Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:1853

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-03-2017
Datum publicatie
10-03-2017
Zaaknummer
521445-7-8-9 / HA RK 17-150-1-2-3
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoeken afgewezen. Derde tranche van wrakingsverzoeken in de mega "Doussie" (zie ook ECLI:NL:RBROT:2016:10180 en 10183). Geen grond voor wraking in de processuele beslissingen van de rechters tot afwijzing van de verzoeken tot het doen verrichten van nader onderzoek naar de start van het onderzoek Hulst en tot het horen van de persoon aangeduid als [naam] en van een Colombiaanse officier van justitie en een Colombiaanse recherche-functionaris. Geen onbegrijpelijke beslissingen, laat staan zozeer onbegrijpelijk dat daarvoor geen andere verklaring is te geven dan dat die beslissingen door vooringenomenheid zijn ingegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummers / rekestnummers: 521445-7-8-9 / HA RK 17-150-1-2-3

Beslissing van 10 maart 2017

op het verzoek van

[naam verzoeker 1] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres],

raadsman mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen

en

[naam verzoeker 2] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres],

raadsman mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht

en

[naam verzoeker 3] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

raadsman mr. E. Manders, advocaat te Rotterdam

en

[naam verzoeker 4] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in een bij de rechtbank bekende penitentiaire inrichting,

raadsman mr. J-H.L.C.M. Kuijpers, advocaat te Amsterdam,

hierna gezamenlijk aan te duiden als: verzoekers,

strekkende tot wraking van:

mr. W.L. van der Bijl-de Jong, mr. J.J. Bade en mr. C. Laukens, rechters in de rechtbank Rotterdam, team straf 2 (hierna: de rechters).

1 Het procesverloop en de processtukken

1.1.

Ter terechtzitting van 20 februari 2017 van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, van welke kamer de rechters deel uitmaken, is de behandeling van de tegen verzoekers aanhangig gemaakte strafzaken voortgezet.

Die strafzaken dragen als parketnummer 10/750083-14, 10/750073-15, 10/750203-15 respectievelijk 10/750163-14.

Bij die gelegenheid hebben de rechters een aantal beslissingen uitgesproken ten aanzien van door verzoekers gedane verzoeken tot (nader) onderzoek.

Deze beslissingen houden onder meer het volgende in:

“…….

Dossier België

De rechtbank heeft naar aanleiding van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht

nader onderzoek laten doen naar de omstandigheden rond de controle en het aantreffen in

een container van 300 kg cocaïne op 9 december 2013. Eén en ander in het licht van de stelling van de verdediging dat de start van het onderzoek Hulst onjuist is gerelateerd in het

dossier Huist. Nader omschreven betreft dit de vraag of inderdaad sprake was van een

toevallige vondst dan wel van voorinformatie die ten onrechte niet in het dossier is

gerelateerd.

Kort gezegd heeft de rechtbank via de officier van justitie een proces-verbaal van bevindingen ontvangen van de Rotterdamse recherche met daarbij het gedeelte van het

dossier Touw dat betrekking heeft op deze vondst. In het dossier is geen informatie aangetroffen die betrekking heeft op de verdachten in het onderzoek Doussie en zitten geen

processen-verbaal van de Nederlandse autoriteiten waarin vaststellingen zijn gerelateerd

inzake de in beslagname van de cocaïne.

Voorts is in een proces-verbaal met bevindingen ten aanzien van het traject dat is voorafgegaan aan de beslissing om de betreffende container te laten scannen gerelateerd, dat

de gebruikelijke risicoanalyse is uitgevoerd door het douanesysteem Prisma.

De politie heeft ook gesproken met degene die indertijd op de afdeling pre-arrival de

container in behandeling heeft genomen. Diegene kan zich niet meer herinneren of hij voor

deze container specifieke informatie heeft ontvangen, maar dat lijkt hem niet waarschijnlijk.

Als dat het geval was geweest had hij de container niet voor de scan geselecteerd, maar zou

hij een zwaarder controlemiddel hebben ingezet.

In het proces-verbaal dat door het zogeheten HARC-team is opgemaakt is gerelateerd dat de

container niet door medewerkers van het HARC-team voor controle is geselecteerd, maar op

basis van risicoprofilering door de afdeling pre-arrival en dat er geen tip of andere vorm van

externe informatie is geweest die heeft geleid tot de controle van de container.

Tot slot is er een aanvullend proces-verbaal opgemaakt, waarin is vermeld dat het aantreffen

van de 300 kg spontaan met de Belgen is gedeeld op basis van politie-politie informatie.

