Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:181

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-01-2017
Datum publicatie
31-01-2017
Zaaknummer
ROT 16/359
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2017:4254, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot terugkomen van een in rechte onaantastbaar geworden ontslagbesluit.

Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn die maken dat moet worden teruggekomen van het ontslagbesluit. Evenmin is de weigering van verweerder om terug te komen van het ontslagbesluit evident onredelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 16/359

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 januari 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde: ir. R. Schmohl,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. S. van Loenhout.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser tot herziening van de beslissing op bezwaar van 14 april 2014 en het daarbij gehandhaafde disciplinair ontslag van 12 november 2013 afgewezen.

Bij besluit van 10 december 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser hiertegen ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is namens verweerder S. Slappendel ter zitting verschenen.

Overwegingen

1.1

Eiser was sinds 1 februari 2002 in dienst bij verweerder als bijzonder opsporingsambtenaar (BOA), laatstelijk in de functie van handhaver. Bij besluit van 12 november 2013 is eiser wegens zeer ernstig plichtsverzuim met onmiddellijke ingang disciplinair gestraft met ontslag, zonder toevoeging van het woord “eervol”. Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar is bij besluit van 14 april 2014 (hierna: het ontslagbesluit) ongegrond verklaard. Het hiertegen door eiser ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank van 3 november 2014 niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft hiertegen verzet gedaan, dat bij uitspraak van 17 februari 2015 niet-ontvankelijk is verklaard.

1.2

Bij brief van 11 maart 2015 heeft eiser verweerder verzocht het ontslagbesluit te heroverwegen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit, waarbij het verzoek tot heroverweging is afgewezen, gehandhaafd. Verweerder stelt daartoe - kort samengevat - dat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat geen reden bestaat tot herziening van het ontslagbesluit.

3.1

Het ontslagbesluit is in rechte onaantastbaar geworden. Het verzoek van eiser van 11 maart 2015 strekt ertoe dat verweerder terugkomt van het ontslagbesluit.

Een verzoek terug te komen van een in rechte onaantastbaar besluit moet volgens vaste jurisprudentie, waaronder de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 20 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3975, beoordeeld worden aan de hand van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Dit betekent dat de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren moet brengen. Wanneer de aanvrager dat niet doet, kan verweerder het verzoek afwijzen met verwijzing naar zijn eerdere besluit, evenals in de situatie dat zonder meer duidelijk is dat wat bij het verzoek is aangevoerd niet van belang kan zijn voor het eerdere besluit. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen en feiten of omstandigheden die weliswaar voor het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet voor dat besluit konden worden aangevoerd.

3.2

Als het oordeel van de rechtbank is dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat afwijzing van het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De rechtbank kan echter aan de hand van wat eiser heeft aangevoerd tot het oordeel komen dat het besluit op het verzoek om terug te komen van het ontslagbesluit evident onredelijk is (vergelijk de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3131).

4. Aan de hand van de hierboven onder 3.1 en 3.2 genoemde criteria toetst de rechtbank het bestreden besluit.

5. Ter onderbouwing van zijn verzoek tot herziening wijst eiser onder meer op de arresten van het gerechtshof Den Haag van 9 september 2014 en 25 februari 2015. In het arrest van 9 september 2014 is eiser vrijgesproken van - kort gezegd - mishandeling van [A] ([A]). In het arrest van 25 februari 2015 is eiser vrijgesproken van - kort gezegd - poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling en van smaad jegens [B 1] ([B 2]).

5.1

De rechtbank is van oordeel dat deze arresten wel nieuwe feiten zijn, maar dat dit geen feiten zijn op grond waarvan verweerder had moeten terugkomen van het ontslagbesluit.

5.2

De rechtbank stelt voorop dat de poging tot doodslag en zware mishandeling van [B 2] geen rol hebben gespeeld bij het ontslagbesluit, zodat deze aspecten niet van belang zijn voor de beoordeling van de afwijzing van het verzoek om terug te komen van het ontslagbesluit. Voor de vrijspraak van de overige twee feiten - mishandeling van [A] en smaad jegens [B 2] - overweegt de rechtbank als volgt.

5.3

Op grond van vaste jurisprudentie, waaronder de uitspraak van de CRvB van 30 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1811, gelden in het ambtenarentuchtrecht niet de in het strafrecht van toepassing zijnde zeer strikte bewijsregels. Wel geldt dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen dat de ambtenaar zich aan de hem verweten gedraging heeft schuldig gemaakt. Het gegeven dat een betrokkene door de strafrechter is vrijgesproken van het hem ten laste gelegde is niet beslissend voor het antwoord op de vraag of een betrokkene zich aan het hem verweten plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt.

