Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:1799

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-03-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
4554074 CP 15-15
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Pachtzaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 4554074 CP 15-15

uitspraak: 9 maart 2017

vonnis van de pachtkamer, zittinghoudende te Dordrecht

in de zaak van

1 [eiser],

2. [eiseres], weduwe van [X.],

beiden wonende te [plaatsnaam 1],

eisers in conventie, verweerders in reconventie,

gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders te Eindhoven,

tegen

1 [gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],

beiden wonende te [plaatsnaam 2],

[gedaagde 1] is gedaagde in conventie, beiden zijn eisers in reconventie,

gemachtigde: mr. B. Nijman te Wageningen.

Partijen worden hierna ‘[eiser]’, ‘[eiseres]’, ‘[gedaagde 1]’ en ‘[gedaagde 2]’ genoemd. Waar nodig zullen [eiser] en [eiseres] samen worden aangeduid als ‘[eisers].’ en zullen [gedaagde 1]. en D[gedaagde 2] samen worden aangeduid als ‘[gedaagden].s.’.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de pachtkamer heeft kennisgenomen:

  • -

    het vonnis d.d. 20 oktober 2016 en alle daarin vermelde processtukken;

  • -

    het proces-verbaal van de op 24 november 2016 gehouden gerechtelijke plaatsopneming en bezichtiging, alsmede van de aansluitend gehouden comparitie van partijen;

  • -

    de door beide partijen naar aanleiding van vorenbedoeld proces-verbaal genomen akte;

  • -

    de door partijen in het geding gebrachte producties.

2 De (verdere) beoordeling

in conventie en in reconventie

2.1

In conventie staat centraal de vraag of er nog sprake is van een bedrijfsmatige exploitatie van het gepachte door [gedaagde 1].

2.2

Bij het beantwoorden van deze vraag zal de pachtkamer in de eerste plaats acht slaan op de in rov. 4.2 van het vonnis van 20 oktober 2016 vermelde, in de jurisprudentie ontwikkelde gezichtspunten, die in het bijzonder van belang zijn te achten, alsmede op alle overige omstandigheden van het geval die daarbij van belang (kunnen) zijn. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

2.3

[gedaagde 1]. heeft geen functie meer buiten de landbouw. Hij is sinds enkele jaren gepensioneerd en ontvangt AOW, terwijl hij heeft verklaard dat hij daarnaast verder geen pensioen heeft opgebouwd.

2.4

De omvang van het bedrijf van [gedaagde 1] is met ongeveer 20 ha beperkt. Van deze 20 ha is 12.85.40 ha eigendom van [gedaagde 1], worden ca. 4 ha gepacht van [eisers]., terwijl de rest wordt gepacht van derden. De mogelijkheden voor uitbreiding van het bedrijf in de directe omgeving lijken beperkt te zijn.

2.5

De werkzaamheden in het bedrijf worden grotendeels verricht door [gedaagde 1]. Op vrijdag en zaterdag alsmede doordeweeks in de avonduren wordt [gedaagde 1] geholpen door [gedaagde 2].

2.6

Het paardenpension is ingebed in de overige bedrijfsvoering, doordat de paarden worden gevoed met de opbrengst van het tot het bedrijf behorende weiland, waaronder in ieder geval het aan de pachter zelf toebehorende land. Ook wordt de mest van de paarden binnen het bedrijf verwerkt door deze uit te rijden over het land.

2.7

Naast de directe verhuurinkomsten uit de exploitatie van het paardenpension als zodanig, is er dus ook sprake van het genereren van daarmee verband houdende omzet uit de genoemde landbouwactiviteiten, terwijl er tevens omzet wordt gegenereerd door het houden van koeien en schapen en door inkomsten (in de vorm van subsidies) uit de deelname aan de regeling voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Deze laatste inkomstenbronnen zijn tezamen genomen aanmerkelijk groter dan de zuivere verhuuropbrengsten van het paardenpension. De stelling van [eisers]. in de akte na de bezichtiging/comparitie dat ‘de redelijke en aardige opbrengst van het bedrijf van [gedaagde 1] in hoofdzaak afkomstig is van het runnen van het paardenpension’ (klaarblijkelijk betwist [eisers]., gelet op dit woordgebruik, niet dat de opbrengst van het bedrijf van [gedaagde 1] inderdaad ‘redelijk en aardig’ is), is dus feitelijk niet juist.

2.8

Door [gedaagde 1] zijn geen gegevens van de gecombineerde opgave overgelegd, maar wel jaarstukken, waaruit blijkt dat een bescheiden opbrengst wordt gegenereerd met het bedrijf. Het is legitiem om te kiezen voor een sobere levenswijze en bovendien is voldoende aannemelijk dat er ook dan nog ruimte is om in beperkte mate investeringen te doen, die dan wellicht verdeeld over een periode van enkele jaren stapsgewijs moeten worden gerealiseerd. Hierbij wordt aangetekend dat het, gelet op de aard van het bedrijf, met een beperkt aantal opstallen en landbouwwerktuigen, niet hoeft te gaan om zeer grote investeringen. De laatste jaren is evenwel niet alleen 2,75 ha grond aangekocht, maar is ook het dak van de stal met de koeien en de paardenboxen gedeeltelijk vervangen en het is uitdrukkelijk de bedoeling om het andere deel ook te vervangen. Ook al zijn de in het bedrijfsplan gestelde doelen cijfermatig niet onderbouwd, tegen deze achtergrond is het voldoende aannemelijk dat het mogelijk is door uitbreiding van de veestapel en de verkoop van gras/hooi geleidelijk aan meer omzet te genereren en de bedrijfsvoering een meer solide basis te geven, met navenant hogere jaarlijkse rendementen.