De verdediging heeft te kennen gegeven de nog openstaande verzoeken te willen handhaven

en zij heeft in aanvulling daarop ter zitting van 14 februari 2017 verzocht om het horen van

de veroordeelden in de zaak Touw, te weten [naam] en [naam]

.

Daarnaast heeft mr. Schuurman verzocht om een lijst met de namen van alle betrokkenen in

het onderzoek Touw en de resultaten van de internettaps bij Fruit Forces in de periode

voorafgaand aan en na 9 december 2013 en heeft mr. Manders verzocht om het complete

dossier Touw, zodat de verdediging daar zelf een zoekslag kan maken.

Ter onderbouwing van deze (herhaalde) verzoeken heeft de verdediging een aantal vermoedens geuit omtrent een mogelijke andere gang van zaken dan in de verschillende

processen-verbaal door diverse beëdigde opsporingsambtenaren is gerelateerd.

De verdediging heeft deze vermoedens niet nader met concrete gegevens onderbouwd.

De rechtbank ziet op dit moment dan ook geen begin van aannemelijkheid dat hetgeen door

de politie en het HARC-team is geverbaliseerd met betrekking tot het aantreffen van de

300 kg cocaïne en de start van het onderzoek Hulst, onjuist zou zijn.

Ook het stuk in de Spaanse taal dat ter zitting van 9 januari 2017 zonder enige nadere

duiding door de raadsman van de verdachte [naam verzoeker 4] aan de rechtbank is overhandigd en

ter zitting van 14 februari 2017 nogmaals door mr. De Leon, kan niet bijdragen aan de

onderbouwing van de stellingen van de verdediging op dit punt, reeds nu de authenticiteit

van dit stuk, de herkomst of de status ervan op geen enkele wijze is gebleken.

De rechtbank merkt bovendien op dat van de zijde van mr. Kuijpers geen andere schriftelijke informatie van “[X]” is overgelegd of doen overleggen die enige bevestiging

van de echtheid of betekenis van dit stuk zou kunnen bieden.

De rechtbank ziet op dit moment dan ook geen aanleiding meer om nog verder onderzoek te

doen naar de start van het onderzoek en wijst thans de navolgende verzoeken af:

  • -

    verstrekking van alle informatie uit de opsporing systemen alhier te lande zoals die op 9 december 2013 bekend was over de container met de 300 kg zoals die op de MSC Geneva is onderschept;

  • -

    het horen van TCI chef [naam];

  • -

    het horen van de teamleiders onderzoeken Hulst, Fokkemaat, Doussie, Fichte en [naam];

  • -

    het horen van de (fungerend) team leider van het Harc team, te weten [naam] en/of [naam] op 9 december 2013;

  • -

    het horen van medewerkers van de afdeling pre-arrival die de container hebben geselecteerd voor de scan;

  • -

    het horen van de Belgische onderzoeksleider (Touw), tactisch;

  • -

    het horen van de Belgische procureur des konings inzake Touw;

  • -

    het horen van de officieren van justitie mrs. Spierenburg en Geldermans;

  • -

    het horen van [naam];

  • -

    het horen van (voormalig) TCI officier van justitie mr. Pols;

  • -

    het horen van [naam];

  • -

    verstrekking van de resultaten van de internettap op het IP adres van Fruit Forces.

De rechtbank ziet evenmin aanleiding de in België veroordeelde personen als getuige te horen, nu uit het hiervoor genoemde onderzoek genoegzaam blijkt dat de verdachten in

onderzoek Doussie in het geheel niet voorkomen in het dossier Touw (ook niet in

verklaringen van de veroordeelde personen) en wijst ook dit verzoek af.

Gelet op voornoemde omstandigheid ziet de rechtbank geen aanleiding om het complete

dossier Touw aan de verdediging beschikbaar te stellen en wordt ook dit verzoek

afgewezen.

Tot slot wijst de rechtbank gezien het voorgaande het verzoek af om een lijst met de namen

van alle betrokkenen in het onderzoek Touw en - zo die er al zouden zijn - de resultaten van

de internettaps bij Fruit Forces in de periode voorafgaand aan en na 9 december 2013.

“[X]”

Ter terechtzitting van 14 februari 2017 heeft de verdediging het verzoek om “[X]” te horen

gehandhaafd en daarnaast verzocht om het horen van de heer [naam]

, fiscal Seccional E.D.A. Barranquilla, officier van justitie te Barranquilla (Colombia)

en de heer [naam], recherchefunctionaris aldaar.

Deze personen hebben zich, naar zeggen van de raadsman van de verdachte [naam verzoeker 4],

middels “[X]” bereid getoond om als getuige te fungeren in relatie tot hetgeen hen door

“[X]” is meegedeeld omtrent het doorlaten van die cocaïne transporten onder regie van de

DEA/TCI in het algemeen en meer specifiek in relatie tot een of meer aan de verdachten

tenlastegelegde containers met drugs.

