Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:1652

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-02-2017
Datum publicatie
02-03-2017
Zaaknummer
10/682093-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor artikel 6 Wegenverkeerswet 1994. Zeer onvoorzichtig rijden, negeren rood licht en rijden met een te hoge snelheid. Zwaar lichamelijk letsel waarbij slachtoffers zijn gevallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/682093-16

Datum uitspraak: 15 februari 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] [woonplaats] ,

raadsvrouw mr. I. Raterman, advocaat te Almere.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 1 februari 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. L. Visser heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 uur, subsidiair 80 dagen hechtenis, alsmede oplegging van een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van een jaar.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijsoverweging

4.1.1.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Zij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

Het ten laste gelegde dat de verdachte door rood licht is gereden kan niet met zekerheid worden vastgesteld. De verdachte is niet goed in het inschatten van afstanden/snelheden, zoals hij tijdens zijn verhoor bij de politie ook heeft verklaard, maar hij weet wel zeker dat hij door een oranje verkeerslicht de kruising opreed. Deze verklaring wordt ondersteund door de getuigenverklaring van [getuige 1] , die verklaart dat de auto van de verdachte onder de verkeerslichten doorreed op het moment dat deze net van groen naar oranje versprongen. De getuige [getuige 2] verklaart dat de verdachte de kruising opreed op het moment dat de verkeerslichten net op rood sprongen. Uit hypothese 1 (de hypothese dat de verdachte door rood zou zijn gereden) uit de verkeersongevallenanalyse volgt echter dat de verdachte zich ongeveer tussen de 53 en 65 meter van de stopstreep zou moeten hebben bevonden op het moment dat het licht op rood ging. Dit is een forse afstand. De verdachte zou dan door een rood verkeerslicht zijn gereden dat al een tijd rood was. Hier is geen enkele aanwijzing voor, gelet op de verklaring van de verdachte, de getuige [getuige 1] en zelfs de getuige [getuige 2] . Hoewel de getuigen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] beiden verklaren dat het verkeerslicht voor hen groen was op het moment dat zij overstaken, verklaart de getuige [getuige 3] dat zij overstak op het moment dat het verkeerslicht nog rood was. Niet kan worden uitgesloten dat de getuigen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] achter de getuige [getuige 3] aan de voetgangersoversteekplaats zijn opgelopen zonder door te hebben dat zij door rood licht liepen. Immers blijkt uit de verkeersongevallenanalyse dat één van de partijen een rood licht heeft genegeerd.

Het ten laste gelegde dat de verdachte met een te hoge snelheid over het kruispunt is gereden, kan wel worden vastgesteld. Dit kan echter niet worden gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig en geen schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 opleveren.

4.1.2.

Beoordeling

Verkeerslicht

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in strijd met een voor hem bestemd rood verkeerslicht de kruising is opgereden. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende. Uit de verkeersongevallenanalyse blijkt dat de verkeerslichten op de kruising zonder storingen in werking waren en dat één van de betrokken partijen bij het verkeersongeval de kruising is opgereden dan wel opgelopen terwijl het voor hem/haar geldende verkeerslicht rood licht uitstraalde. Niet alleen de getuige [slachtoffer 1] , maar ook de getuige [slachtoffer 2] heeft verklaard dat het voor haar respectievelijk hem geldende verkeerslicht op groen sprong op het moment dat zij respectievelijk hij de voetgangersoversteekplaats op de kruising opliep. Aan deze verklaringen hecht de rechtbank meer waarde dan aan de verklaring van de verdachte dat het voor hem geldende verkeerslicht oranje was op het moment dat hij de kruising opreed. Hetgeen de verdachte heeft verklaard met betrekking tot zijn waarneming van het oranje verkeerslicht, de overstekende voetgangers en de snelheid waarmee hij vóór de kruising reed, komt immers niet overeen met hetgeen in de verkeersongevallenanalyse op deze punten staat beschreven. Dat de verdachte niet goed is in het inschatten van afstanden en snelheden pleit er juist voor om van objectieve gegevens uit te gaan. Uit de remsporen op het wegdek valt af te leiden dat de verklaring van de verdachte betreffende het (moment van) waarnemen van de voetgangers en zijn reactie daarop (remmen) niet kan kloppen.

Voor zover het voorgaande zou betekenen dat de verdachte zich ongeveer tussen de 53 en 65 meter van de stopstreep zou moeten hebben bevonden op het moment dat het licht op rood ging (zie hypothese 1 uit de verkeersongevallenanalyse), ziet de rechtbank hierin, gelet op de door de verdachte gereden snelheid (18,89 m/s en 21,39 m/s) bij die hypothese, geen aanleiding voor een ander oordeel. Nu uit de verkeersongevallenanalyse blijkt dat de betrokken verkeerslichten niet gelijktijdig groen licht kunnen vertonen en de rechtbank van de getuigenverklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] uitgaat, moet het verkeerslicht voor de verdachte wel rood zijn geweest.

Schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994

Gelet op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval, met name de omstandigheden dat de verdachte met een hogere snelheid dan de maximale snelheid heeft gereden, zijn hoge snelheid niet heeft verminderd toen het verkeerslicht oranje was, door rood licht is gereden, bekend was met de verkeerssituatie ter plekke en het donker was, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zeer onvoorzichtig heeft gehandeld en dat hij schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

Primair

hij op [datum] te [plaats] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer onvoorzichtig te rijden op de kruising,

gevormd door de voor het openbaar verkeer openstaande wegen, de [naam van de weg 1] en

de [naam van de weg 2] , welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

- in strijd met een voor hem, verdachte, rood licht uitstralend verkeerslicht bovengenoemde kruising is opgereden met een snelheid gelegen tussen tenminste 68 en 77 km/uur, zijnde een hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 km/uur en

- met die, gelet op de situatie ter plaatse, veel te hoge snelheid een voetgangersoversteekplaats is genaderd en is opgereden en

- niet tijdig heeft opgemerkt dat meerdere voetgangers doende waren de

voetgangersoversteekplaats over te steken en zich reeds halverwege die

oversteekplaats liepen, terwijl het verkeerslicht voor die voetgangers

inmiddels op groen stond, en

- zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en

- die voetgangers niet heeft laten voorgaan en

- op die voetgangersoversteekplaats in botsing of aanrijding is gekomen met die

voetgangers, waardoor

- [slachtoffer 1] (voetganger), zwaar lichamelijk letsel te weten een kuitbeenbreuk en een indrukkingsbreuk van het knie-oppervlak met afgescheurde botsplinters werd toegebracht;

- [slachtoffer 3] (geboren op 12 oktober 2014 en gezeten in een kinderwagen), zwaar lichamelijk letsel te weten een schedelbreuk met een losliggend botdeel, bloedingen in het hoofd met verminderde kracht en beweeglijkheid in de linker lichaamshelft werd toegebracht;

- [slachtoffer 2] (voetganger), zwaar lichamelijk letsel te weten een onderbeenbreuk werd toegebracht.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

Primair

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft als bestuurder van een personenauto een aan zijn schuld te wijten ernstig verkeersongeluk veroorzaakt. De verdachte is met een hogere snelheid dan de maximum toegestane snelheid een kruispunt genaderd waarvan hij wist dat daar een voetgangersoversteekplaats was. Tevens is hij door rood licht gereden waardoor hij in botsing is gekomen met twee overstekende voetgangers en een kind in een kinderwagen. Deze slachtoffers hebben zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Het ligt in de lijn der verwachting dat de slachtoffers nog lange tijd en wellicht blijvend nadeel zullen ondervinden van de gevolgen van de aanrijding. De verdachte heeft zeer onvoorzichtig gehandeld en daardoor onvoldoende rekenschap gegeven van de verantwoordelijkheid die hij als bestuurder van een motorvoertuig ten opzichte van andere verkeersdeelnemers heeft. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van [datum uittreksel] , waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Verklaringen van de verdachte op de terechtzitting

De verdachte heeft verklaard dat hij in dienst is van het poeliersbedrijf dat van hemzelf is en van zijn oom en dat zijn werkzaamheden bestaan uit het met de auto bezorgen van de bestellingen.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit zal de rechtbank aan de verdachte een taakstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid van na te noemen duur opleggen. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, onder meer dat hij bij de uitoefening van zijn werkzaamheden afhankelijk is van zelfstandig vervoer.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 1 (één) jaar;

bepaalt, dat van deze bijkomende straf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 (honderdzestig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 80 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. Verweij, voorzitter,

en mrs. D.L. Spierings en A.B. Baumgarten, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G.F. Meiland, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

Primair

hij op of omstreeks [datum] te [plaats] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanzienlijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de kruising,

gevormd door de voor het openbaar verkeer openstaande wegen, de [naam van de weg 1] en

de [naam van de weg 2] , althans op een van deze wegen, welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

- in strijd met een voor hem, verdachte, rood licht uitstralend verkeerslicht bovengenoemde kruising is opgereden met een snelheid gelegen tussen tenminste 68 en 77 km/uur, zijnde een hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 km/uur en/of

- met die, gelet op de situatie ter plaatse, veel te hoge snelheid een voetgangersoversteekplaats is genaderd en/of is opgereden en/of

- niet (tijdig) heeft opgemerkt dat meerdere voetgangers doende waren de

voetgangersoversteekplaats over te steken en/of zich reeds halverwege die

oversteekplaats liepen, terwijl het verkeerslicht voor die voetgangers

inmiddels op groen stond, en/of

- zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of

- die voetgangers niet heeft laten voorgaan en/of

- op die voetgangersoversteekplaats in botsing of aanrijding is gekomen met die

voetgangers, waardoor

- [slachtoffer 1] (voetganger), zwaar lichamelijk letsel (te weten een kuitbeenbreuk en een indrukkingsbreuk van het knie-oppervlak met afgescheurde botsplinters), of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

- [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] en gezeten in een kinderwagen), zwaar lichamelijk letsel (te weten een schedelbreuk met een losliggend botdeel, bloedingen in het hoofd met verminderde kracht en beweeglijkheid in de linker lichaamshelft) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

- [slachtoffer 2] (voetganger), zwaar lichamelijk letsel (te weten een onderbeenbreuk) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Subsidiair

hij op of omstreeks [datum] te [plaats] als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de kruising gevormd door de voor het openbaar verkeer openstaande wegen, de [naam van de weg 1] en de [naam van de weg 2] , althans op één van deze wegen, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg/wegen werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg/wegen werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

- in strijd met een voor hem, verdachte, rood licht uitstralend verkeerslicht bovengenoemde kruising is opgereden met een snelheid gelegen tussen tenminste 68 en 77 km/uur, zijnde een hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 km/uur en/of

- ( bovendien) met die, gelet op de situatie ter plaatse, veel te hoge snelheid

een voetgangersoversteekplaats is genaderd en/of is opgereden en/of

- niet (tijdig) heeft opgemerkt dat meerdere voetgangers doende waren de voetgangersoversteekplaats over te steken en/of zich reeds halverwege die

oversteekplaats bevonden, terwijl het verkeerslicht voor die voetgangers

inmiddels op groen stond, en/of

- zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of

- die voetgangers niet heeft laten voorgaan en/of

- op die voetgangersoversteekplaats in botsing of aanrijding is gekomen met die

voetgangers.