkheid?

4.5.

Van Wijngen vordert voor recht te verklaren dat zij beperkt aansprakelijk is jegens Strong France. Van Wijngen stelt daartoe dat haar een beroep toekomt op artikel 23 lid 1 CMR. Van omstandigheden die (zouden kunnen) leiden tot doorbraak van aansprakelijkheid in de zin van artikel 29 CMR is geen sprake, aldus Van Wijngen. Van Wijngen verwijst naar het expertiserapport van Braeckman & Co Experts (productie E4) en stelt dat de chauffeur in de hectiek van het retourvervoer en de mislukte planning (in verband met de staking op het bedrijventerrein van de ontvanger Simastock) helaas niet is verwittigd van de instructie om over te staan op een bewaakte parkeerplaats.

4.6.

Strong France betwist dat er bij het onderhavige vervoer geen sprake is van opzet of met opzet gelijk te stellen schuld van Van Wijngen in de zin van artikel 29 CMR. Strong France stelt daartoe dat Van Wijngen tenminste honderd transporten van diefstalgevoelige ladingen satellietontvangers voor Strong France heeft verricht en daarbij ingeval van overstaan stelselmatig geen gebruik heeft gemaakt van bewaakte parkeerplaatsen maar in plaats daarvan haar chauffeurs onbeveiligd heeft laten overstaan, nota bene zonder het aan die chauffeurs verstrekken van een adequaat slot. Dan is het simpelweg wachten tot het een keer fout gaat en een lading wordt gestolen. Van Wijngen legde veiligheidsinstructies stelselmatig naast zich neer, gaf stelselmatig geen opdracht aan haar chauffeurs om de trailer met een slot af te sluiten en stelde geen hangslot daarvoor aan haar chauffeurs ter beschikking, aldus Strong France.

4.7.

Naar aanleiding van de door Strong France bepleite omkering van de bewijslast wordt als volgt overwogen.

Ingevolge de hoofdregel van artikel 23 CMR is de aansprakelijkheid van de vervoerder beperkt tot 8,33 SDR per kilogram gewicht, tenzij op grond van artikel 29 CMR sprake is van opzet of daarmee gelijk te stellen schuld van de vervoerder. Het is aan de ladingbelanghebbende, in dit geval Strong France, om te stellen en - bij voldoende betwisting - te bewijzen dat er om die reden grond is voor doorbreking van de in beginsel beperkte aansprakelijkheid van de vervoerder. Die bewijslastverdeling vloeit voort uit de systematiek van de artikelen 23, 29 CMR en artikel 150 Rv en is niet afhankelijk van de partij die het initiatief neemt tot een procedure. Van Wijngen heeft de door de expert van Strong France gestelde vragen voldoende beantwoord en de zich in haar domein bevindende feitelijke informatie met betrekking tot het onderhavige vervoer voldoende verstrekt. Het door Strong France gedane beroep op de uitspraak van het Hof Leeuwarden van 21 januari 2004 (ECLI:NL:GHLEE:2004:AR6484), waarin overigens wordt uitgegaan van een verzwaarde stelplicht van de vervoerder en niet van omkering van de bewijslast, gaat niet op.

4.8.

Ingevolge artikel 29 CMR is voor doorbreking van de aansprakelijkheidsbeperking van Van Wijngen slechts plaats indien sprake is van opzet of van gedrag dat moet worden aangemerkt als roekeloos en met de wetenschap dat de schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien. Van zodanig gedrag is sprake wanneer degene die zich aldus gedraagt het aan de gedraging verbonden gevaar kent en zich ervan bewust is dat de kans dat het gevaar zich zal verwezenlijken aanzienlijk groter is dan de kans dat dat niet zal gebeuren, maar zich door een en ander niet van dit gedrag laat weerhouden (HR 5 januari 2001 ECLI:NL:HR:2001:AA9308 en ECLI:NL:HR:2001:AA9309 en HR 10 augustus 2012 ECLI:NL:HR:2012:BW6747).

4.9.

Als geen sprake is van gevaar of het gevaar niet van dien aard is dat de kans op schade aanzienlijk groter is dan de kans dat de schade uitblijft, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de overige elementen van de onder 4.8 genoemde maatstaf. Of aan deze drempelvoorwaarde is voldaan wordt bepaald aan de hand van objectieve omstandigheden.