De rechtbank constateert dat er, ondanks de toezeggingen van mr. Kuijpers en herhaalde

verzoeken dan wel aanmaning daartoe door de rechtbank, door mr. Kuijpers geen enkel

relevant stuk afkomstig van “[X]” is ingebracht, waarmee zijn stelling wordt onderbouwd

dat er sprake is van het op grote schaal gecontroleerd doorlaten van containers met drugs, of

waaruit zou blijken dat de Nederlandse opsporingsautoriteiten tevoren precies op de hoogte

waren van de komst van de container met de 300 kg cocaïne, waarmee het onderzoek Hulst

is begonnen.

Eerst na afloop van de zitting van 14 februari 2017 heeft mr. Kuijpers een pdf document aan

de rechtbank gemaild, waarvan hij stelt dat dit een weerslag is van WhatsApp contacten tussen hem en “[X]”. Uit die gestelde app-berichten blijkt niet wie daaraan deelnamen,

noch op welke data de berichten werden uitgewisseld. Los daarvan blijkt uit de inhoud van

de apps niets wat ter onderbouwing zou kunnen dienen van voornoemde stellingen.

Ook het Spaanstalige stuk kan - zoals de rechtbank hiervoor al heeft opgemerkt - niet dienen ter onderbouwing van enige stelling van de verdediging.

Datzelfde geldt voor de brief die de rechtbank op 19 januari 2017 van de raadsman van “[X]” mr. Franken heeft ontvangen, en die op 17 februari 2017 nogmaals door mr. Kuijpers

aan de rechtbank is toegezonden. Stukken waaruit de juistheid van de beweringen van

“[X]” zou kunnen blijken zijn daarbij niet overgelegd.

De rechtbank zal voldoen aan het verzoek van de verdediging en de brief toevoegen aan het

dossier.

Daar staat tegenover dat de rechter-commissaris op verzoek van de rechtbank onderzoek

heeft gedaan naar de contacten tussen TCI en “[X]”, waarvoor de rechter-commissaris

inzage heeft gekregen in de zogenoemde bruto’s van TCI.

De rechter-commissaris heeft een proces-verbaal opgemaakt omtrent zijn bevindingen en

daaruit blijkt - kort gezegd - dat “[X]” ook aan TCI geen enkele concrete informatie heeft verstrekt aangaande cocaïne transporten naar de Rotterdamse haven, dan wel over doorlatingen van containers. Voorts blijkt daaruit dat TCI “[X]” in het verleden al

meermalen als onbetrouwbare informant heeft uitgeschreven en dat TCI hem nu weer als

onbetrouwbaar heeft gekwalificeerd. Inmiddels is hij kennelijk op een zwarte lijst geplaatst.

Gelet op het uitblijven van enige nadere onderbouwing door de verdediging en gezien de

bevindingen van de rechter-commissaris omtrent “[X]”, ziet de rechtbank geen belang bij

het horen van hem als getuige, noch bij het horen van enige in Colombia werkzame en door

deze “[X]” aangedragen functionaris. De rechtbank wijst de verzoeken daartoe dan ook af.

Met betrekking tot de geluidsopnamen van de gesprekken tussen “[X]” en de verdachte

[naam verzoeker 4] die naar buiten gebracht zijn zal getuige [Y] nog worden gehoord door

de rechter-commissaris. De rechtbank is van mening dat dit, gelet op het onderwerp waar dit

verhoor op ziet, op dit moment niet in de weg staat aan het nu reeds nemen van deze

beslissingen.

…….”

1.2.

Bij brief van 21 februari 2017 hebben verzoekers de wraking van de rechters verzocht.

1.3.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    de processen-verbaal van de terechtzittingen van de meervoudige strafkamer, gehouden in de zaken tegen verzoekers als verdachte op 5 december 2016, 14 december 2016, 20 december 2016, 9 januari 2017 en 14 februari 2017;

  • -

    de beslissingen van de rechters op onderzoekswensen van verzoekers, uitgesproken ter terechtzitting van 20 december 2016 en 20 februari 2017;

  • -

    de brief van mr. A.A. Franken aan rechter mr. W.L. van der Bijl-de Jong, gedateerd 19 januari 2017

  • -

    de brief van rechter mr. W.L. van der Bijl-de Jong aan mr. J-H.L.C.M. Kuijpers, gedateerd 26 januari 2017;

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen van rechter-commissaris in strafzaken mr. J.B. Smits, gedateerd 23 januari 2017;

  • -

    de brief van de officier van justitie aan de meervoudige strafkamer, gedateerd 3 februari 2017, met als bijlage het aanvullend proces-verbaal nummer PL17-R1-641/2014 van 2 februari 2017;

  • -

    de brief van de officier van justitie aan de meervoudige strafkamer, gedateerd 10 februari 2017;

  • -

    het e-mailbericht van mr. J-H.L.C.M. Kuijpers aan de griffier van de meervoudige strafkamer, gedateerd 15 februari 2017, met bijlage.

