Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:1629

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-01-2017
Datum publicatie
30-04-2018
Zaaknummer
C/10/513756 / JE RK 16-3417
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beëindiging ouderlijk gezag ex artikel 1:266 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/513756 / JE RK 16-3417

datum uitspraak: 27 januari 2017

beschikking beëindiging van het ouderlijk gezag

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht, hierna te noemen de Raad,

gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2005 te [geboorteplaats minderjarige 1] ,

hierna te noemen [voornaam minderjarige 1] ,

[naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2010 te [geboorteplaats minderjarige 2] ,

hierna te noemen [voornaam minderjarige 2] ,

[naam minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum minderjarige 3] 2012 te [geboorteplaats minderjarige 3] ,

hierna te noemen [voornaam minderjarige 3] ,

[naam minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum minderjarige 4] 2012 te [geboorteplaats minderjarige 4] ,

hierna te noemen [voornaam minderjarige 4] ,

[naam minderjarige 5] , geboren op [geboortedatum minderjarige 5] 2014 te [geboorteplaats minderjarige 5] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 5] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,

hierna te noemen de GI,

gevestigd te Rotterdam,

[naam moeder] , hierna te noemen de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[naam vader] , hierna te noemen de vader,

wonende te Meerkerk,

de familie [naam pleegouders 1] , hierna te noemen de pleegouders van [naam minderjarige 2] en [naam minderjarige 5] ,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

de familie [naam pleegouders 2] , hierna te noemen de pleegouders van [naam minderjarige 3] ,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 3 november 2016, ingekomen bij de griffie op 7 november 2016;

- een brief met bijlage(n) van de Raad van 14 november 2016, ingekomen bij de griffie op 16 november 2016;

- een brief van de GI met bijlage(n) van 9 januari 2017, ingekomen op de griffie op 12 januari 2017;

- een faxbericht van de GI met bijlage(n) van 10 januari 2017, ingekomen op de griffie op 10 januari 2017.

Op 13 januari 2017 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. B.A.M. Oude Breuil,

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. E.M. Putters-van Veen,

- de pleegouders van [naam minderjarige 2] en [naam minderjarige 5] ,

- de pleegouders van [naam minderjarige 3] ,

- een vertegenwoordigster van de Raad, mw. [naam 1] ,

- een vertegenwoordigster van de GI, mw. [naam 2] .

Aan mw. [naam 3] en dhr. [naam 4] , begeleiders van de moeder en beiden werkzaam bij Zorgbureau Maatwerk, is bijzondere toegang verleend.


De feiten


Het ouderlijk gezag over [naam minderjarige 1] , [naam minderjarige 2] en [naam minderjarige 5] wordt uitgeoefend door de moeder.

Het ouderlijk gezag over [naam minderjarige 3] en [naam minderjarige 4] wordt uitgeoefend door de ouders.

Bij beschikking van de kinderrechter van 29 januari 2014 is de ondertoezichtstelling van [naam minderjarige 1] , [naam minderjarige 2] , [naam minderjarige 3] en [naam minderjarige 4] uitgesproken en op 19 januari 2015 is de ondertoezichtstelling van [naam minderjarige 5] uitgesproken.

[naam minderjarige 5] is sinds 19 januari 2015 met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst en sinds 29 januari 2015 zijn [naam minderjarige 1] , [naam minderjarige 2] , [naam minderjarige 3] en [naam minderjarige 4] met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst.

Bij beschikking van 26 januari 2016 van de rechtbank Midden-Nederland is de ondertoezichtstelling van [naam minderjarige 1] , [naam minderjarige 2] , [naam minderjarige 3] , [naam minderjarige 4] en [naam minderjarige 5] verlengd tot 29 januari 2017. Tevens is de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam minderjarige 1] , [naam minderjarige 2] , [naam minderjarige 3] , [naam minderjarige 4] en [naam minderjarige 5] verlengd tot 29 januari 2017.

De GI heeft zich bij brief van 1 november 2016 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.

Het verzoek


De Raad heeft verzocht het ouderlijk gezag van de ouders te beëindigen en de GI tot voogdes over [naam minderjarige 1] , [naam minderjarige 2] , [naam minderjarige 3] , [naam minderjarige 4] en [naam minderjarige 5] te benoemen.

