Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:1740

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-03-2017
Datum publicatie
22-03-2017
Zaaknummer
C/10/484022 / HA ZA 15-924
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroepsfout advocaat. Onjuist vervolgd derdenbeslag voor schadevergoeding voor moeder slachtoffer na moord. Verweer van de advocaat: de beroepsfout weggedacht zou een beroep op verrekening zijn gehonoreerd. Wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1472
PS-Updates.nl 2017-0315
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

zittingsplaats Rotterdam

Team Handel

vonnis van 8 maart 2017

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/10/484022 / HA ZA 15-924 van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. J.M. Beer te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende of althans kantoor houdend te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. T.P. Hoekstra en mr. M. Sijstermans te Amsterdam,

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 20 april 2016

  • -

    het proces-verbaal van gepland getuigenverhoor op 1 november 2016 (houdende de vaststelling dat de voorgebrachte getuigen niet waren verschenen)

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 18 januari 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De rechtbank heeft [gedaagde] in het voormelde tussenvonnis opgedragen te bewijzen dat [getuigen] in de verklaringsprocedure als bedoeld in art. 477a Rv met succes een beroep op verrekening hadden kunnen doen. Thans wordt toegekomen aan de bewijswaardering.

2.2.

Er zijn drie getuigen voorgebracht, [getuigen] en hun zoon [getuige 3] .

2.3.

De getuigenverklaring van [getuige 3] levert geen bewijs op. [getuige 3] heeft niet meer of anders verklaard dan dat hij zich beroept op een verschoningsrecht.

2.4.

De vader van [getuige 3] , [vader van getuige 3] , heeft als getuige een verklaring afgelegd, die in de kern op het volgende neerkomt:

-het is juist dat de opbrengst (€ 193.382,64) uit verkoop van het in eigendom aan [getuige 3] toebehorende pand op het adres [adres en woonplaats] kort na de overdracht op 1 augustus 2003 door de notaris is gestort op een bankrekening ten name van [getuigen] ;

- namens [getuige 3] is vanaf deze bankrekening een bedrag van € 15.370,36 betaald aan begrafeniskosten, kosten grafsteen en terugbetaling huur;

- de verklaring conservatoir derdenbeslag van [getuigen] van 12 juni 2008, met daarin de mededeling dat zij [getuige 3] een bedrag van € 44.671,15 verschuldigd zijn berust op een vergissing;

- immers, de opbrengst van € 193.382,64 is aangewend ter delging van kosten van [getuige 3] en voorts, bij wijze van verrekening, ter voldoening van de schulden die [getuige 3] had aan [getuigen] ;

- deze kosten en schulden waren zo hoog dat [getuigen] juist nog geld te vorderen hebben van [getuige 3] , in plaats van andersom.

2.5.

De moeder van [getuige 3] , [moeder van getuige 3] , heeft als getuige verklaard dat zij de getuigenverklaring van haar echtgenoot onderschrijft.

2.6.

De getuigenverklaringen van [getuigen] sporen met hun eerder ingenomen standpunt zoals verwoord in hun “conclusie van antwoord, tevens incidenteel verzoek tot zekerheidstelling voor de proceskosten” in de procedure bij de rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Wageningen (met als eiseres [eiseres] en met als gedaagden [getuigen] ). [gedaagde] beroept zich uitdrukkelijk op de juistheid van deze conclusie. In deze conclusie stellen [getuigen] dat de € 193.382,64 als volgt is aangewend:

- opbrengst na aftrek primaire kosten van het pand € 193.382,64

[adres en woonplaats]

- minder opbrengst [adres] - € 118.989,01

- gederfde huuropbrengst [adres] - € 35.400,00

- betalingen door [getuigen] verricht - € 58.076,21

- vermogensbelasting - € 11.910,65

- onderhoudskosten - € 6.500,00

Tekort - € 37.493,23.

2.7.

[gedaagde] betoogt dat [getuigen] aangaande de posten van € 118.989,01 en € 35.400,00 in de procedure ex artikel 477a Rv met succes een beroep op verrekening hadden kunnen doen met hun vordering tot schadevergoeding op de grond dat [getuige 3] jegens hen een onrechtmatige daad heeft begaan, door in een aan hen, [getuigen] , grotendeels (voor 99 %) in eigendom toebehorende woning, die door hen werd aangewend voor de commerciële verhuur aan privépersonen, een huurder te doden, waardoor [getuigen] zich genoodzaakt zagen om deze woning, die zij toch al wilden verkopen maar die vanwege het incident niet goed in de markt meer lag en waar [getuigen] niettemin snel van af wilden, met verlies te verkopen. Daarnaast hebben volgens [gedaagde] [getuigen] vanwege het incident schade geleden in de vorm van gederfde huurinkomsten ter zake van deze woning, welke schade eveneens in mindering op het door het beslag getroffen bedrag had kunnen worden gebracht.

