Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:1705

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-03-2017
Datum publicatie
06-03-2017
Zaaknummer
14/2265 en14/2266 (10/651120-11 en 99/000142-39(
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Schorsing van de voorwaardelijke invrijheidsstelling (art.15h Sr.) Vordering 15i Sr. Later behandeld door politierechter tegelijk met nieuwe strafzaak, waarvoor veroordeling volgt. Openbaar Ministerie niet ontvankelijk ten aanzien van vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidsstelling. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad d.d. 19 februari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BX5566) volgt toekenning van kosten advocaat op de voet van art.591a Sv voor zover deze kosten in redelijkheid zijn toe te rekenen aan de rechtsbijstand in de VI-procedure. Maatstaf om tot die schatting te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2017/84
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/651120-11 en VI-nummer 99/000142-39

Raadkamernummers: 14/2265 (89 Sv) en 14/2266 (591a Sv)

Beschikking van de rechtbank Rotterdam, meervoudige raadkamer, op de verzoeken als bedoeld in de artikelen 89 en 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[naam verzoeker]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

ten tijde van de behandeling in raadkamer gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haaglanden, locatie Scheveningen,

voor deze aangelegenheid domicilie kiezende: Veerkade 7a, 3016 DE Rotterdam,

ten kantore van zijn raadsvrouw, mr. T. Arkesteijn.

Procedure

Op 25 augustus 2014 is ingediend een verzoekschrift met verzoeken op grond van artikel 89 en artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

De verzoeken zijn op 16 februari 2017 door de raadkamer in het openbaar behandeld.

De officier van justitie mr. T. Slieker, verzoeker en diens raadsvrouw zijn gehoord.

Inhoud verzoeken en standpunt officier van justitie

Verzoek artikel 89 Sv

Het verzoek strekt ertoe dat aan de verzoeker ten laste van de Staat een bedrag van € 8.400,- wordt toegekend als vergoeding voor ten onrechte ondergane vrijheidsbeneming.

De raadsvrouw heeft zich bij de behandeling in raadkamer op 16 februari 2017 op het standpunt gesteld dat de verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in dit verzoek omdat het openbaar ministerie inmiddels (buiten rechte) met verzoeker tot een schikking is gekomen aangaande deze vergoeding.

Verzoek artikel 591a Sv

Het verzoek strekt ertoe dat aan de verzoeker een vergoeding van € 4.605,56 wordt toegekend voor de kosten van rechtsbijstand, gemaakt in verband met de VI-zaak. Daarnaast wordt verzocht een vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift ex artikel 89 Sv, conform de geldende richtlijnen, voor een totaalbedrag van € 550,- inclusief BTW (dan wel € 280,- indien geen behandeling volgt ter zitting).

Omdat de kosten voor rechtsbijstand in de procedure van artikel 89 Sv op grond van artikel 15k Wetboek van Strafrecht (Sr), voor vergoeding in aanmerking komen, geldt dit naar analoge toepassing ook voor de procedure van artikel 591a Sv, aldus de advocaat van verzoeker.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 591a Sv niet van toepassing is in het geval zoals het onderhavige, waarin het openbaar ministerie

niet-ontvankelijk is verklaard in de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling. De verzoeker moet om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. Indien de rechtbank verzoeker ontvankelijk verklaart in zijn vordering heeft de officier van justitie aangevoerd dat de opgevoerde advocaatkosten kritisch moeten worden bekeken, omdat sprake is van rechtsbijstand in twee afzonderlijke zaken (de strafzaak en de VI-zaak) die gelijktijdig op zitting zijn behandeld. Voor zover de opgevoerde advocaatkosten zijn gemaakt ten behoeve van de strafzaak (waarin de verzoeker ter zake diefstal en mishandeling is veroordeeld) dient de verzoeker in zoverre

niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Feiten

Bij beschikking van [datum beschikking] van de rechter-commissaris in deze rechtbank is de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling in de zaak met parketnummer 10/651120-11 en VI-nummer 99/000142-39 bevolen. Bij vonnis van de politierechter van [datum vonnis] is het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

Ontvankelijkheid

Ingevolge artikel 89, derde lid, Sv dient een op dit artikel gegrond verzoek te worden

ingediend binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak. Dezelfde termijn geldt

krachtens artikel 591a, vierde lid, juncto 591, tweede lid, Sv voor een op het eerstgenoemde artikel gestoeld verzoek.

Op 26 augustus 2014 zijn op de griffie van deze rechtbank verzoekschriften ingediend als bedoeld in de artikelen 89 Sv en 591a van het Wetboek van Strafvordering.

De verzoekschriften zijn tijdig, binnen drie maanden na beëindiging van de zaak, ingediend.

Verzoek artikel 89 Sv

Bij de behandeling in openbare raadkamer is gebleken dat het openbaar ministerie aan de verzoeker reeds een vergoeding heeft toegekend voor ten onrechte ondergane vrijheidsbeneming. Om die reden zal verzoeker bij gebrek aan belang niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

Beoordeling

Verzoek artikel 591a Sv

Het verzoek ziet op de vergoeding van kosten voor het opstellen, indienen en behandelen van het op grond van artikel 15k Sr ingediende verzoekschrift.