De Raad heeft ter zitting zijn verzoek als volgt toegelicht. [naam minderjarige 1] , [naam minderjarige 2] , [naam minderjarige 3] , [naam minderjarige 4] en [naam minderjarige 5] kennen een belaste voorgeschiedenis. In de periode dat zij nog bij de vader en moeder woonden was sprake van een instabiele thuissituatie en ontbrak het hen aan duidelijkheid, structuur en voorspelbaarheid. Het gezin heeft wisselende verblijfplaatsen gekend en het heeft [naam minderjarige 1] , [naam minderjarige 2] , [naam minderjarige 3] , [naam minderjarige 4] en [naam minderjarige 5] ontbroken aan voldoende stabiliteit en veiligheid. Daarnaast is bij de kinderen sprake van kindeigen problematiek. De moeder kan gezien haar persoonlijke problematiek en de daarbij behorende noodzakelijke hulpverlenging niet in staat worden geacht de verzorging van de kinderen zelfstandig op zich te nemen. Er is naar de mening van de Raad dan ook geen perspectief op terugplaatsing van de kinderen bij de moeder. Daar wordt in het kader van de huidige kinderbeschermingsmaatregelen ook niet langer aan gewerkt. In de samenwerking tussen de moeder en de GI is voorts ook gebleken dat de ondertoezichtstelling niet praktisch uitvoerbaar is. De moeder verzet zich met enige regelmaat tegen noodzakelijke praktische verzoeken omtrent de verzorging en de opvoeding van de kinderen en belemmert daarmee de hulpverlening aan hen. Ook het contact tussen de moeder en de pleeggezinnen van [naam minderjarige 2] , [naam minderjarige 3] en [naam minderjarige 5] verloopt niet goed.

Ten aanzien van de vader is gebleken dat het bij hem ontbreekt aan inzicht in de behoeften van de kinderen. Het contact tussen de vader en de kinderen verloopt goed, echter naar verwachting zal de vader niet in staat zijn de verzorging en opvoeding van de kinderen op zich te kunnen nemen.

De aanvaardbare termijn is voor alle kinderen verstreken, zodat er naar de mening van de Raad nu duidelijkheid dient te komen over de feitelijke en juridische situatie van [naam minderjarige 1] , [naam minderjarige 2] , [naam minderjarige 3] , [naam minderjarige 4] en [naam minderjarige 5] . Een beëindiging van het gezag van zowel de moeder als de vader zal deze noodzakelijke duidelijkheid bieden aan alle betrokkenen. De Raad handhaaft daarom zijn verzoek.

De standpunten van belanghebbenden

Door en namens de moeder is primair betoogd dat het verzoek van de Raad dient te worden afgewezen, nu de aanvaardbaar te achten termijn nog niet is verstreken. Subsidiair heeft de moeder verzocht de behandeling van het verzoek aan te houden.

Het klopt dat de moeder te kampen heeft met persoonlijke problematiek. Sinds zij echter hulp krijgt van Zorgbureau Maatwerk, heeft zij een positieve ontwikkeling laten zien. Zij heeft 24-uurs begeleiding en wordt daarnaast ondersteund bij het nemen van beslissingen. De moeder is van mening dat zij met de geboden hulp en begeleiding in staat moet worden geacht de verzorging en opvoeding van alle vijf de kinderen weer op zich te nemen. Het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag is daarom prematuur. Nader onderzoek naar de mogelijkheden van de moeder is aangewezen. Er zal binnenkort een nieuw persoonlijkheidsonderzoek plaatsvinden. De omstandigheid dat bij de kinderen zelf ook sprake is van de nodige problematiek, ziet de moeder niet als belemmering.

Voorts heeft de moeder betwist dat door haar toedoen de samenwerking met de GI wordt bemoeilijkt. De moeder heeft zich op het standpunt gesteld dat zij wel degelijk bereid is toestemming te verlenen voor de noodzakelijke hulpverlening aan de kinderen, indien verzoeken om mee te werken goed aan haar worden uitgelegd.

De moeder vindt het wel in het belang van [naam minderjarige 3] en [naam minderjarige 4] dat het gezag van de vader over hen wordt beëindigd.

Door en namens de vader is eveneens betoogd dat het verzoek van de Raad dient te worden afgewezen, voor zover het verzoek de vader betreft. Ten aanzien van het verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder is de vader van mening dat dit toegewezen dient te worden.

De vader heeft betwist dat door zijn gezag de ontwikkeling van de kinderen wordt bedreigd. De vader heeft steeds zijn medewerking verleend aan de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen en heeft goed contact met zowel de GI als het pleeggezin. De vader is bang dat door beëindiging van zijn gezag een verwijdering zal ontstaan tussen hem en [naam minderjarige 3] en [naam minderjarige 4] en dat daardoor een eventuele uitbreiding van de contactregeling wordt bemoeilijkt. De vader acht dit niet in het belang van [naam minderjarige 3] en [naam minderjarige 4] .

