Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:1878

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-03-2017
Datum publicatie
13-03-2017
Zaaknummer
10/700289-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van bezit/voorhanden hebben van in de woning van de verdachte aangetroffen verdovende middelen en vuurwapens, waarbij de rechtbank geen geloof heeft gehecht aan de eerste ter zitting door de verdachte afgelegde verklaring van onderverhuur van de woning.

Verbeurdverklaring van het in de woning van de verdachte aangetroffen geld.

Vrijspraak van de overige feiten: witwassen en bezit/voorhanden hebben van de in een andere woning, waar de verdachte is aangehouden, aangetroffen verdovende middelen en vuurwapens wegens het ontbreken van bewijs voor beschikkingsmacht van de verdachte over die goederen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/700289-16

Datum uitspraak: 8 maart 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam , meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] , [woonplaats] ,

ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid Oost, locatie Roermond, te Roermond.

Raadsman mr. H. Raza, advocaat te [plaats] .

1 Onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 8 juli 2016, 22 september 2016, 14 december 2016, 14 februari 2017 en 8 maart 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. L.C. Visser heeft gevorderd:

- bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde, voor zover het betreft 7.966,4 gram

heroïne, 11.332,1 gram amfetamine en 587, 2 gram cocaïne;

- bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde, voor zover het betreft 2.350 gram

paracetamol;

- vrijspraak van het onder 4 ten laste gelegde, voor zover het betreft de pistoolmitrailleur

[merk/typenaam] ;

- bewezenverklaring van het onder 3 en het onder 4 overigens ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het onder 5 ten laste gelegde, voor zover het betreft € 48.845,--

aangetroffen in de woning [adres verdachte] ;

- bewezenverklaring van het onder 6 en 7 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar met aftrek

van voorarrest;

- verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 48.845,--.

4 De verdediging

De raadsman heeft algehele vrijspraak bepleit en heeft subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Feiten 5, 6 en 7 met betrekking tot de woning [adres verdachte] (hierna ook: [adres verdachte] )

5.1.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van genoemde feiten bepleit, omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de in de woning aangetroffen goederen zoals ten laste gelegd noch de beschikkingsmacht had over deze goederen. Ook kan telkens niet worden bewezen dat er sprake is van ‘tezamen en in vereniging’ (medeplegen).

De verdachte heeft verklaard (kort samengevat):

- dat hij vanaf 2011 staat ingeschreven op het adres [adres verdachte] ;

- dat hij op [pleegdatum] de officiële huurder was van [adres verdachte] maar dat hij niets wist van

de aanwezigheid van de in woning aangetroffen goederen;

- dat hij de goederen niet kent, dat de goederen niet zijn eigendom zijn en dat hij op 10 mei

2016 niet in de woning is geweest;

- dat hij vanaf 1 mei 2016 de woning voor enkele maanden had onderverhuurd aan

[naam] / [naam] voor € 250,-- per week;

- dat de ‘onderhuurovereenkomst’ mondeling met [naam] / [naam] is gemaakt;

- dat hij de twee enige sleutels van de woning aan [naam] / [naam] heeft gegeven;

- dat hij vanaf 1 tot en met [pleegdatum] niet meer in de woning is geweest;

- dat zijn meubels en persoonlijke spullen (waaronder zijn paspoort) nog in de woning

aanwezig waren;

- dat [naam] / [naam] een lange, donkere Surinaams/Antilliaanse man is van 35/ [kalibermaat 1] jaar;

- dat hij [naam] / [naam] alleen kent uit de buurt, dat hij zijn achternaam niet weet en dat hij niet

weet waar hij woont;

- dat hij met [naam] / [naam] had afgesproken om wekelijks de huur op te komen halen waarbij hij de woning mocht controleren, omdat hij er rekening mee hield dat er mogelijk door [naam] een hennepkwekerij zou worden opgebouwd;

- dat [naam] niet dezelfde persoon is als de [naam] die in het dossier wordt genoemd en dat de [naam] die zijn woning heeft gehuurd ten tijde van de aanhouding niet in woning [adres medeverdachte] aanwezig was.