1.4.

Verzoekers, hun raadslieden, de rechters, alsmede de officieren van justitie mr. M. van Solingen en mr. E. Ahbata zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechters zijn in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechters hebben van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

1.5.

Ter zitting van 8 maart 2017, alwaar het wrakingsverzoek is behandeld, zijn verschenen:

  • -

    de verzoekers [naam verzoeker 1], [naam verzoeker 3] en [naam verzoeker 2];

  • -

    de raadslieden van verzoekers [naam verzoeker 4] en [naam verzoeker 1], waarbij deze advocaten tevens het woord hebben gevoerd namens de raadslieden van verzoekers [naam verzoeker 3] en [naam verzoeker 2],

  • -

    rechters mr. Van der Bijl-de Jong en mr. Laukens voornoemd,

  • -

    officier van justitie mr. M. van Solingen.

Zij hebben allen hun standpunt nader toegelicht, waarbij:

  • -

    mr. Van der Bijl-de Jong het woord heeft gevoerd namens de rechters overeenkomstig de door haar voorgedragen en overgelegde schriftelijke opmerkingen en

  • -

    verzoeker [naam verzoeker 3] het woord heeft gevoerd overeenkomstig het door hem overgelegde schriftelijke stuk,

welke beide stukken zijn gehecht aan het proces-verbaal van de zitting van de wrakingskamer en daarvan deel uitmaken.

1.6.

Behalve de hiervoor genoemde stukken heeft de wrakingskamer voorts nog kennis genomen van de brief met bijlagen van rechter mr. W.L. van der Bijl-de Jong aan de wrakingskamer, gedateerd 1 maart 2017.

2 Het verzoek en de reactie daarop

2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek hebben verzoekers het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

2.1.1.

Verzoekers menen dat aan de hand van feiten en omstandigheden, blijkend uit de beslissing van de rechtbank van 20 februari 2017 op de onderzoekswensen van de verdediging, de schijn van partijdigheid van de rechtbank is gewekt. Deze feiten en omstandigheden wijzen namelijk op vooringenomenheid bij de rechtbank.

Het afwijzen van verzoeken van de verdediging vormt in het algemeen geen grond voor wraking. Echter, vrees voor vooringenomenheid kan objectief gerechtvaardigd zijn als in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval de rechter een beslissing heeft genomen die zo onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid van de rechter is ingegeven.’

Naar het oordeel van verzoekers is de vrees van vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd in het licht van de motivering van de hierna te bespreken beslissing van de rechtbank, gedaan naar aanleiding van de ingediende onderzoekswensen van de verdediging,

2.1.2. Dossier België

De rechtbank heeft bij de afwijzing van de onderzoekswensen met betrekking tot dossier België overwogen dat de rechtbank op dit moment geen begin van aannemelijkheid ziet dat hetgeen door de politie en het HARC-team is geverbaliseerd met betrekking tot het aantreffen van de 300 kilogram cocaïne en de start van het onderzoek Hulst, onjuist zou zijn. Verzoekers menen echter dat het begin van aannemelijkheid reeds was aangenomen door de rechtbank en dat dit blijkt uit het rechtshulpverzoek dat is gedaan aan de Belgen naar aanleiding van de zitting in december 2016.

De rechtbank negeert daarnaast het vonnis van de strafzaak in België. Tevens negeert de rechtbank dat het HARC-team op 10 december 2013 zelf van mening was dat er bij de inbeslaggenomen 300 kilogram cocaïne sprake was van een levering door de Belgische verdachten aan het bedrijf Fruit Forces. Vaststaat dat hoewel het HARC-team wel direct een melding hierover doet aan de Belgen, hierover niets wordt opgemerkt in het eigen proces-verbaal in dossier Fokkemaat.

