Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:1753

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
ROT 16/5108
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 16/5108

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 maart 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te Rotterdam, eiseres,

gemachtigde: mr. R. Küçükünal,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigden: mr. J.C. Avedissian en drs. G. van Hal.

Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 29 december 2015 om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen.

Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Tevens heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 21 maart 2016 (zaaknummer ROT 16/1056) heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen, maar een vergelijkbaar verzoek in verband met de afwijzing van een latere aanvraag per 20 januari 2016 toegewezen (zaaknummer ROT 16/1057).

Bij besluit van 29 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2016, tegelijk met dat in de zaken met zaaknummers ROT 16/4635 en ROT 16/4404. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en vergezeld van haar echtgenoot J. Sewnath. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Nadat de bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande van eiseres bij besluit van 18 december 2015 was ingetrokken per 8 december 2015 – waarop genoemde zaak met zaaknummer ROT 16/4404 betrekking heeft – heeft eiseres op 29 december 2015 een nieuwe aanvraag gedaan. Verweerder heeft eiseres naar aanleiding van die aanvraag uitgenodigd voor een gesprek op 19 januari 2016. Van het gesprek is een verslag opgemaakt dat na voorlezing door eiseres is ondertekend. Blijkens dat verslag is aan eiseres allereerst gevraagd hoe de eerdere beëindiging van de uitkering is gegaan en waarom eiseres toen niet akkoord is gegaan met het door verweerder beoogde huisbezoek. Eiseres heeft daarop geantwoord dat zij, toen de politie om zes uur ’s ochtends aan de deur kwam en ging rondkijken in de woning, compleet overdonderd was. Op de volgende vraag: “wat is uw gezinssituatie?”, heeft eiseres, samengevat, geantwoord dat die niet was veranderd ten opzichte van de periode voor de beëindiging van haar uitkering en dat haar ex-partner een eigen adres heeft, [adres] . Daarna heeft verweerder onder meer nog gevraagd: “Heeft uw ex-partner spullen in de woning?” Eiseres heeft daarop geantwoord dat haar ex-partner “niets van spullen in de woning” heeft. Verweerder heeft vervolgens bij het primaire besluit, gehandhaafd bij het bestreden besluit, de aanvraag afgewezen op de grond dat eiseres na het intrekkingsbesluit van 18 december 2015 geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die een andere beslissing rechtvaardigen.

2.1.

Eiseres heeft in beroep onder meer betoogd dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Bij de beoordeling hiervan stelt de rechtbank voorop dat in een geval, waarin een nieuwe aanvraag voorligt na een eerdere beëindiging of intrekking van de bijstand of een eerdere afwijzing van een bijstandsaanvraag, het volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad; onder meer de uitspraak van 12 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:109) op de weg van de aanvrager ligt om aan te tonen dat zich sinds die beëindiging, intrekking of afwijzing een relevante wijziging in de omstandigheden heeft voorgedaan, in die zin dat op dat latere tijdstip wel wordt voldaan aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. Uit de rechtspraak van de Raad (ter zitting zijn de uitspraken van de Raad van 19 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR2972, en 17 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:459, aan partijen voorgehouden) vloeit echter ook voort, dat het bij een gesprek naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, zoals dat op 19 januari 2016 heeft plaatsgevonden, op de weg van verweerder ligt om duidelijk te vragen of de situatie thans anders is dan waarvan verweerder bij de beëindiging of intrekking was uitgegaan en, wanneer hetgeen in dit verband is gesteld onvoldoende wordt bevonden, dat wordt aangegeven welke (nadere) gegevens nog zouden moeten worden verstrekt, dan wel dat ter verificatie van de gestelde woon- en leefsituatie (aansluitend) een huisbezoek zou worden afgelegd.

2.2.

Blijkens het onder 1. bedoelde gespreksverslag heeft verweerder niet gevraagd naar eventuele wijzigingen in de omstandigheden. Tevens zou het, gelet op de stelling van eiseres omtrent het ontbreken van spullen van haar echtgenoot in de woning, alsmede op hetgeen zij heeft verklaard over haar eerdere weigering van een huisbezoek, in de rede hebben gelegen dat verweerder eiseres zou hebben gevraagd of zij inmiddels kon instemmen met een huisbezoek. De rechtbank tekent hierbij aan dat in de onderhavige zaak, anders dan in laatstgenoemde uitspraken van de Raad, weliswaar niet ter beoordeling staat of sprake is van een gezamenlijke huishouding, maar of sprake is van duurzaam gescheiden leven, maar ziet daarin geen aanleiding om van verweerder niet dezelfde vragende en onderzoekende houding te verlangen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de woonsituatie ook in het kader van duurzaam gescheiden leven een rol kan spelen en voor verweerder bij de latere toekenning kennelijk ook heeft gespeeld, gelet op het huisbezoek dat volgens het bestreden besluit op een later moment heeft plaatsgevonden in het kader van een nieuwe (derde) aanvraag.

3. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd, zodat het om die reden, onder gegrondverklaring van het beroep, vernietigd dient te worden. Ter zitting heeft verweerder ermee ingestemd dat in dat geval – gelet op de door het tijdsverloop beperkte mogelijkheden tot nader onderzoek en de beperkte periode waar het feitelijk over gaat, aangezien verweerder eiseres bij besluit van 4 juni 2016 inmiddels per 20 januari 2016 weer bijstand naar de norm voor een alleenstaande heeft toegekend – de rechtbank zelf in de zaak voorziet door de bijstandsuitkering over de tussenliggende periode toe te kennen.

4. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.984,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, hetgeen in dit geval inhoudt dat het primaire besluit wordt herroepen en eiseres over de periode van 29 december 2015 tot en met 19 januari 2016 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande wordt toegekend;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.984,-, te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, voorzitter, en mr. A. van Gijzen en mr. I.S. Vreken-Westra, leden, in aanwezigheid van mr. J.J. van Giezen-Groenewoud, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.