5.1.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft bewezenverklaring van genoemde feiten gevorderd. Met betrekking tot feit 5 betreft het een geldbedrag van € 48.845,--.

Hij heeft op basis van de feiten en omstandigheden gesteld dat de verdachte op [pleegdatum] de huurder en bewoner was van de woning [adres verdachte] . De politie heeft de verdachte op [pleegdatum] uit [adres medeverdachte] zien komen en de desbetreffende goederen zijn aangetroffen op plaatsen voor alledaags gebruik (het washok, de keuken en de slaapkamer). Zodoende had de verdachte wetenschap en beschikkingsmacht over de in de woning aanwezige goederen. De verklaring van de verdachte acht de officier van justitie ongeloofwaardig.

5.1.3.

Beoordeling

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden vastgesteld.

In woning [adres verdachte] zijn op [pleegdatum] de onder 6 en 7 ten laste gelegde goederen aangetroffen alsmede een deel van het geld zoals onder 5 ten laste is gelegd. De verdovende middelen (feit 6) zijn aangetroffen in het washok. De wapens en de munitie (feit 7) zijn aangetroffen in de keuken en het geld (feit 5) is aangetroffen in de slaapkamer en het washok. Dit zijn plaatsen in een woning die bestemd zijn voor normaal en alledaags gebruik. Daarnaast heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij vanaf 2011 staat ingeschreven op het adres [adres verdachte] en dat hij op [pleegdatum] de officiële huurder was van [adres verdachte] .

Gelet op de vorenstaande feiten en omstandigheden mag van de verdachte een verklaring worden verlangd voor de aanwezigheid van deze goederen in zijn woning.

De verdachte bevindt zich sinds 11 mei 2016 in voorarrest en heeft zich steeds beroepen op het hem toekomende zwijgrecht. Eerst op de terechtzitting van 14 februari 2017 heeft hij een verklaring afgelegd over de situatie van [adres verdachte] op [pleegdatum] en (het ontbreken van) zijn wetenschap met betrekking tot de in deze woning aangetroffen goederen. Het afleggen van een verklaring in een zo laat stadium, hetgeen overigens verdachtes recht is, kan betekenen dat bepaalde feiten en omstandigheden niet meer kunnen worden geverifieerd. Dat risico komt in dat geval geheel en al voor rekening van de verdediging.

De rechtbank is van oordeel dat hetgeen de verdachte heeft verklaard over de (onder)verhuur van zijn woning, zoals hiervoor onder 5.1.1. is weergegeven, vaag, schimmig en onlogisch is en op geen enkele wijze wordt ondersteund of onderbouwd door schriftelijke stukken noch door enige getuigenverklaring(en). Dit maakt dat de verklaring van de verdachte niet verifieerbaar is. De rechtbank acht bovendien niet geloofwaardig dat de verdachte strikt persoonlijke goederen zoals zijn paspoort geruime tijd in de woning heeft achtergelaten bij een huurder van wie hij geen concrete gegevens heeft en die hij zegt niet te vertrouwen omdat deze misschien een hennepkwekerij zou willen beginnen. Daar komt nog bij dat verdachtes verklaring tenminste gedeeltelijk wordt weerlegd door het feit dat op één van de in [adres verdachte] aangetroffen wapens DNA-materiaal van de verdachte is aangetroffen.

De rechtbank acht de verklaring van de verdachte dan ook onaannemelijk en ongeloofwaardig. Niet uitgesloten is dat deze verklaring is afgestemd op de inhoud van het dossier. Een aanwijzing hiervoor is het feit dat de verdachte heeft verklaard dat de ‘ [naam] ’ die zijn woning zou hebben gehuurd een andere [naam] is dan de persoon met dezelfde naam die in relatie tot de activiteiten in en rond de woning [adres medeverdachte] door medeverdachten wordt genoemd, terwijl de raadsman van de verdachte in zijn pleidooi heeft gesteld dat het om dezelfde persoon zou gaan. De rechtbank legt de verklaring van de verdachte dan ook terzijde. Nu de verdachte op [pleegdatum] de huurder was van de woning en niet aannemelijk is geworden dat een ander de gebruiker van de woning was en hij evenmin een andere redelijke verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van de aangetroffen goederen in [adres verdachte] , kan de rechtbank uit alle feiten en omstandigheden niet anders afleiden dan dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van de in [adres verdachte] aangetroffen goederen.