Voorts is het onbegrijpelijk dat het Spaanstalige stuk dat via “NN [X]” in het bezit is gekomen van mr. Kuijpers en door mr. Kuijpers en later door mr. De Leon aan de rechters de door de verdediging geschetste gang van zaken bevestigt, maar dat de rechters dit afdoen met de opmerking dat er geen begin van aannemelijkheid is voor de onjuistheid van hetgeen de politie en het HARC-team hebben geverbaliseerd en dat de authenticiteit, herkomst en status van het stuk op geen enkele wijze is gebleken. Dit terwijl in het Spaanstalige stuk een proces-verbaal nummer is opgenomen en er een journalist is geweest die in Colombia het verhaal heeft geverifieerd en met de betrokken functionarissen de heren [naam] en [naam] heeft gesproken. De volledige namen van de heer [naam], alsmede zijn functie etcetera zijn daarnaast ook in het stuk opgenomen. De gegevens van [naam] en [naam] zijn derhalve bekend bij de rechtbank en volgens mr. Kuijpers hebben zij zich via “NN [X]” bereid verklaard om een verklaring af te leggen.

De verdediging wil bij pleidooi betogen dat de relatering van de start van het onderzoek niet juist is. De rechtbank heeft door de afwijzing van alle onderzoekswensen in dossier België daar reeds nu echter al een beslissing op genomen terwijl de verdediging nog verder handen en voeten aan het pleidooi wenst te geven door onder andere het horen van betrokken personen.

Uit het voorgaande blijkt naar mening van verzoekers dat er voldoende gegevens door de verdediging zijn aangeleverd waarnaar aanvullend onderzoek door de rechtbank dient te worden gedaan. Het begin van aannemelijkheid is eerder al aangenomen en zou tevens gegeven moeten zijn aan de hand van het ingediende Spaanstalige stuk. De autoriteiten in Colombia kunnen hier simpelweg naar worden bevraagd.

Uit de beslissing van de rechtbank blijkt echter dat de rechtbank de daadwerkelijke gang van zaken kennelijk niet wil weten. De rechtbank verifieert niet eens of het Spaanstalige stuk authentiek is. Het OM heeft daarnaast nooit beweerd dat het stuk niet authentiek is. De rechtbank heeft de uiteindelijke beslissing kennelijk al genomen. Dit duidt op vooringenomenheid.

De vrees van vooringenomenheid is dan ook objectief gerechtvaardigd nu in het licht van voornoemde feiten en omstandigheden de rechter een beslissing heeft genomen die zo onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid van de rechter is ingegeven.

2.1.3. “[X]”

De beslissing om niet tot het horen van “NN [X]” over te gaan is, naast hetgeen hiervoor besproken is met betrekking tot het Spaanstalige stuk (hetgeen de verdediging verzoekt hier herhaald en ingelast te beschouwen), door de rechters mede genomen op grond van stukken waar de verdediging geen kennis van heeft kunnen nemen en niet op heeft kunnen reageren. Terwijl de rechters deze stukken wel heeft bestudeerd en beoordeeld.

Het gaat hier om stukken die door mr. Kuijpers zijn ingediend waarop Whatsapp contacten tussen hem en “NN [X]” te lezen zouden zijn. Daarnaast gaat het om een brief die de raadsman van “NN [X], mr. Franken, op 19 januari 2017 naar uw rechtbank zou hebben gestuurd.

De rechtbank achtte hetgeen de verdediging eventueel wenste op te merken over de stukken van mr. Kuijpers en de brief van mr. Franken kennelijk niet relevant. Verzoekers menen dan ook dat aan de hand van voornoemde feiten en omstandigheden de vrees van vooringenomenheid derhalve objectief gerechtvaardigd is.

2.2

De rechters hebben niet in de wraking berust.

De rechters bestrijden deels de feitelijke grondslag van het verzoek en hebben overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking van de rechter kan opleveren. Daarbij is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

2.2.1.

Wat betreft de omvang van het onderzoek en de stand waarin het zich bevindt: het requisitoir is achter de rug en in de zaak van één van de verzoekers heeft het pleidooi plaats gevonden. Daarna hebben zich nieuwe ontwikkelingen voorgedaan. Een en ander was aanleiding voor de rechters om de zaak toch weer aan te houden en de verdediging ruim in de gelegenheid te stellen daarop te reageren en eventueel nog weer nieuwe onderzoekswensen in te dienen.

2.2.2. Dossier België

Anders dan wordt gesteld hebben de rechters in hun tussenbeslissing van 20 december 2016, in hetgeen toen door de verdediging omtrent de start van het onderzoek ‘Hulst’ naar voren heeft gebracht geen begin van aannemelijkheid van de juistheid van de stellingen gezien, maar geoordeeld dat er aanleiding was om daar nader onderzoek naar te laten doen.

De rechters verwijzen daarvoor naar de betreffende tussenbeslissing.