2.9

Op grond van het vorenstaande en gelet op hetgeen zij tijdens de bezichtiging heeft waargenomen, op de door de pachtkamer van het gerechtshof Arnhem/Leeuwarden geformuleerde gezichtspunten en op de overige omstandigheden van het geval, is de pachtkamer van oordeel dat sprake is van bedrijfsmatige exploitatie van het gepachte, zodat niet kan worden gezegd dat [gedaagde 1] het gepachte niet langer voor de uitoefening van de landbouw gebruikt. De vordering in conventie zal daarom worden afgewezen.

2.10

Nu daarmee de pachtovereenkomst niet wordt ontbonden, wordt toegekomen aan de beoordeling van de in reconventie primair gevorderde aanmerking van [gedaagde 2] tot medepachter en, ingeval van afwijzing hiervan, van de subsidiair gevorderde indeplaatsstelling.

2.11

Blijkens hetgeen in het vonnis d.d. 20 oktober 2016 onder 3.5 tot en met 3.8 is overwogen, zijn partijen verdeeld over de vraag of [gedaagde 2] voldoende waarborgen biedt voor een behoorlijke bedrijfsvoering, meer in het bijzonder of hij, nu hij de overname van het bedrijf zal moeten financieren, in de toekomst in staat zal zijn om de pachtpenningen te voldoen.

Ook spreekt in het verweer van [eisers]. door dat [gedaagde 2], die in de jaren negentig van de vorige eeuw voor het laatst een agrarische opleiding heeft gevolgd en afgerond, wel over voldoende landbouwkundige kennis beschikt voor de voortzetting van het bedrijf (en dus voldoende waarborgen biedt voor een behoorlijke bedrijfsvoering).

2.12

[gedaagde 2] is, evenals zijn beide ouders, vennoot in een met het oog op de gewenste voortzetting van het bedrijf opgerichte vennootschap onder firma. De bedoeling is dat hij in de toekomst, voorlopig met [gedaagde 1] samen, het landbouwbedrijf gaat runnen. Naar het oordeel van de pachtkamer beschikt [gedaagde 2], gelet op het feit dat hij in 1995 het diploma Zelfstandig Beroepsbeoefenaar Melkveehouderij, een opleiding op middelbaar onderwijs niveau, heeft behaald, op de aard van het op het gepachte uitgeoefende landbouwbedrijf en op de omstandigheid dat hij al geruime tijd vrij intensief is betrokken bij dat bedrijf, over het vereiste werk- en denkniveau om de onderneming van [gedaagde 1] voort te zetten. Ook de wijze waarop [gedaagde 2] de hem door de pachtkamer gestelde vragen heeft beantwoord, vormt hiervan een bevestiging. Bovendien zal de samenwerking met zijn vader in het kader van de VOF hem in staat stellen om zich in de nabije toekomst eventueel op onderdelen onvoldoende aanwezige kennis en ervaring, alsnog voldoende eigen te maken.

Uit het overgelegde ondernemingsplan valt af te leiden dat het de bedoeling is om het bedrijf verder uit te bouwen in de richting die hiervoor in conventie is vermeld. Dit zal naar verwachting ook leiden tot een betrekkelijk hoger rendement. [gedaagde 2] en zijn echtgenote/partner genereren momenteel inkomsten uit arbeid voor derden en het is aannemelijk dat zij bij een geleidelijke bedrijfsovername in staat zullen zijn de pacht te betalen. [gedaagde 1] zal naar verwachting geleidelijk minder afhankelijk worden van het bedrijf.

2.13

De pachtkamer is gelet op het vorenstaande dan ook van oordeel dat [gedaagde 2] voldoende waarborgen biedt voor een behoorlijke bedrijfsvoering en zal hem daarom aanmerken als medepachter.

2.14

Nu de in reconventie primair gevorderde aanmerking van [gedaagde 2] tot medepachter wordt toegewezen, wordt niet toegekomen aan de subsidiaire vordering tot indeplaatsstelling.

2.15

[eisers]. zal als de zowel in conventie als in reconventie in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

3. De beslissing

De pachtkamer:

in conventie:

wijst de vordering af;

in reconventie:

merkt [gedaagde 2] aan als medepachter in de tussen [eisers]. en [gedaagde 1] bestaande pachtovereenkomst;


in conventie en in reconventie:

veroordeelt [eisers]. in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Damsteegt vastgesteld op nihil aan verschotten en op € 800,00 aan salaris van de gemachtigde van Damsteegt;

verklaart het vonnis in reconventie en de proceskostenveroordelingen (zowel die in conventie als die in reconventie) uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door de pachtkamer, bestaande uit:

mr. P. Joele, voorzitter, en G.A.J. Baars en P.G. Stehouwer, leden,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

443