De verdachte had dan ook wetenschap van en opzet op de aanwezigheid van verdovende middelen in de woning (feit 6) en wetenschap van en opzet op het voorhanden hebben van wapens en munitie (feit 7) in de woning. Bovendien had hij als huurder en gebruiker van de woning de beschikkingsmacht over de genoemde goederen.

De rechtbank acht niet bewezen dat er sprake is van medeplegen.

Met betrekking tot feit 5 overweegt de rechtbank dat de verdachte weliswaar het geld heeft verworven en voorhanden heeft gehad en dat het, gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden, aannemelijk is dat het afkomstig is van een door hem zelf gepleegde misdrijf of misdrijven. Echter, niet kan worden vastgesteld dat de verdachte handelingen heeft verricht waardoor hij het geld heeft verhuld/verborgen.

5.1.4.

Conclusie

De onder 6 en 7 ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen.

De verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 5 ten laste gelegde witwassen van het in [adres verdachte] aangetroffen geldbedrag van € 48.845,--.

5.2.

Feiten 1, 2, 3, 4 en 5 met betrekking tot de woning [adres medeverdachte] (hierna ook: [adres medeverdachte] )

5.2.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van genoemde feiten bepleit, omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van noch beschikkingsmacht had over de in de woning aangetroffen goederen zoals ten laste gelegd. Ook kan telkens niet worden bewezen dat er sprake is van medeplegen.

De verdachte heeft verklaard dat hij niets wist van de aanwezigheid van de in woning aangetroffen goederen en dat hij hooguit tien minuten in de woning aanwezig is geweest. Hij kent de goederen niet en deze zijn niet zijn eigendom.

5.2.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft bewezenverklaring van genoemde feiten gevorderd. Hij heeft op basis van de feiten en omstandigheden gesteld dat de verdachte op [pleegdatum] om 16:31 uur vanuit zijn woning [adres verdachte] - waarin naderhand eveneens heroïne, cocaïne, drie vuurwapens met munitie en ruim € 48.000,-- is aangetroffen - naar de woning [adres medeverdachte] is gelopen en dat de verdachte samen met de medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] tot 20:25 uur (het tijdstip van binnentreden door de politie) in de woning aanwezig is geweest. In die periode zijn er vier Franse drugstoeristen in de woning geweest. Twee van hen zijn later aangehouden en daarbij bleek dat zij ruim 200 gram heroïne en ruim 5 gram cocaïne in bezit hadden (feit 3). Zodoende kan het niet anders dan dat de verdachten wetenschap van en beschikkingsmacht hadden over de in de woning aanwezige goederen.

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor het onder feit 4 tenlastegelegde voorhanden hebben van een pistoolmitrailleur [merk/typenaam] en het onder feit 5 tenlastegelegde witwassen van het in de [adres medeverdachte] aangetroffen geldbedrag (€ 13.845,--).

5.2.3.

Beoordeling

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het voorhanden hebben van de onder feit 4 ten laste gelegde pistoolmitrailleur [merk/typenaam] (met bijbehorende munitie) en het onder 5 ten laste gelegde met betrekking tot [adres medeverdachte] aangetroffen geldbedrag (€ 13.845,--) niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

Voorts heeft de rechtbank op grond van het onderzoek ter terechtzitting de navolgende feiten en omstandigheden vastgesteld.

Vanaf 11 februari 2016 tot aan [pleegdatum] heeft de politie in totaal tienmaal waarnemingen verricht bij een appartementencomplex aan het [straatnaam] in [plaats] . Aanvankelijk concentreren de waarnemingen zich op de woning op nummer [huisnummer 1] , maar later komen ook de woningen met de nummers [huisnummer 2] en [huisnummer 3] in beeld. Gedurende die waarnemingen komt de politie niet alleen tot de conclusie dat er sprake is van een verdenking ter zake van handel in verdovende middelen maar komt zij ook steeds meer tot de conclusie dat er een zeker verband bestaat tussen de woningen met voornoemde nummers, omdat er veelvuldig personen met tassen heen en weer lopen tussen genoemde woningen waarbij soms gebruik wordt gemaakt van een sleutel van de woningen.