5.4

Wat betreft het incident jegens [A] wijst eiser er terecht op dat het gerechtshof in zijn arrest van 9 september 2014 een beroep op noodweer heeft gehonoreerd. Voor zover eiser aanvoert dat het gelet op dit arrest evident onredelijk is dat verweerder vasthoudt aan zijn standpunt dat het incident jegens [A] plichtsverzuim oplevert, volgt de rechtbank hem daarin. Zoals eiser ter zitting terecht benadrukt, heeft iedereen en zeker ook een BOA het recht zich te verdedigen als hij wordt aangevallen. Nu het beroep op noodweer is gehonoreerd, kan verweerder in redelijkheid niet vasthouden aan zijn standpunt dat dit incident plichtsverzuim oplevert. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd ook niet duidelijk kunnen maken waarom hij zijn standpunt hierover handhaaft.

Dit maakt echter niet dat het ontslagbesluit moet worden herzien. Het ontslagbesluit is zoals verweerder ter zitting terecht heeft opgemerkt voornamelijk gebaseerd op het verwijt dat eiser een ongefundeerde zware beschuldiging aan het adres van zijn buurvrouw heeft gedaan, kennelijk met het oogmerk haar werkgever te bewegen haar te ontslaan. Eiser heeft zich hierbij als BOA bekendgemaakt om zijn argumenten kracht bij te zetten. Als gevolg hiervan is de gemeente Rotterdam hierbij betrokken geraakt, waardoor niet alleen de BOA’s van de gemeente Rotterdam maar ook de gemeente als geheel imagoschade ondervindt, aldus het ontslagbesluit. Wat betreft de gedragingen van eiser jegens [B 2] heeft het gerechtshof in zijn arrest van 25 februari 2015 het volgende overwogen:

“ Op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de stukken van het geding is komen vast te staan dat de verdachte op 17 juli 2013 aan [C] de (toenmalige) teamleider van aangeefster bij Holland Casino, telefonisch negatieve uitlatingen over aangeefster heeft gedaan. Op basis van de voorhanden bewijsmiddelen is evenwel niet vast te stellen dat de verdachte die uitlatingen heeft gedaan om aan de daarin beweerde feiten ruchtbaarheid in de bedoelde zin te geven”.

Weliswaar kan volgens het gerechtshof smaad jegens [B 2] niet worden bewezen omdat het delictsbestandsdeel “ruchtbaarheid geven” niet is vervuld, maar met verweerder is de rechtbank van oordeel dat in het arrest van 25 februari 2015 wel wordt bevestigd dat eiser de hem in het ontslagbesluit verweten gedragingen heeft gepleegd. De vrijspraak doet dus geen afbreuk aan de verweten gedragingen in het ontslagbesluit en de kwalificatie daarvan als plichtsverzuim.

6. Eiser voert verder diverse gronden aan tegen het destijds uitgevoerde onderzoek door verweerder in het kader van het strafontslag. Dit zijn echter geen nieuwe feiten in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Het onderzoek was afgerond voorafgaand aan het ontslag van eiser en eiser heeft een jaar de tijd gehad om het uitgevoerde onderzoek aan de orde te stellen, wat hij niet heeft gedaan. Verweerder was gelet op artikel 4:6, tweede lid, van de Awb niet gehouden inhoudelijk te reageren op wat eiser hierover thans aanvoert.

7. Ook wat eiser verder aanvoert, waaronder zijn stelling dat sprake is van een onjuiste ontslaggrond, dat het eiser onmogelijk is gemaakt goed te functioneren, dat sprake is van strijd met artikel 3:2 van de Awb en de beginselen van behoorlijk bestuur, zijn naar het oordeel van de rechtbank geen nieuwe feiten of omstandigheden. Niet kan worden ingezien dat eiser deze argumenten niet al naar voren had kunnen brengen in de procedure tegen zijn ontslag. Dit geldt ook voor de stelling van eiser dat verweerder op basis van goed werkgeverschap of op grond van redelijkheid en billijkheid terug dient te komen van het ontslagbesluit. Al deze argumenten zijn dus geen nieuwe feiten.

8. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn die maken dat moet worden teruggekomen van het in rechte onaantastbaar geworden ontslagbesluit.

9. Vervolgens dient te worden bezien of de weigering van verweerder terug te komen van het ontslagbesluit met verwijzing naar artikel 4:6 van de Awb evident onredelijk is. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval.

Dat verweerder, zoals eiser aanvoert, bij de totstandkoming van het ontslagbesluit het advies van de bezwaaradviescommissie niet heeft gevolgd, is een bevoegdheid van verweerder en dat hij daarvan gebruik heeft gemaakt, is niet kennelijk onredelijk. Ook de toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb is een bevoegdheid. Verweerder is niet gehouden inhoudelijk in te gaan op wat eiser aanvoert en als hij dat niet doet, is dat evenmin als kennelijk onredelijk aan te merken.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. [A], voorzitter, en mr. L.A.C. van Nifterick en mr. drs. A. Douwes, leden, in aanwezigheid van mr. M. Noordegraaf, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.