De GI heeft verklaard het verzoek van de Raad te ondersteunen. Het contact met beide ouders wordt vanuit de GI als beperkt ervaren, waardoor de samenwerking met de ouders moeizaam verloopt. Daarnaast wordt de inzet van hulpverlening aan de kinderen belemmerd. Er wordt niet langer gewerkt aan de doelen van de ondertoezichtstelling. De GI acht het in het belang van alle kinderen dat er duidelijkheid komt over hun juridische en feitelijke situatie.

De pleegouders van [naam minderjarige 2] en [naam minderjarige 5] hebben te kennen gegeven zich te kunnen verenigen met het verzoek van de Raad.

De pleegouders van [naam minderjarige 3] hebben eveneens te kennen gegeven zich te kunnen verenigen met het verzoek van de Raad.

De beoordeling

De rechtbank overweegt, dat zij op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) het gezag van een ouder kan beëindigen, indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

De rechtbank stelt hierbij voorop dat voor het bepalen van de aanvaardbare termijn voor een kind gekeken moet worden naar de periode van onzekerheid die het kind kan overbruggen zonder verdergaand ernstige schade op te lopen voor zijn ontwikkeling als gevolg van onzekerheid over de vraag op welke plek het kind verder zal opgroeien. Volgens de wetgever is het afhankelijk van de leeftijd en de ontwikkeling van de minderjarige wat een redelijke termijn is. In ieder geval sluit een jarenlange verlenging van de ondertoezichtstelling daar niet bij aan en is (volgens de Memorie van Toelichting) voor jongere kinderen de aanvaardbare termijn over het algemeen korter dan voor oudere kinderen.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken.

Vaststaat dat [naam minderjarige 1] , [naam minderjarige 2] , [naam minderjarige 3] , [naam minderjarige 4] en [naam minderjarige 5] allen een belaste voorgeschiedenis kennen en in hun korte levens al de nodige ingrijpende gebeurtenissen hebben meegemaakt.

Daarnaast is bij alle kinderen sprake van specifieke kindeigen problematiek.

[naam minderjarige 1] is nu elf jaar oud en heeft het langst in de instabiele opvoedsituatie bij de moeder verbleven. Hij lijkt hier de meeste schade door te hebben opgelopen. Hij heeft een forse ontwikkelingsachterstand en heeft in grote mate behoefte aan structuur en houvast. Inmiddels is bekend geworden dat [naam minderjarige 1] sinds enkele maanden in een Dushi-huis verblijft, een woonplek voor kinderen en jongeren in de leeftijd van 0 tot 23 jaar die niet meer bij hun ouders kunnen wonen en bij wie sprake is van (ernstige) problematiek. Naar verwachting zal zijn broertje [naam minderjarige 4] hier ook worden geplaatst. Beide jongens kunnen hier in ieder geval blijven wonen totdat zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt. Hierdoor zullen zij samen verder opgroeien.

Bij [naam minderjarige 2] is sprake van hechtingsproblematiek, waarbij nog onduidelijk is welke specifieke hulp zij precies nodig heeft. Nader onderzoek is hiervoor noodzakelijk. [naam minderjarige 2] heeft binnen het (perspectief biedende) pleeggezin een enorme groei laten zien en voelt zich op haar plek. Het is voor haar van groot belang dat zij erop mag vertrouwen dat zij verder mag opgroeien in het pleeggezin, waar ook haar zusje [naam minderjarige 5] verblijft.

[naam minderjarige 3] heeft te kampen met een forse algehele ontwikkelingsachterstand en hechtingsproblemen. In het perspectief biedende pleeggezin wordt haar veel structuur, aandacht, begrenzing en duidelijkheid geboden, waardoor zij lijkt op te bloeien. [naam minderjarige 3] is ingegroeid in het pleeggezin en ervaart stabiliteit en veiligheid.

Ten aanzien van [naam minderjarige 4] zijn ook zorgen over zijn algehele ontwikkeling en de effecten die de instabiele thuissituatie en de wisseling(en) in verblijf teweeg hebben gebracht voor zijn ontwikkeling. [naam minderjarige 4] was in eerste instantie samen met zijn tweelingzus [naam minderjarige 3] geplaatst in een langdurig pleeggezin, maar is vanwege zijn forse problematiek in een crisispleeggezin ondergebracht. [naam minderjarige 4] verblijft thans bij De Hondsberg en een observatiegezin. Hoewel nog altijd niet voldoende duidelijk is welke hulp en ondersteuning hij specifiek behoeft, is wel duidelijk dat hij gebaat is bij veel structuur en duidelijkheid. Naar verwachting zal [naam minderjarige 4] binnenkort opgenomen worden in het Dushi-huis, waar zijn oudere broer [naam minderjarige 1] al verblijft. Op die plek kan tegemoet gekomen worden aan zijn opvoedbehoeften en kan hij tot zijn achttiende levensjaar blijven wonen.