Op [pleegdatum] om 20:25 uur heeft de politie de [adres medeverdachte] betreden. De politie heeft daarbij geconstateerd dat de verdachte uit een kamer kwam, die men later de versnijdingsruimte is gaan noemen, omdat aldaar heroïne, bijna zeven kilo versnijdingsmiddel, verpakkingsmateriaal en bewerkingsmateriaal is aangetroffen.

In de woning zijn, naast de verdachte en de twee genoemde medeverdachten, nog drie personen aangehouden waaronder twee Fransmannen. In de woning zijn vervolgens de volgende goederen aangetroffen: hoeveelheden verdovende middelen (feit 1), een hoeveelheid versnijdingsmiddel (feit 2), twee wapens met bijbehorende munitie (feit 4) en een geldbedrag van € 13.845,-- (feit 5). Daarnaast is er een aan [adres medeverdachte] te relateren hoeveelheid verdovende middelen (feit 3) aangetroffen.

De verdachte heeft ter terechtzitting onder meer verklaard dat hij hooguit 10 minuten voor de inval van de politie de woning is binnen gegaan. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de politie (dossierpagina’s 274-290) blijkt echter dat er tussen 19:34 en 20:25 uur niemand de [adres medeverdachte] is binnen gegaan noch deze heeft verlaten. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de verklaring van de verdachte betwist en de waarnemingen in voornoemd proces-verbaal onderschreven. Hij heeft gesteld dat ter voorbereiding op een dergelijke politie-inval de desbetreffende woning en de omgeving daarvan tenminste een half uur daarvoor zorgvuldig worden gemonitord en vrijwel worden afgegrendeld ter beveiliging van de betrokken politieambtenaren en ter voorkoming van andere onverwachte situaties.

De rechtbank acht de verklaring van de verdachte hooguit 10 minuten in de woning met nummer [huisnummer 2] is geweest dan ook ongeloofwaardig en zij legt deze terzijde.

Uit de hiervoor door haar vastgestelde feiten en omstandigheden kan de rechtbank - mede gelet op de hiervoor door haar vastgestelde feiten en omstandigheden met betrekking tot de [adres verdachte] - niet anders afleiden dan dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van de in [adres medeverdachte] aangetroffen goederen (verdovende middelen (feiten 1 en 3), versnijdingsmiddel (feit 2) en wapens en munitie (feit 4)). De verdachte had dan ook wetenschap van en opzet op de aanwezigheid van deze goederen.

Vervolgens resteert de vraag of de verdachte ook de beschikkingsmacht had over de aangetroffen goederen.

Op grond van de hiervoor door haar vastgestelde feiten en omstandigheden heeft de rechtbank dit niet kunnen vaststellen. Uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen blijkt namelijk niet dat de verdachte met deze goederen handelingen heeft verricht waaruit die beschikkingsmacht is gebleken.

5.2.4.

Conclusie

De verdachte zal worden vrijgesproken van de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten.

De verdachte zal eveneens worden vrijgesproken van het onder 5 ten laste gelegde met betrekking tot het in [adres medeverdachte] aangetroffen geldbedrag van € 13.845,--.

5.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

6.

hij

op [pleegdatum] te [pleegplaats 1] , in een woning gelegen aan

[adres verdachte] ,

opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 10425,1 gram van een materiaal

bevattende heroïne, zijnde heroïne en

936,3 gram van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne

middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I ;

7.

hij

op [pleegdatum] te [plaats]

in een pand/woning gelegen aan [adres verdachte] ,

drie vuurwapens in de zin van artikel 1 onder 3°, gelet

op artikel 2 lid 1 van Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te

weten

pistolen

- merk: [merknaam 1] , type: [typenummer] , kaliber: . [kalibermaat 1] en

- merk: [merknaam 2] , model: [modelnaam 1] , kaliber: [kalibermaat 2] en

- merk: [merknaam 3] , model: [modelnaam 2] , kaliber: [kalibermaat 3]

en

voor die vuurwapens geschikte

munitie in de zin van artikel 1 onder 4°, gelet op artikel 2 lid 2 van

Categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten

- 6 kogelpatronen (merk: . [kalibermaat 1] [type] , kaliber: . [kalibermaat 1] ) en