4.10.

Ter onderbouwing van haar stelling dat Van Wijngen bewust roekeloos heeft gehandeld in de zin van artikel 29 CMR juncto artikel 8:1108 BW heeft Strong France aangevoerd dat het stelselmatig niet in acht nemen van de overeengekomen veiligheidsinstructies de kans op diefstal van één of meerdere van de door Van Wijngen in opdracht van EFB vervoerde ladingen van Strong France zo groot maakt dat één of meerdere diefstallen van die ladingen als waarschijnlijk gevolg van het stelselmatig niet in acht nemen van die overeengekomen veiligheidsmaatregelen moet worden aangemerkt.

4.11.

Artikel 8:1108 BW is beperkt tot gedragingen van de vervoerder, in dit geval Van Wijngen, zelf. Anders dan Strong France kennelijk voorstaat ligt in deze zaak alleen het handelen van Van Wijngen bij het onderhavige transport ter beoordeling voor. Als reactie op het verweer van Strong France heeft Van Wijngen gesteld dat zij zestig tot zeventig transporten ten behoeve van Strong heeft verricht en dat bij ongeveer de helft van de transporten bewaakt of beveiligd is geparkeerd en bij de andere helft kastenwagens of zeilwagens zijn gebruikt waarin de Strong France-zendingen voorin stonden. Gesteld noch gebleken is echter dat bij één van de andere (dan de onderhavige) transporten een eventueel risico op diefstal zich heeft verwezenlijkt.

4.12.

De redenering van Strong France dat het risico op diefstal bij het onderhavige transport groter is geworden doordat de instructie om bewaakt over te staan stelselmatig wordt genegeerd kan de rechtbank niet volgen. Op zichzelf begrijpt de rechtbank de redenering van Strong France dat naarmate bij meer transporten stelselmatig de anti-diefstalinstructies niet worden opgevolgd de kans op diefstal van lading gedurende het totaal aantal transporten toeneemt. Het gaat echter om de vraag of, indien al zou komen vast te staan dat die veiligheidsinstructies stelselmatig zijn genegeerd, daardoor de concrete kans dat het diefstalrisico zich bij dit specifieke transport zou verwezenlijken groter was dan de kans dat dat niet zou gebeuren. Die vraag beantwoordt de rechtbank met ‘neen’.

Niet valt in te zien immers dat het risico op diefstal bij één individueel transport groter wordt als de instructie om bewaakt over te staan ook bij andere transporten niet door Van Wijngen aan de chauffeur is doorgegeven. De kans op diefstal van een enkele zending wordt niet groter door de eventuele stelselmatigheid van het niet naleven van de instructie om bewaakt over te staan.

4.13.

Conclusie is dat niet is voldaan aan de drempelvoorwaarde als genoemd onder 4.9.

4.14.

Andere feiten of omstandigheden die (mits bewezen) tot de conclusie kunnen leiden dat sprake is van bewuste roekeloosheid van Van Wijngen (en daarmee toepasselijkheid van artikel 29 CMR onder de voorwaarden die de Hoge Raad daaraan stelt) zijn niet gesteld.

4.15.

De slotsom is dat Van Wijngen op grond van artikel 23 CMR slechts beperkt aansprakelijk is. De subsidiair verzochte verklaring voor recht zal worden toegewezen.

4.16.

Strong France zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De aan de zijde van Van Wijngen gemaakte proceskosten worden begroot op:

- dagvaarding € 77,75

- griffierecht 619,00

- salaris advocaat 904,00 (2 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.600,75

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat EFB, Simastock en Electro Depot niet ontvankelijk zijn in eventuele schadevorderingen jegens Van Wijngen ter zake van het onderhavige vervoer,

5.2.

verklaart voor recht dat Van Wijngen jegens Strong France niet verder aansprakelijk is dan tot het bedrag van de CMR-beperking ex artikel 23 CMR van 8,33 SDR per verloren kilogram brutogewicht,

5.3.

veroordeelt Strong France in de proceskosten, aan de zijde van Van Wijngen tot op heden begroot op € 1.600,75,

5.4.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr C. Sikkel en in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2017.

1573/901/1885