Op grond van artikel 591a Sv kan een gewezen verdachte in beginsel aanspraak maken op vergoeding van de te zijnen laste gekomen kosten voor de rechtsbijstand indien de zaak is geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Sr. Ingevolge artikel 591a, vierde lid, Sv juncto 591, vijfde lid, Sv is een en ander van overeenkomstige toepassing op in dit artikel opgesomde rechtsgedingen.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 februari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BX5566) evenwel geconcludeerd dat uit de wetsgeschiedenis niet kan worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd de mogelijkheid tot toekenning van een vergoeding als bedoeld in artikel 591a Sv te binden aan strikte grenzen wat betreft de fase van het strafproces waarin de kosten van een raadsman in de geëindigde strafzaak zijn gemaakt of wat betreft de aard van de met die zaak rechtstreeks verband houdende juridische procedure. De wetgever heeft bij de totstandkoming van artikel 15k Sr geen blijk gegeven van een bewuste keuze om de kosten voor rechtsbijstand die zijn gemaakt in een procedure op de voet van dat artikel niet voor vergoeding in aanmerking te laten komen. Tegen de achtergrond van een en ander is er geen reden om aan te nemen dat die kosten voor rechtsbijstand niet op grond van artikel 591a Sv kunnen worden gecompenseerd. Dergelijke compensatie ligt naar het oordeel van de rechtbank in het verlengde en is in die zin ook te zien als een straf processuele tegenhanger van de vergoeding ter zake de vrijheidsbeneming uit hoofde van een voorlopige tenuitvoerlegging, een nagenoeg vergelijkbare vorm van voorlopige vrijheidsbeneming waarbij een de wetgever wel expliciet heeft voorzien in een vergoeding als thans gevorderd.

Alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen worden, gelet op al het voorgaande, gronden van billijkheid aanwezig geacht om aan de verzoeker voor de advocaatkosten van het op grond van artikel 15k Sv ingediende verzoekschrift de gevraagde vergoeding toe te kennen.

Bij het verzoekschrift is een factuur en een urenspecificatie ingediend. Uit het kenmerk dat op de brief staat vermeld leidt de rechtbank af dat het gaat om uren die zijn besteed aan de zaak met parketnummer 10/651120-11 en aan de zaak met VI-nummer 99/000142-39 . Het gaat daarbij om werkzaamheden inde periode van 9 augustus 2013 tot en met 11 juli 2014. De rechtbank acht het aannemelijk dat de advocaat in deze periode werkzaamheden heeft moeten verrichten die uitsluitend zien op de VI-zaak. Hoeveel tijd daarmee is gemoeid, kan op basis van de urenspecificatie, zonder nadere toelichting die ontbreekt, echter niet exact worden vastgesteld. De raadsvrouw heeft op de zitting desgevraagd aangegeven dat zij die nadere toelichting ook niet (meer) kan geven, alleen al vanwege het enorme tijdsverloop tussen het indienen van het verzoek en de behandeling daarvan ter zitting. De rechtbank zal daarom de advocaatkosten in de VI-zaak vaststellen naar billijkheid. Daarbij heeft zij tevens een schatting gemaakt van de uren die de raadsvrouw redelijkerwijs heeft moeten besteden aan de strafzaak, en heeft die in mindering gebracht op de totale factuur. Dit leidt ertoe dat de rechtbank aan verzoeker een vergoeding zal toekennen voor:

Honorarium 7,5 x € 250,- per uur € 1.875,-

Kantoorkosten 5% € 93,75

------------------------------------------------------------------

Totaal € 1.968,75

BTW 21% € 413,44

Totaal € 2.382,19

Gelet op de aard en de omvang van de werkzaamheden van de raadsvrouw komt toekenning van een vergoeding ten bedrage van € 2.382,19 voor de kosten van een advocaat bij bijstand in een VI-zaak redelijk voor. Derhalve zal dit bedrag worden toegekend en zal het meer of anders verzochte worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

Op de voet van artikel 89 Wetboek van Strafvordering ten aanzien van het onder RK-nummer 14/2265 ingeschreven verzoek:

- verklaart de verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek.

Op de voet van artikel 591a Wetboek van Strafvordering ten aanzien van het onder RK-nummer 14/2266 ingeschreven verzoek:

- kent toe aan verzoeker uit 's rijks kas een vergoeding ten bedrage van € 2.382,19

(zegge: tweeduizend driehonderdtweeëntachtig euro en negentien eurocent);

- wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door:

mr. W.A.F. Damen, voorzitter,

en mrs. J. de Lange en M. Smit, rechters,

in tegenwoordigheid van S. Wongsokerto, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2017.

De fungerend voorzitter mr. W.A.F. Damen beveelt de griffier van deze rechtbank de bij beschikking van deze rechtbank d.d. 2 maart 2017, na het onherroepelijk worden van deze beschikking, vastgestelde vergoeding ten bedrage van:

€ 2.382,19 (zegge: tweeduizend driehonderdtweeëntachtig euro en negentien eurocent)

uit 's Rijks kas te betalen aan: de stichting [naam stichting] door overmaking van vermeld bedrag op bankrekeningnummer [rekeningnummer] .

Rotterdam, 2 maart 2017

mr. W.A.F. Damen