- 7 kogelpatronen (kaliber: [kalibermaat 2] ) en

- 13 kogelpatronen (kaliber: [kalibermaat 3] ) en

- 11 kogelpatronen (kaliber: . [kalibermaat 1] [type] )

voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

6 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

6 OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET HET IN ARTIKEL 2, ONDER C, VAN DE OPIUMWET, GEGEVEN VERBOD, MEERMALEN GEPLEEGD

7 De voortgezette handeling van:

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE EN HET FEIT BEGAAN MET BETREKKING TOT EEN VUURWAPEN VAN CATEGORIE III, MEERMALEN GEPLEEGD

en

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE, MEERMALEN GEPLEEGD.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

7 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering straf

8.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden en de draagkracht van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

8.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

Uitgaande van de tenlastelegging en de bewezenverklaring heeft de verdachte in zijn woning ruim 11 kilo harddrugs en drie geladen pistolen en daarvoor geschikte munitie aanwezig/voorhanden gehad. De rechtbank heeft echter op basis van de bewijsmiddelen vastgesteld dat er sprake was van ruim 15 kilo harddrugs in de woning van de verdachte. De combinatie van vuurwapens in een drugsomgeving past in het beeld dat de verdachte actief was in de drugshandel en dat hij zijn handel wilde beschermen.

Het plegen van dergelijke strafbare handelingen, die overduidelijk bedoeld waren ter verkoop van de verdovende middelen, zijn bijzonder afkeurenswaardig. Harddrugs zijn uitermate schadelijk voor de gezondheid. Bovendien is het algemeen bekend dat het gebruik van verdovende middelen een onaanvaardbaar gevaar oplevert voor de volksgezondheid in het algemeen en dat dit direct en indirect oorzaak is van vele vormen van criminaliteit. De verdachte heeft door zijn handelen aangezet tot het in standhouden en verder uitbreiden van de hieraan verwante maatschappelijke problemen. Het heeft er alle schijn van dat de verdachte slechts uit was op financieel gewin.

Een geladen vuurwapen kan ook worden gebruikt voor en bij diverse soorten andere criminaliteit. In de samenleving veroorzaakt een dergelijk feit dan ook gevoelens van angst, onrust en onveiligheid. Het voorhanden hebben van wapens moet dan ook worden uitgebannen en ontmoedigd. De rechtbank tilt zodoende zwaar aan een dergelijk feit en zij rekent het de verdachte zwaar aan, te meer nu hij meerdere vuurwapens met bijbehorende munitie in zijn woning aanwezig had.

Dergelijke feiten moeten consequent worden bestreden en aangepakt en daartegen moet streng worden opgetreden.

8.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

8.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 januari 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

8.3.2.

Rapportages

De reclasseringsinstellingen hebben niet gerapporteerd over de verdachte.

8.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Alles afwegend worden de hierna te noemen straffen, waaronder de hieronder besproken verbeurdverklaringen, passend en geboden geacht.

9 In beslag genomen voorwerpen

9.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd het in de woning van de verdachte aangetroffen en beslag genomen geldbedrag van € 48.845,-- verbeurd te verklaren.

9.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich hierover niet uitgelaten.

9.3.

Beoordeling

De verdachte heeft verklaard dat het in [adres medeverdachte] inbeslaggenomen geldbedrag van

€ 48.845,-- niet aan hem toebehoort.

Gelet op de eerder door haar aangehaalde en vastgestelde feiten en omstandigheden acht de rechtbank deze verklaring van de verdachte niet aannemelijk. De aanwezigheid van een handelshoeveelheid harddrugs, vuurwapens en een grote hoeveelheid contant geld in de woning van de verdachte, terwijl gesteld noch gebleken is dat het geld afkomstig is uit de verdiensten van de verdachte als automonteur, duidt er op dat dit geld verband houdt met de handel in verdovende middelen. De rechtbank concludeert dan ook dat uit voornoemde feiten en omstandigheden genoegzaam blijkt dat het geld aan de verdachte toebehoort en dat het geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van strafbare feiten is verkregen.