De rechters hebben vervolgens uitgebreid onderzoek laten doen naar de start van het

onderzoek ‘Hulst”. Met dit onderzoek is antwoord gegeven op enkele onduidelijkheden die

hieromtrent bij de rechters leefden en de uitkomst ervan heeft geen nadere onderbouwing

gegeven voor de stelling van de verdediging dat er in deze zaak - al dan niet bewust - onjuist

zou zijn gerelateerd over het waarom en hoe de controle van een container met 300 kilogram cocaïne in december 2013 heeft plaatsgevonden.

De conclusie van de rechters dat er geen begin van aannemelijkheid is voor de juistheid van de stellingen van de verdediging volgt hier logischerwijs uit en er valt dan ook niet in te zien dat deze conclusie dermate onbegrijpelijk zou zijn, dat hieruit niet anders kan worden afgeleid dan dat de rechters vooringenomen zou zijn.

2.2.3. Door mr. Kuijpers en later door mr. De Leon overgelegd een geschrift in de Spaanse taal.

De gang van zaken hieromtrent is terug te lezen in de processen-verbaal van de betreffende

zittingen. De rechters volstaan daarom met het geven van deze korte toelichting:

Ter zitting van 14 december 2016 werd aan de rechters tijdens een schorsing door de bode in de raadkamer een fotokopie van een stuk in de Spaanse taal afgegeven. Dit op verzoek van mr. Kuijpers. Na hervatting heeft mr. Kuijpers alleen opgemerkt dat op het stuk de werkelijke naam van de informant “[X]” vermeld stond en de rechters gevraagd om uiterst prudent met het stuk om te gaan. De rechters hebben toegezegd hieraan gehoor te zullen geven, de naam te zullen weglakken en verder eerst de door mr. Kuijpers toegezegde nadere stukken af te zullen wachten, alvorens te beslissen wat zij met het stuk zouden doen. Om die reden hebben op dat moment noch het OM, noch de andere raadslieden van de rechters een kopie van het stuk gekregen.

Ter zitting van 14 februari 2017 bleek mr. Schuurman over een kopie van het betreffende stuk te beschikken en heeft mr. De Leon nogmaals een kopie van het stuk aan de rechters

overgelegd, zonder dat de daarop vermelde naam onleesbaar was gemaakt.

Iets waaruit de authenticiteit, de herkomst, of de status ervan zou kunnen blijken is door de

verdediging niet ingebracht, noch iets waaruit zou kunnen blijken dat het om informatie zou

gaan die indertijd met de Nederlandse opsporingsautoriteiten zou zijn gedeeld.

Mr. Kuijpers is meermalen verzocht de nadere stukken waar hij herhaaldelijk over heeft

gezegd te beschikken aan de rechters over te leggen, zodat deze zouden kunnen worden

betrokken bij de te nemen beslissingen. Ter aanvulling op het “Spaanse” stuk is echter door

hem, noch door de andere raadslieden iets aan de rechters overgelegd.

Kennelijk stelt de verdediging zich nu op het standpunt dat het aan de rechters is om enkel

op basis van een door haar aangeleverde fotokopie de juistheid van haar stellingen te

onderzoeken, om te beginnen met een onderzoek naar de echtheid van het Spaanstalige stuk dat door haar zonder enige nadere duiding aan de rechters is overhandigd.

Dit standpunt is in zijn algemeenheid onjuist en kan ook geen stand houden. Zo is het

Nederlandse strafproces niet ingericht.

Uit de beslissing van de rechters op dit punt kan de vrees voor de vooringenomenheid van

de rechters ook niet worden afgeleid.

2.2.4. De verdediging heeft niet kunnen reageren op de door mr. Kuijpers in het geding gebrachte brief van mr. Franken en de apps.

De rechters hebben met enige verbazing kennis genomen van hetgeen de verdediging hierover in haar wrakingsverzoek heeft opgemerkt.

Allereerst geldt dat de raadslieden zich met betrekking tot het al dan niet horen van “[X]”

steeds volledig en zonder voorbehoud hebben geschaard achter hetgeen mr. Kuipers in dit

kader heeft aangevoerd. Dát en ook de vragen/opmerkingen van de rechters aan

mr. Kuijpers ten aanzien van het al dan niet overleggen van de door hem toegezegde stukken, is in het bijzijn van alle raadslieden besproken.

De raadslieden mr. Schuurman en mr. De Leon hadden op de zitting van 14 februari 2017 -

in elk geval na de onderbreking - bovendien de beschikking over een kopie van de brief van mr. Franken. Als zij daar iets over hadden willen opmerken, hadden zij daar op die zitting, in ieder geval in hun tweede termijn, de gelegenheid voor.

Ook de app-berichten van mr. Kuijpers zijn op deze zitting aan de orde gekomen.