2.8.

De rechtbank onderschrijft dit standpunt niet. De normschending van [getuige 3] (het plegen van een levensdelict) strekt niet zonder meer tot bescherming van de onderhavige financiële belangen van [getuigen] [gedaagde] heeft onvoldoende toegelicht dat in dit geval het financiële belang van [getuigen] bij het op korte termijn (binnen één jaar na het delict) kunnen realiseren van een marktconforme prijs voor het pand aan de [adres] (waarin dit levensdelict is gepleegd) dan wel het belang bij kunnen verhuren van woonruimte in dat pand vallen onder het beschermingsbereik van de geschonden norm. De rechtbank acht het derhalve onvoldoende aannemelijk dat in de verklaringsprocedure het beroep op verrekening met deze twee schadeposten zou zijn gehonoreerd.

2.9.

Voor zover niettemin aangenomen zou moeten worden dat in dit geval wél sprake is van schending door [getuige 3] van een norm die strekt tot bescherming van de onderhavige financiële belangen van [getuigen] , acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat in de verklaringsprocedure zou zijn geoordeeld dat het beroep op verrekening van de vordering van [getuige 3] tot uitkering van zijn vermogen (welke vordering door het beslag is getroffen) met de vorderingen tot schadevergoeding van [getuigen] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, rekening houdende met de navolgende feiten en omstandigheden:

a. [getuigen] hebben [getuige 3] geholpen te vluchten en zich aan justitiële vervolging te onttrekken; dit is gedaan direct na 1 oktober 2002, door [getuige 3] van contant geld voor zijn vlucht te voorzien; uit het strafdossier blijkt dat [getuigen] tot de arrestatie van [getuige 3] op 29 januari 2003 [getuige 3] ondersteunden, onder andere bij de voorbereiding van de verkoop van het aan hem toebehorende pand aan de [adres en woonplaats] ;

b. het pand aan de [adres en woonplaats] is op 1 augustus 2003 aan een derde geleverd; de verkoopopbrengst (de € 193.382,64) hebben [getuigen] voor [getuige 3] ontvangen; het bedrag van € 193.382,64 is niet gestort op een aparte bankrekening ten gunste van [getuige 3] ; er heeft vanaf 2003 vermenging plaatsgevonden met het vermogen van [getuigen] en het vermogen van [getuige 3] is niet afzonderlijk geadministreerd;

c. [getuigen] hebben op de comparitie van 10 april 2008 in de procedure bij de rechtbank Arnhem verklaard dat hoewel de opbrengst uit de verkoop van het pand juridisch aan [getuige 3] toekomt, zij dit bedrag ervaren als geld dat in wezen aan hen toekomt;

d. pas nadat de moeder van [het slachtoffer] op 28 mei 2008 derdenbeslag had gelegd op de verkoopopbrengst hebben [getuigen] een beroep op verrekening met eigen vorderingen tot schadevergoeding gedaan;

e. [getuigen] hebben hun standpunt aangaande de omvang van het door hen beheerde vermogen van [getuige 3] regelmatig aangepast: in hun verklaring conservatoir derdenbeslag van 12 juni 2008 is aangegeven dat zij [getuige 3] € 44.671,15 verschuldigd waren; volgens een andere opgave van [getuigen] bedroeg het vermogen van [getuige 3] in dat zelfde jaar (2008) veel meer, namelijk € 165.076,10 (zie productie 6 in de conclusie van antwoord in de procedure ex art. 477a Rv bij de kantonrechter Wageningen); in diezelfde procedure nemen [getuigen] vervolgens nog het standpunt in dat niets aan [getuige 3] zijn verschuldigd aangezien zij nog een vordering hebben op [getuige 3] van € 37.493,23;

f. [getuigen] waren bekend met de aard van de vordering waarvoor de beslaglegging is gedaan, te weten schadevergoeding voor de door de moeder van [het slachtoffer] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het door hun zoon [getuige 3] gepleegde levensdelict,

g. het leed dat [eiseres] is aangedaan en de schade die haar is berokkend door het doden van haar dochter zijn buitengewoon groot. Blijkens het deskundigenrapport de dato 19 maart 2009 van prof. dr. G.F. Koerselman, psychiater, is [eiseres] gediagnosticeerd met “ernstige psychiatrische ziekte” die “causaal is gerelateerd aan de ervaringen die zij in aansluiting aan de moord op haar dochter op 1 oktober 2002 heeft ondergaan.” Ook staat in dit deskundigenrapport dat sprake is van een inmiddels chronische situatie, dat weliswaar theoretisch denkbaar is dat betrokkene enige verlichting zou kunnen ondervinden van een behandeling met serotonere antidepressiva, maar dat daarvan geen al te grote veranderingen te verwachten vallen.

