Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:1653

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-02-2017
Datum publicatie
03-03-2017
Zaaknummer
10/812063-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlaten van plaats ongeval na aanrijding fietser. Taakstraf van 120 uur en ontzegging rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/812063-15

Datum uitspraak: 22 februari 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] [woonplaats] ,

raadsman mr. M.G. Eckhardt, advocaat te ‘s-Gravenhage.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 8 februari 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E. Baars heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaren.

4 Waardering van het bewijs

Standpunt officier van justitie

Aangevoerd is dat het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard. Het met een hoge snelheid naderen en passeren van een fietsersoversteekplaats, zonder zich ervan te vergewissen of er zich fietsers op die oversteekplaats bevinden, ten gevolge waarvan er een aanrijding plaatsvindt met een fietser, is te kwalificeren als zeer onvoorzichtig rijgedrag. Voorts kan het onder 2 ten laste gelegde bewezen worden verklaard nu de verdachte de plaats van het ongeval heeft verlaten en hij geen gebruik heeft gemaakt van de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 184 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), de zogenaamde zelfmeldregeling.

Standpunt verdediging

Verdachte ontkent de ten laste gelegde feiten en namens hem is vrijspraak bepleit. De verdediging heeft aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat het de Audi van verdachte was die bij de aanrijding betrokken was. Indien dat al vastgesteld zou kunnen worden, kan niet worden vastgesteld dat het verdachte was die de auto op dat moment bestuurde. Indien dat bovendien wel vastgesteld zou kunnen worden, heeft te gelden dat niet vast staat dat de betreffende auto harder reed dan was toegestaan en had de fietser bovendien voorrang moeten verlenen.

Beoordeling

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval (vgl. HR 5 april 2011, NJ 2011, 172). Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt.

Op [datum] heeft er omstreeks 07:43 uur een ongeval plaatsgevonden op de [straatnaam 1] te [plaats 1] (hierna: [straatnaam 1] ). Het ongeval vond plaats ter hoogte van de fietsersoversteekplaats. Daarbij is een fietser, [naam slachtoffer] , in aanrijding gekomen met een zwarte Audi A6 komende vanuit de richting van de N210 ( [straatnaam 2] ) en gaande in de richting van de [naam straat] . Het slachtoffer heeft daarbij het volgende letsel opgelopen: zwellingen aan het voor- en achterhoofd, schaafwonden aan de neus, armen en benen, een breuk in een ruggenwervel en een breuk aan de binnenzijde van de rechter enkel.

Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat de zwarte Audi A6, gekentekend [kentekennummer] betrokken is geweest bij de aanrijding op de [straatnaam 1] op [datum] . Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat:

- deze Audi A6 voorafgaand aan het ongeval om 07:24:40 uur is waargenomen op camerabeelden van tankstation [naam tankstation] in [plaats 2] waarbij de Audi - met onbeschadigde voorruit - om 07:28:55 uur het tankstation heeft verlaten;

- deze Audi A6 voorafgaand aan het ongeval om 07:39:25 uur is geregistreerd op de N210 ( [straatnaam 2] ), vlakbij de plaats van het ongeval;

- een getuige omstreeks 8:05 uur op de Randweg te [plaats 2] een zwarte Audi A6 heeft waargenomen met een zwaar beschadigde voorruit, met een kenteken lijkende op [kentekennummer] , te weten [kentekennummer] , hetgeen zij heeft waargenomen via haar spiegel;

- de voorruit van de Audi A6 bij het ongeval zwaar beschadigd is geraakt;

- er verfresten op de fiets van het slachtoffer zijn aangetroffen die niet te onderscheiden zijn van het verfmateriaal op deze Audi A6;

- de schade op de fiets en de schadesporen op de voorkant van deze Audi A6 in elkaar passen.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verdachte ten tijde van het ongeval ook de bestuurder is geweest van deze Audi A6. Twee verbalisanten hebben verklaard dat de verdachte 100% gelijkenis vertoont met de man op de camerabeelden van tankstation [naam tankstation] . Nu de verdachte niemand anders heeft kunnen aanwijzen als bestuurder van de Audi A6 ten tijde van het ongeval en het kenteken van de Audi A6, te weten [kentekennummer] , ten tijde van het ongeval op naam stond van de verdachte, heeft de rechtbank geen aanleiding om aan dit oordeel te twijfelen.

Vervolgens dient de rechtbank de mate van schuld van de verdachte bij het ongeval te beoordelen. Anders dan het beeld dat uit sommige getuigenverklaringen naar voren komt, blijkt uit de verkeersongevallenanalyse dat de Audi A6 ten tijde van de aanrijding met het slachtoffer een snelheid had tussen de 45 en 75 km/uur, terwijl er ter plaatse een maximumsnelheid geldt van 80 km/uur. Dat verdachte de ter plaatse geldende snelheidslimiet (fors) heeft overschreden, kan dan ook niet worden vastgesteld. Voorts blijkt uit de verkeersongevallenanalyse dat fietsers op het fietspad en de betreffende fietsersoversteekplaats voorrang moeten verlenen aan het verkeer op de [straatnaam 1] . Daartoe zijn op het wegdek van het fietspad nabij de fietseroversteekplaats "haaientanden" aangebracht. Op basis van de stukken in het dossier kan ook anderszins niet worden vastgesteld dat de verdachte een verkeersfout heeft gemaakt. Voorts is de rechtbank van oordeel dat op basis van de inhoud van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte het slachtoffer daadwerkelijk heeft opgemerkt vóórdat hij de fietsersoversteekplaats opreed. Zodoende kan op basis van het dossier niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte zeer dan wel aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden, dan wel dat hij gevaarzettend rijgedrag heeft vertoond. Dit betekent dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte schuld in de zin van artikel 6 WVW heeft gehad, dan wel dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gevaarzettend rijgedrag in de zin van artikel 5 WVW.