Mr. Kuijpers heeft gezegd dat hij deze aan de rechtbank wilde overhandigen. [De rechters begrijpen nu dat mr. Kuijpers de app’s kennelijk niet met de andere raadslieden heeft gedeeld.] Toen heeft geen van de andere raadslieden de rechtbank verzocht de gelegenheid te krijgen kennis te nemen van de inhoud ervan. De rechtbank is daarentegen door alle raadslieden gevraagd een beslissing op hun onderzoekswensen te nemen.

Het standpunt van de verdediging dat zij eerst de gelegenheid had moeten krijgen om op de

inhoud van de apps van hun collega Kuijpers te reageren - de rechters beperken zich daartoe

want de inhoud van de brief van mr. Franken was dus al wel bekend - voordat de rechters

een beslissing hadden mogen nemen op hun onderzoekswensen, kunnen de rechters dan ook niet volgen. De stelling dat, nu dit achterwege is gebleven, hieruit de vooringenomenheid van de rechters blijkt, verwerpen de rechters.

De rechters zijn overigens bij hun beslissing van 20 februari 2017 niet ingegaan op de inhoud van de door mr. Kuijpers na de zitting nog ingebrachte stukken, maar hebben slechts geconstateerd - kort samengevat - dat bij de brief van mr. Franken niets is overgelegd en dat ook in de app-berichten niets kan worden gevonden, dat zou kunnen bijdragen aan de onderbouwing van de stellingen van de verdediging, op zo’n wijze dat dit zou moeten leiden tot het nadere door de verdediging verzochte onderzoek.

Tot slot merken de rechters in dit verband op dat het ook niet gebruikelijk is dat raadslieden

van de medeverdachten in de gelegenheid worden gesteld te reageren op stukken die door een van hun collega’s in het geding zijn ingebracht.

2.2.5. Overigens

Voor het overige willen de rechters voor wat betreft de gang van zaken volstaan met een verwijzing naar de van de verschillende zittingen opgemaakte processen-verbaal en naar de motivering van hun beslissingen van 20 december 2016 en 20 februari 2017.

Hieruit kan niet worden afgeleid dat de rechters van de daadwerkelijke gang van zaken niets hebben willen weten. Integendeel, de rechters hebben steeds zorgvuldig afgewogen of nader onderzoek aangewezen is en hebben ook - in weerwil van het afgesproken

zittingsschema - een en andermaal nader onderzoek gedaan en laten doen.

2.3

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Zij heeft verzocht om met toepassing van artikel 515, lid 4 Sv te bepalen dat een volgend verzoek van verzoekers niet in behandeling wordt genomen, omdat in deze strafzaak reeds eerder verzoeken tot wraking naar aanleiding van onwelgevallige beslissingen op onderzoekswensen werden ingediend.

3 De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.

3.2

Vooropgesteld moet worden dat een voor een partij onwelgevallige beslissing van een rechter op zichzelf geen grond voor wraking oplevert. Dat geldt ook indien die beslissing op het oog mogelijk onjuist is, en ook indien er geen hogere voorziening mocht openstaan tegen die beslissing. Het is niet aan de wrakingskamer om de beslissing inhoudelijk te toetsen. Wraking kan immers niet fungeren als rechtsmiddel tegen onwelgevallige of onjuiste beslissingen.

3.3

Dat kan anders zijn indien een aangevochten beslissing zozeer onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat de beslissing door vooringenomenheid is ingegeven.

3.4

Dat kan ook anders zijn indien de motivering van de aangevochten beslissing erop duidt dat de rechter zijn beslissing (mede) heeft gebaseerd op (betwiste doch) door hem reeds vastgestelde feiten of op een reeds gevormd oordeel omtrent vragen die eerst bij eindbeslissing aan de orde dienen te komen. Dan immers is een (al dan niet begrijpelijke) beslissing kennelijk ingegeven door vooringenomenheid, althans kan de vrees daarvoor dan objectief gerechtvaardigd zijn.

3.5

De wrakingskamer is van oordeel dat een en ander niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.

3.6

De beslissingen van de rechters van 20 februari 2017 zijn blijkens hun bewoordingen door de rechters uitvoerig gemotiveerd. Niet is gesteld of gebleken dat bij het nemen van die beslissingen en de motivering daarvan (onderdelen van) verzoeken van de verdediging onbesproken of onbeslist zijn gelaten. Ook zijn daarin naar het oordeel van de wrakingskamer geen argumenten van verzoekers onbesproken gelaten.