2.10.

Wat betreft de overige door [gedaagde] opgevoerde aftrekposten van [getuigen] oordeelt de rechtbank als volgt.

betalingen door [getuigen] verricht € 58.076,21

2.11.

Dit zijn geen verrekenposten maar (gestelde) betalingen door [getuigen] op schulden van [getuige 3] , gedaan uit het vermogen van [getuige 3] . [getuigen] specifiëren dit bedrag op bladzijde 4 van hun voormelde conclusie van antwoord. Een aantal deelbedragen heeft betrekking op de onder 2.7 genoemde woning, zoals bijvoorbeeld de posten voor een nieuwe combiketel (€ 4.300,01) en een nieuwe binnendeur (€ 1.185,24). Deze posten mochten [getuigen] , zoals gezegd, niet verrekenen met de vordering van [getuige 3] .

2.12.

De volgende deelposten betreffen duidelijk schulden van [getuige 3] zelf en gaan vergezeld van deugdelijke facturen. Deze deelposten strekken als zodanig wel in mindering op de opbrengst van € 193.382,54:

- € 609,57 maandelijks hypotheekrente op de eigen woning van [getuige 3] (6 ½ maand termijn,)

- € 15.370,36 ( factuur mr. [gedaagde] de dato 15 augustus 2007 met betrekking tot € 11.216,- toegewezen door de strafrechter, € 4.820,- nagekomen kosten grafsteen en € 1.200,- verschuldigde huurpenningen en borg),

- € 115,- factuur universiteit Nijenrode (waar [getuige 3] gestudeerd heeft),

- de posten “extra aflossingen”(€ 9.075,60 op 1 maart 2003 en € 9.075,61 op 1 april 2003, samen € 18.151,21): dit zijn extra aflossingen op de hypothecaire geldleningovereenkomst van de eigen woning van [getuige 3] . Ook deze aftrekposten kunnen worden geacht in de verklaringsprocedure te zijn gehonoreerd.

2.13.

De post “diverse advocaatkosten” (circa € 15.000,-): [getuige 3] heeft advocaatkosten gemaakt maar [getuigen] waren zelf ook in rechte betrokken, zij het in mindere mate (tegen hen liep niet ook een strafrechtelijke procedure). De rechtbank acht aannemelijk dat deze kosten, bij gebreke van verdere specificatie, voor € 12.500,- aan [getuige 3] toe zouden zijn gerekend en dat een aftrekpost tot dit bedrag in de verklaringsprocedure zou zijn gehonoreerd.

2.14.

De post “geleend aan zoon op 2-10-2002 € 902,70” is voldoende aannemelijk geworden en voldoende aannemelijk wordt geacht dat deze aftrekpost zou zijn gehonoreerd.

2.15.

De post “vermogensbelasting € 11.910,65”: [gedaagde] stelt de door [getuigen] voor [getuige 3] betaalde vermogensbelasting op 1,2% van zijn vermogen (in de reeds genoemde productie 6 in hun conclusie van antwoord in de procedure bij de kantonrechter Wageningen). [gedaagde] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat [getuigen] de Box III heffing over het vermogen van [getuige 3] voor hun rekening hebben genomen. Rekening houdende met het voor [getuige 3] in 2008 geldende heffingsvrije vermogen van € 20.315,- schat de rechtbank schat de in de verklaringsprocedure in aanmerking te nemen Box III heffing op een bedrag van € 10.000,-.

2.16.

De post “onderhoudskosten € 6.500,00”: [gedaagde] stelt dat [getuigen] gemiddeld circa € 100,00 per maand aan kosten voor [getuige 3] gedurende zijn detentie hebben voorgeschoten. Met deze aftrekpost zal rekening worden gehouden nu voldoende aannemelijk is gemaakt dat [getuigen] deze kosten ten behoeve van [getuige 3] hebben gemaakt.

2.17.

Slotsom is dat voldoende aannemelijk wordt geacht dat in de verklaringsprocedure de navolgende bedragen in mindering zouden hebben gestrekt op het vermogen van [getuige 3] : € 609,57 + € 15.370,36 + € 115,- + € 18.151,21 + € 12.500 + € 902,70 + € 10.000,- + € 6.500,- zijnde in totaal € 64.148,84.

