Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:1669

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-03-2017
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
ROT 17/598
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Vereenvoudigde behandeling
Inhoudsindicatie

maximale dwangsom toegekend nadat beroep is ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit - verrekening van dwangsom met openstaande vorderingen - verwijzing beroep ter behandeling als bezwaar met toepassing van artikel 4:125, eerste en derde lid, Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 17/598

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2017 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] eiseres,

gemachtigde: mr. P.M. Iwema,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft op 23 januari 2017 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek haar een dwangsom toe te kennen in verband met de overschrijding van de beslistermijn op haar bijstandsaanvraag van 8 augustus 2016.

Bij drie onderscheiden besluiten van 9 februari 2017 heeft verweerder de bijstandsaanvraag afgewezen (afwijzingsbesluit), een bedrag van € 1.670,92 aan voorschotten teruggevorderd (terugvorderingsbesluit) en aan eiseres een dwangsom toegekend van € 1.260,00, die verweerder heeft verrekend met de openstaande vorderingen (dwangsombesluit).

Overwegingen

1. Nu verweerder aan eiseres een dwangsom heeft toegekend, stelt de rechtbank vast dat verweerder geheel aan het beroep tegen het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit is tegemoetgekomen. Om deze reden is het belang van eiseres bij een beoordeling van het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit komen te ontvallen. In zoverre dient het beroep wegens het ontbreken van procesbelang kennelijk niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep mede betrekking op het dwangsombesluit, tenzij met dat besluit geheel aan het beroep is tegemoetgekomen. Omdat verweerder de maximale dwangsom heeft toegekend doet zich een dergelijke situatie voor. De omstandigheid dat eiseres zich niet kan vinden in de verrekening en in de afwijzing van haar bijstandsaanvraag maakt dit niet anders, omdat dit andere besluiten behelzen dan waarop het beroep wegens het niet tijdig beslissen is gericht.

3. Op grond van artikel 4:125, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van eiseres tegen het dwangsombesluit mede betrekking op de daarin vervatte bijkomende beschikking tot verrekening van de dwangsom met de aan eiseres uitbetaalde voorschotten.

4. Nu eiseres het niet eens is met de afwijzing van haar bijstandsaanvraag en zij daartegen mogelijkerwijs bezwaar zal maken, ziet de rechtbank aanleiding toepassing te geven aan artikel 4:125, derde lid, van de Awb door de beslissing op het beroep met betrekking tot het dwangsombesluit door te verwijzen naar verweerder ter behandeling als bezwaar.

5. Verweerder heeft pas een dwangsom toegekend, nadat eiseres beroep had ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank ziet hierin aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 123,75 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 495,00 en wegingsfactor 0,25). De rechtbank is van oordeel dat het ingestelde beroep van

zeer licht gewicht is, nu dit geding slechts ziet op het niet tijdig beslissen van verweerder op het verzoek om toekenning van een dwangsom.

6. De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit niet-ontvankelijk,

 verwijst het beroep tegen het dwangsombesluit naar verweerder ter behandeling als bezwaar,

 bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 46,00 vergoedt,

 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 123,75.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Lunenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.P. Meijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.