De verdachte zal dan ook integraal worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde.

Nu de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat het de verdachte is geweest die de bestuurder van de Audi A6, gekentekend [kentekennummer] , is geweest die in aanrijding is gekomen met slachtoffer [naam slachtoffer] , en uit het dossier blijkt dat verdachte na het ongeval is doorgereden, dient voor het onder 2 ten laste gelegde de vraag te worden beantwoord of de verdachte op het moment van doorrijden wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat aan een ander letsel en/of schade was toegebracht. De rechtbank oordeelt dat de verdachte zich ervan bewust moet zijn geweest dat hij een aanrijding heeft gehad met een persoon en dat letsel of schade was toegebracht. Het slachtoffer is immers, zo blijkt uit het dossier, met een snelheid tussen de 45 en 75 km/uur bij een fietsersoversteekplaats aangereden, waarna hij met een flinke klap op de voorkant van de auto terecht is gekomen en hij vervolgens een flink aantal meters door de lucht is gevlogen alvorens hij op de grond terecht is gekomen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de voorruit van de Audi A6 door de klap zwaar beschadigd is geraakt en getuigen verklaren hoe verdachte om de beschadiging heen moest kijken om nog iets kunnen zien. De rechtbank stelt tot slot vast dat de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 184 WVW, de zogenaamde zelfmeldregeling, niet van toepassing is. Deze regeling houdt, voor zover van belang, in dat strafvervolging op grond van artikel 7, lid 1, aanhef en onder a WVW is uitgesloten indien de bestuurder binnen twaalf uur na het ongeval en voordat hij door de politie is aangehouden of verhoord, aan een politieambtenaar kennis geeft van zijn identiteit. Nu de verdachte hieraan niet heeft voldaan, acht de rechtbank het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.1.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij, op [datum] te [plaats 1] , als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) betrokken bij een verkeersongeval op de [straatnaam 1] , de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander te weten [naam slachtoffer] letsel en/of schade was toegebracht.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

feit 2

overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Nadat de verdachte met zijn auto bij een fietsersoversteekplaats op de [straatnaam 1] in aanrijding is gekomen met een fietser heeft de verdachte de plaats van het ongeval verlaten. Ondanks de flinke klap die dit moet hebben opgeleverd, is verdachte, zonder zich te vergewissen hoe het met de persoon die hij had aangereden ging, doorgereden. Ook op een later moment heeft verdachte zich nooit bij de politie gemeld. Hij heeft zich hierdoor geheel onttrokken aan zijn verantwoordelijkheid. De rechtbank acht dit gedrag van de verdachte zeer berekenend en respectloos ten aanzien van het slachtoffer en rekent dat de verdachte zwaar aan.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 januari 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Gezien de ernst van het feit zal de rechtbank een taakstraf van na te noemen duur opleggen.

Aan de verdachte wordt tevens de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van twee jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk.

De raadsman heeft aangevoerd dat een langdurige ontzegging van de rijbevoegdheid de toekomst van de verdachte schade zal toebrengen, omdat de verdachte van beroep zzp’er is en daarvoor afhankelijk is van eigen vervoer.

De rechtbank begrijpt dat deze bijkomende straf de uitvoering van de werkzaamheden door de verdachte zal bemoeilijken, maar gezien de ernst van het feit, wordt een langdurige ontzegging hier wel op zijn plaats geacht.

Alles afwegend acht de rechtbank na te noemen straffen passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 2 (twee) jaren;

beveelt, dat van deze bijkomende straf een gedeelte van 1 (één) jaar niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.M. Koevoets, voorzitter,

en mrs. M.V. Scheffers en W.H.S. Duinkerke, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E. Kerens, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 februari 2017.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks [datum] te [plaats 1] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [straatnaam 1] , welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

met een zeer hoge snelheid heeft gereden en een fietsersoversteekplaats is genaderd en/of

zich er niet of onvoldoende van heeft vergewist of zich fietsers op of nabij die fietsersoversteekplaats bevonden en/of

niet of te laat heeft opgemerkt dat een fietser doende was die meergenoemde oversteekplaats over te steken en dat die fietser zich inmiddels op de middenberm van die oversteekplaats bevond en/of

in botsing of aanrijding is gekomen met die fietser, die daarbij op het door verdachte bestuurde voertuig is terechtgekomen, werd gelanceerd en vervolgens op het wegdek is gevallen,

waardoor die fietser, genaamd [naam slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel (te weten een enkelbreuk en een ruggenwervelbreuk) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

(art 6 Wegenverkeerswet 1994)

subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 01 juli 2014 te [plaats 1] als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [straatnaam 1] , zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

met een zeer hoge snelheid heeft gereden en een fietsersoversteekplaats is genaderd en/of

zich er niet of onvoldoende van heeft vergewist of zich fietsers op of nabij die fietsersoversteekplaats bevonden en/of

niet of te laat heeft opgemerkt dat een fietser doende was die meergenoemde oversteekplaats over te steken en dat die fietser zich inmiddels op de middenberm van die oversteekplaats bevond en/of

in botsing of aanrijding is gekomen met die fietser;

(art 5 Wegenverkeerswet 1994)

2.

hij, op of omstreeks [datum] te [plaats 1] , als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt op de [straatnaam 1] , de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [naam slachtoffer] ) letsel en/of schade was toegebracht.

(art 7 lid 1 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994)