[naam minderjarige 5] heeft nog geen vijf maanden bij haar ouders gewoond. Dit korte verblijf is echter van dien aard geweest dat ook zij veel last heeft ervaren van de instabiele situatie en het gebrek aan veiligheid. [naam minderjarige 5] is ingegroeid in het (perspectief biedende) pleeggezin, waar zij sinds mei 2015 samen met haar zus [naam minderjarige 2] verblijft. [naam minderjarige 5] ontwikkelt zich sinds de plaatsing positief. [naam minderjarige 5] zit op een belangrijk punt in haar hechtingsontwikkeling; het doorbreken daarvan wordt niet in haar belang geacht.

Gezien deze kindspecifieke problemen en behoeften vergt de opvoeding van [naam minderjarige 1] , [naam minderjarige 2] , [naam minderjarige 3] , [naam minderjarige 4] en [naam minderjarige 5] meer dan bovengemiddelde opvoedvaardigheden van een ouder of verzorger.

De rechtbank leidt voorts uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting af, dat ook ten aanzien van de ouders sprake is persoonlijke problematiek.

In het verleden is (opvoed)ondersteuning en begeleiding van de ouders ingezet door onder meer ’s Heerenloo, Centrum Jeugd en Gezin, MEE, GGZ, ASVZ, schuldhulpverlening en 10 voor Toekomst.

De moeder heeft sinds enige tijd vanuit Zorgbureau Maatwerk 24-uurs begeleiding waarbij zij bij haar dagelijks handelen wordt ondersteund. Thans lijkt sprake te zijn van een positieve ontwikkeling, deze ontwikkeling is echter pril. Eerder is de moeder wisselend geweest in het meewerken aan de hulpverlening en is zij onbetrouwbaar gebleken ten aanzien van het nakomen van afspraken.

De vader heeft ook veel begeleiding nodig voor zijn eigen problemen en heeft hier wisselend aan meegewerkt. Ook ten aanzien van de vader wordt gerapporteerd dat hij onbetrouwbaar is gebleken in de nakoming van de afspraken. De vader houdt veel van zijn kinderen en de bezoeken verlopen goed. De vader is echter niet in staat de adviezen vanuit de hulpverlening om te zetten in adequaat handelen. Hij kan daarmee onvoldoende tegemoet komen aan de opvoedbehoeften van [naam minderjarige 3] en [naam minderjarige 4] .

De zorgen die bestaan over de kindeigen problematiek worden door de ouders niet ontkend. De moeder is desondanks van mening dat zij met de nodige hulp en ondersteuning alle kinderen kan bieden wat zij nodig hebben en tegemoet kan komen aan de specifieke opvoedbehoeften. De rechtbank is echter van oordeel dat hoewel zij de wens van de moeder begrijpt, de moeder hierin gezien haar persoonlijke situatie en problematiek niet kan worden gevolgd. In het verleden langdurig ingezette (opvoed)ondersteuning en begeleiding heeft niet kunnen voorkomen dat de kinderen twee jaar geleden allen uit huis geplaatst moesten worden.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat beide ouders thans en op termijn niet in staat kunnen worden geacht de verzorging en opvoeding van [naam minderjarige 1] , [naam minderjarige 2] , [naam minderjarige 3] , [naam minderjarige 4] en [naam minderjarige 5] op zich te nemen. De aanvaardbaar te achten termijn om daarnaar toe te werken is naar het oordeel van de rechtbank inmiddels voor alle kinderen verstreken. De rechtbank heeft bij haar oordeel meegewogen dat de kinderen in leeftijd variëren van 2 tot 11 jaar, waardoor de aanvaardbaar te achten termijn per kind kan verschillen.

De rechtbank stelt op grond van het vorenstaande vast dat alle kinderen voorafgaande aan de uithuisplaatsing zodanig opgroeiden dat zij allen in hun ontwikkeling ernstig werden bedreigd. De ouders zijn, gezien hun eigen problematiek in combinatie met de meer dan gemiddelde opvoedvaardigheden die nodig zijn om de kinderen te bieden wat zij nodig hebben, niet in staat de verantwoordelijkheid voor hun verzorging en opvoeding te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van ieder van de kinderen aanvaardbaar te achten termijn.