2.18.

Aldus was onder het beslag uitkeerbaar geweest aan [eiseres] een bedrag van (€ 193.382,64 minus € 64.148,84 = ) € 129.233,80. De rechtbank is van oordeel dat de schade van [eiseres] in hoofdsom, dus nog afgezien van rente, daadwerkelijk (tenminste) dit bedrag beloopt. De rechtbank Arnhem heeft aan [eiseres] een bedrag van € 10.000,- aan smartengeld toegewezen en een nader bij staat op te maken vergoeding voor materiele schade. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat het uiteindelijk aan materiële schadevergoeding toe te wijzen bedrag hoger zal uitkomen dan € 119.233,80 in hoofdsom. In dit oordeel betrekt de rechtbank dat [gedaagde] in een brief van 19 januari 2014 aan zijn eigen aansprakelijkheidsverzekeraar zelf heeft verklaard dat een schade van € 700.000,- in dit opzicht niet als irreëel moet worden beschouwd. [gedaagde] heeft in zijn beslagverzoek namens [eiseres] de dato 27 mei 2008 de schade ook gesteld op € 700.000,-.

2.19.

[eiseres] vordert wettelijke rente, primair vanaf 30 juli 2007 (de datum van “beslag 1,” waarbij [gedaagde] nog geen beslag had gelegd op de bankrekening met daarop de opbrengst van € 193.382,64), subsidiair vanaf 30 mei 2008 (nagenoeg de datum van “beslag 2”), meer subsidiair vanaf de dag der dagvaarding.

2.20.

[gedaagde] betwist dat hij op twee de eerstgenoemde data al in verzuim was en hij wijst er daarbij op dat hij pas bij brief van 29 oktober 2014 formeel aansprakelijk is gesteld.

2.21.

De rechtbank plaatst voorop dat het hier gaat om een schadevergoedingsvordering uit hoofde van wanprestatie. Alsdan treedt het verzuim in (en gaat dus de wettelijke rente lopen) als de verbintenis niet terstond wordt nagekomen. Een ingebrekestelling is hierbij niet vereist. Nu het hier gaat om schadevergoeding voor de onjuiste vervolging van beslag 2, loopt de wettelijke rente vanaf 30 mei 2008.

2.22.

[gedaagde] verzet zich tegen uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis. [gedaagde] voert daartoe aan dat sprake is van een reëel restitutierisico, nu [eiseres] met een toevoeging procedeert. Subsidiair vordert [gedaagde] zekerheidstelling.

2.23.

De rechtbank dient, ter beantwoording van de vraag of het vonnis uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard, de belangen van partijen af te wegen in het licht van de omstandigheden van het geval. Degene die een veroordeling tot betaling van een geldsom verkrijgt wordt vermoed het vereiste belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad te hebben (HR 27 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2602). De rechtbank acht het belang van [eiseres] zoals dit blijkt uit dit vonnis, met name uit de mate waarin zij is getroffen zoals dit blijkt uit het aangehaalde deskundigenrapport, wezenlijk zwaarder wegen dan dat van [gedaagde] , die bovendien verzekerd is ter zake van de onderhavige vordering.

2.24.

De rechter kan aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde van zekerheidstelling verbinden. De rechter is daartoe echter niet verplicht. Op zichzelf is restitutierisico (in abstracto) onvoldoende aanleiding om zekerheid op te leggen. De rechtbank acht de stelling dat [eiseres] procedeert met een toevoeging in dit geval niet voldoende concreet om zekerheidstelling op te leggen, mede gelet op de aard van de zaak.

2.25.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [eiseres] . Deze kosten worden begroot op € 4.435,19, zijnde € 4.263,- aan salaris advocaat (Liquidatietarieven, 3 punten, tarief V ad € 1.421,- per punt), € 78,- aan griffierecht en € 94,19 aan explootkosten dagvaarding, nog te vermeerderen met de gevorderde nakosten. De taxen getuigen blijven voor rekening van [gedaagde] , als partij aan wiens zijde de getuigen zijn voorgebracht.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] een bedrag te betalen van € 129.233,80, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 mei 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;

3.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van [eiseres] , tot op heden begroot op € 4.435,19, vermeerderd met € 131,- voor nasalaris zonder betekening, en, in geval betekening van het vonnis plaatsvindt, met € 68,- en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

3.3.

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. van den Bergh en in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2017.1

1 2517/2504