Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:1898

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-03-2017
Datum publicatie
20-03-2017
Zaaknummer
ROT 16/2239
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking pgb voor huishoudelijke ondersteuning met terugwerkende kracht omdat geen gebruik is gemaakt van het pgb.

De door verweerder gemaakte belangenafweging is niet zodanig onevenwichtig dat verweerder niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.

Wetsverwijzingen
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 2.3.10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 16/2239

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 maart 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lansingerland, verweerder,

gemachtigde: R.M.A. Desain.

Procesverloop

Bij besluit van 25 augustus 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder met ingang van 1 januari 2015 de aan eiser toegekende voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) beëindigd.

Bij besluit van 19 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn partner. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en G. Hermes-Hijkamp.

Overwegingen

1. Eiser ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor het inkopen van huishoudelijke ondersteuning.

2. Naar aanleiding van eisers e-mail van 20 augustus 2015 heeft verweerder bij het primaire besluit het recht op de voorziening hulp bij het huishouden in de vorm van een pgb met ingang van 1 januari 2015 beëindigd.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder met aanpassing van de motivering het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft daaraan artikel 2.3.10, eerste lid, aanhef en onder b, d en e, van de Wmo 2015 ten grondslag gelegd en stelt zich - samengevat - op het standpunt dat vaststaat dat eiser over 2015 geen gebruik heeft gemaakt noch gebruik heeft willen maken van de Wmo-voorziening. Verweerder was dus bevoegd om over te gaan tot intrekking van de Wmo-voorziening met ingang van 1 januari 2015. De omstandigheid dat eiser de voorziening ‘slapende’ wenst te houden voor onvoorziene omstandigheden in de toekomst, maakt niet dat verweerder niet in redelijkheid tot intrekking van de voorziening heeft kunnen overgaan. Eiser heeft, volgens verweerder, geen dringende redenen aangevoerd om van de intrekking af te zien.

4. Eiser stelt zich in beroep - samengevat - op het standpunt dat verweerder is verzocht om een echte maatwerkvoorziening, in die zin dat er alleen hulp nodig is als de gezondheid van eisers partner het niet toelaat om huishoudelijk werk te verrichten. Indien het pgb naar de Sociale Verzekeringsbank wordt overgemaakt, is eiser een eigen bijdrage verschuldigd aan het Centraal Administratie Kantoor (CAK) en eiser wil alleen de eigen bijdrage betalen als hij daadwerkelijk gebruik maakt van het pgb.

5. Op grond van artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 beslist het college tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

In artikel 2.3.6, eerste lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat indien de cliënt dit wenst, het college hem een persoonsgebonden budget verstrekt dat de cliënt in staat stelt de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken.

Artikel 2.3.10 van de Wmo 2015 luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

“1. Het college kan een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 herzien dan wel intrekken, indien het college vaststelt dat:

a. (…),

b. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget is aangewezen,

c. (…),

d. de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden,

e. de cliënt de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruikt.

2. Het college bepaalt in de beslissing, bedoeld in het eerste lid, het tijdstip waarop de beslissing in werking treedt.”

6.1.

Eiser heeft in zijn e-mail van 20 augustus 2015 onder meer gesteld dat hij het pgb nog niet heeft gebruikt en dat hij dat vooralsnog ook niet gaat doen. Daarnaast heeft hij gesteld het onredelijk en onacceptabel te vinden dat hij dan toch de volledige eigen bijdrage moet betalen en heeft hij verweerder gevraagd om aan het CAK door te geven dat hij in heel 2015 geen huishoudelijke hulp via de gemeente Lansingerland heeft afgenomen, zodat het CAK gecorrigeerde facturen kan sturen.

6.2.

Gelet op de inhoud van deze e-mail, waarvan eiser ter zitting heeft gezegd dat de bewoordingen misschien wat onverstandig waren, maar waaruit in ieder geval blijkt dat eiser al bijna acht maanden geen gebruik heeft gemaakt van het pgb voor hulp bij het huishouden, was verweerder op grond van artikel 2.3.10, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wmo 2015 bevoegd om tot intrekking van de maatwerkvoorziening over te gaan.

6.3.

Deze bepaling biedt verweerder beleidsruimte. Verweerder dient zijn bevoegdheid uit te oefenen met inachtneming van het geschreven en het ongeschreven recht, daaronder begrepen de in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging. Daarbij moet een afweging worden gemaakt tussen het belang van intrekking van de maatwerkvoorziening en de gevolgen van die intrekking voor eiser.

6.4.

De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder gemaakte belangenafweging niet zodanig onevenwichtig is dat verweerder niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat de door eiser gewenste handelwijze, zoals samengevat onder 4, niet binnen de systematiek van het pgb past, maar dat, indien eiser een nieuwe aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening, verweerder een nieuw onderzoek verricht naar de noodzaak hiervoor en dat dan wordt gekeken naar de situatie op dat moment. Het is dus mogelijk dat, indien de gezondheid van eisers partner het niet toelaat huishoudelijk werk te verrichten, opnieuw een pgb voor hulp bij het huishouden wordt toegekend. Daarbij heeft te gelden dat de indicatie van eiser tussen partijen op zichzelf niet in geschil is. Overigens acht de rechtbank het prijzenswaardig dat eiser geen beroep doet op het pgb en de daarmee gemoeide publieke middelen, tenzij dit echt noodzakelijk is. De rechtbank gaat ervan uit dat, indien eiser een nieuwe aanvraag voor een pgb voor hulp bij het huishouden doet en toekenning hiervan noodzakelijk wordt geacht, ervoor wordt gezorgd dat het pgb spoedig tot uitbetaling komt.

6.5.

Nu verweerder in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot de intrekking van de maatwerkvoorziening op grond van artikel 2.3.10, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wmo 2015, ziet de rechtbank geen aanleiding om de andere intrekkingsgronden die verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, te beoordelen.

7. Onder deze omstandigheden dient het beroep van eiser ongegrond te worden verklaard.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Lunenberg, voorzitter, en mr. H. Bedee en mr. R.H.L. Dallinga, leden, in aanwezigheid van J. van Mazijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.