Nu ook sprake is van een veroordeling van de verdachte voor strafbare feiten is daarmee voldaan aan de wettelijke vereisten en zal het geldbedrag verbeurd worden verklaard.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikel 33, 33a, 56 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 6 en 7 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaar en 6 (zes) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart verbeurd als bijkomende straf: een geldbedrag van in totaal € 48.845,--.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. Verweij, voorzitter,

en mr. I.W.M. Laurijssens en mr. C.M.A.T. van der Geest, rechters,

in tegenwoordigheid van A. Gaal, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij

op of omstreeks [pleegdatum] te [pleegplaats 1] , in een woning gelegen aan

[adres medeverdachte] ,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 11332.2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende heroine en/of 11223,1 gram, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende amfetamine en/of 587,2 gram, in elk geval een hoeveelheid

van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroine en/of amfetamine en/of

cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst

I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij

op of omstreeks [pleegdatum] te [pleegplaats 1] in een woning gelegen aan

[adres medeverdachte] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken,

verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van

Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroine,

zijnde heroine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor

te bereiden en/of te bevorderen 6.806,6 gram versnijdingsmiddel, te weten

paracetamol, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes

mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die

bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

3.

hij

op of omstreeks [pleegdatum] te [pleegplaats 1]

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

ongeveer 219,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaine en/of 5,6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaine en /of heroïne (telkens) een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij

op of omstreeks [pleegdatum] te [pleegplaats 1]

in een pand gelegen aan [adres medeverdachte] ,

tezamen en in verening met (een) ander(en), althans alleen

een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1 van

Categorie II onder 2 en 3 van de Wet wapens en munitie, te weten een

pistoolmitrailleur (merk: [merk/typenaam] , kleur: zwart, kaliber: [kalibermaat 3] kort)

en/of

(voor dat vuurwapen geschikte)

munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van

categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 14 kogelpatronen

(merk: [merknaam 4] , kaliber: [kalibermaat 3] kort),

en/of

een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1 van

Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool,

(merk: [merknaam 1] , model: [typenummer] , kaliber: . [kalibermaat 1])

en/of

(voor dat vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet

op artikel 2 lid 2 van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 10

kogelpatronen, kaliber: . [kalibermaat 1]

voorhanden heeft gehad;

5.

hij

op of omstreeks [pleegdatum] , te [pleegplaats 1] ,

althans in Nederland, een of meer geldbedragen

(totaalbedrag: ongeveer 60.000 euro), heeft verworven, voorhanden gehad,

terwijl hij wist dat dit/deze geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk -

onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig(e)

misdrijf/misdrijven;

6.

hij

op of omstreeks [pleegdatum] te [pleegplaats 1] , in een woning gelegen aan

[adres verdachte] ,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 10425,1 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende heroine, zijnde heroine en/of

ongeveer 936,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaine, zijnde cocaine

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

7.

hij

op of omstreeks [pleegdatum] te [pleegplaats 1]

in een pand/woning gelegen aan [adres verdachte] ,

tezamen en in verening met (een) ander(en), althans alleen

drie, althans een of meer vuurwapen(s) in de zin van artikel 1 onder 3, gelet

op artikel 2 lid 1 van Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te

weten

(een) pisto(o)l(en)

- merk: [merknaam 1] , type: [typenummer] , kaliber: . [kalibermaat 1] en/of

- merk: [merknaam 2] , model: [modelnaam 1] , kaliber: [kalibermaat 2] en/of

- merk: [merknaam 3] , model: [modelnaam 2] , kaliber: [kalibermaat 3]

en/of

(voor dat/die vuurwapen(s) geschikte)

munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van

Categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten

- 6 kogelpatronen (merk: . [kalibermaat 1] [type] , kaliber: . [kalibermaat 1] ) en/of

- 7 kogelpatronen (kaliber: [kalibermaat 2] ) en/of

- 13 kogelpatronen (kaliber: [kalibermaat 3] )

- 11 kogelpatronen (kaliber: . [kalibermaat 1] [type])

voorhanden heeft gehad.