3.7

De afwijzing van het verzoek tot het doen van nader onderzoek naar de start van het onderzoek Hulst is door de rechters gemotiveerd met – kort gezegd – dat zij op dit moment geen begin van aannemelijkheid zien voor het op onjuiste wijze relateren van de aanvang van dat onderzoek. Daarbij hebben zij alles wat daaromtrent door de verdediging naar voren is gebracht en hetgeen als resultaat van het door haar bij beslissing van 20 december 2016 aan de officier van justitie opgedragen onderzoek ter beschikking was, besproken en gewogen. De bewoordingen van de beslissing van de rechters geven aan dat er is beslist op basis van alle beschikbare informatie van dat moment, hetgeen impliceert dat de afweging opnieuw gemaakt kan worden en wellicht ook anders kan worden indien er nog andere informatie beschikbaar komt.

De motivering van deze afwijzende beslissing is naar het oordeel van de wrakingskamer dan ook niet onbegrijpelijk, laat staan zozeer onbegrijpelijk dat daarvoor geen andere verklaring is te geven dan dat die beslissing door vooringenomenheid is ingegeven.

3.8

De afwijzende beslissing van de rechters op het verzoek tot het doen horen van de persoon genaamd “[X]”, van een Colombiaanse officier van justitie en van een Colombiaanse recherche-functionaris als getuigen, is naar het oordeel van de wrakingskamer evenmin onbegrijpelijk. Alle daartoe door de verdediging tot dan toe aangevoerde argumenten en informatie is blijkens de bewoordingen van de beslissing en de motivering ervan door de rechters meegewogen. Ook deze afweging zou opnieuw gemaakt kunnen worden en wellicht ook anders kunnen worden indien nog meer informatie beschikbaar komt; dergelijke andere informatie werd van de zijde van verzoekers ter zitting van de wrakingskamer reeds aangekondigd.

Door de verzoekers [naam verzoeker 1], [naam verzoeker 3] en [naam verzoeker 2] is aangevoerd dat zij door de rechters voorafgaande aan het nemen van deze beslissing niet in de gelegenheid zijn gesteld kennis te nemen van, en zich uit te laten over de door de advocaat van verzoeker [naam verzoeker 4] aan de rechters overgelegde brief van mr. Franken en de door die advocaat per e-mail ingezonden, met de persoon aangeduid als “[X]” gewisselde app-berichten.

De wrakingskamer overweegt hieromtrent dat het niet gebruikelijk is dat de behandelend rechters in een strafproces, waarin door de raadsman van één van de verdachten een schriftelijk stuk wordt overgelegd, aan de raadslieden van de medeverdachten wordt gevraagd of zij zich daaromtrent wensen uit te laten. Er is ook geen wettelijk voorschrift dat daartoe noopt.

Daarnaast is naar het oordeel van de wrakingskamer, mede op grond van uitlatingen van de raadslieden ter zitting, voldoende komen vast te staan, dat het in de strafzaken van verzoekers inmiddels – ook voor de rechters kenbaar - bestendige praktijk is geworden dat de verdediging van de afzonderlijke verzoekers intensief met elkaar overleg voert en informatie uitwisselt. Het is dan ook onvoldoende aannemelijk geworden dat de rechters op enig moment hadden kunnen en moeten weten dat hetgeen de raadsman van verzoeker [naam verzoeker 4] aan stukken aan de rechters had overgelegd, niet tevens bekend was bij de verdediging van de drie andere verzoekers. Integendeel, op de terechtzitting van 14 februari 2017 was voor alle verzoekers en hun raadslieden duidelijk, dat de bewuste stukken er waren en aan de rechtbank waren /zouden worden overgelegd. Geen van de verzoekers [naam verzoeker 1], [naam verzoeker 3] of [naam verzoeker 2] dan wel hun raadslieden heeft toen bezwaar gemaakt of aan de rechters kenbaar gemaakt van die stukken kennis te willen nemen en/of zich daarover te willen uitlaten.

3.9

De wraking is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.

3.10

Het enkele feit dat in deze strafzaak eerdere wrakingsverzoeken naar aanleiding van (andere) afgewezen onderzoekswensen zijn gedaan en afgewezen, is onvoldoende voor het oordeel dat sprake is van misbruik van het wrakingsinstrument. De wrakingskamer ziet derhalve geen reden om te bepalen dat een volgend wrakingsverzoek van één of meer van de verzoekers wegens misbruik niet in behandeling zal worden genomen.

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot wraking van mr. W.L. van der Bijl-de Jong, mr. J.J. Bade en mr. C. Laukens.

Deze beslissing is gegeven door mr. H.J.M. van der Kaaij, voorzitter, mr. M.G.L. de Vette en mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2017 in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier.

Verzonden op:

aan:

- verzoekers

- de advocaten

- de rechters

- de officieren van justitie