De rechtbank neemt tevens in aanmerking dat de samenwerking tussen de GI en de ouders zeer moeizaam is verlopen, waardoor noodzakelijke hulp aan de kinderen onnodig vertraagd is geweest. Er is geen perspectief op terugplaatsing van (één van) de kinderen bij (één van) de ouders. Ook in het kader van de huidige kinderbeschermingsmaatregelen wordt daar niet langer aan gewerkt. De rechtbank ziet gezien dat oordeel in de prille positieve ontwikkeling van de moeder geen aanleiding om nog nader onderzoek te laten doen naar de mogelijkheden van de moeder.

De kinderen hebben thans grote behoefte aan duidelijkheid over hun situatie. Zij verblijven allen in een vorm van perspectief biedende pleegzorg dan wel (voor [naam minderjarige 4] op korte termijn) in een gezinshuis waar zij tot hun achttiende levensjaar kunnen blijven wonen. [naam minderjarige 2] en [naam minderjarige 5] groeien samen op en [naam minderjarige 1] en [naam minderjarige 4] zullen ook samen opgroeien. Het is voor de ontwikkeling van de kinderen van groot belang dat zij ervaren dat zij mogen blijven op de plek waar zij zijn en dat zij vanuit die situatie contact mogen en kunnen hebben met de ouders. Om bij te dragen aan die situatie wordt het juridisch formaliseren van de huidige situatie noodzakelijk geacht.

De rechtbank is daarom van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, sub a BW is voldaan en zal het verzoek tot beëindiging van het gezag van de ouders toewijzen.

De rechtbank wijst er nadrukkelijk op dat het beëindigen van het gezag niets afdoet aan het feit dat de ouders altijd de ouders van de kinderen blijven en dat hun rol in het leven van de kinderen van groot belang blijft. Beëindiging van het gezag van de ouders staat niet in de weg aan de omgang met de kinderen.

Omdat de beëindiging van het gezag van de ouders ertoe zal leiden, dat een gezagsvoorziening over [naam minderjarige 1] , [naam minderjarige 2] , [naam minderjarige 3] , [naam minderjarige 4] en [naam minderjarige 5] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid BW een voogd over hen te benoemen. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank acht het van belang dat de belangen van [naam minderjarige 1] , [naam minderjarige 2] , [naam minderjarige 3] , [naam minderjarige 4] en [naam minderjarige 5] zullen worden behartigd door een neutrale derde. De GI is in dat kader de meest aangewezen instantie om deze rol te vervullen. De voorgestelde voogdes, de GI, heeft zich bereid verklaard de voogdij op zich te nemen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de GI moet worden belast met de voogdij.

Op grond van het bepaalde in artikel 1:276 lid 1 BW worden de vader en de moeder als ouders waarvan het gezag wordt beëindigd, veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording aan hun opvolger in het bewind, ervan uitgaande dat zij het bewind voerden over het vermogen van [naam minderjarige 3] en [naam minderjarige 4] .

Op grond van het bepaalde in artikel 1:276 lid 1 BW wordt de moeder als ouder waarvan het gezag wordt beëindigd, veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording aan haar opvolger in het bewind, ervan uitgaande dat zij het bewind voerde over het vermogen van [naam minderjarige 1] , [naam minderjarige 2] en [naam minderjarige 5] .

De beslissing


De rechtbank:

beëindigt het ouderlijk gezag van [naam moeder] , geboren op [geboortedatum moeder] te [geboorteplaats moeder] , over [naam minderjarige 1] , [naam minderjarige 2] , [naam minderjarige 3] , [naam minderjarige 4] en [naam minderjarige 5] ;

beëindigt het ouderlijk gezag van [naam vader] , geboren op [geboortedatum vader] te [geboorteplaats vader] , over [naam minderjarige 3] en [naam minderjarige 4] ;

benoemt tot voogdes over genoemde minderjarigen de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering;

veroordeelt [naam moeder] aan de voogdes rekening en verantwoording van het gevoerde bewind over het vermogen van [naam minderjarige 1] , [naam minderjarige 2] , [naam minderjarige 3] , [naam minderjarige 4] en [naam minderjarige 5] te doen;

veroordeelt [naam vader] aan de voogdes rekening en verantwoording van het gevoerde bewind over het vermogen van [naam minderjarige 3] en [naam minderjarige 4] te doen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. O.E.M. Leinarts, voorzitter tevens kinderrechter, en mrs. G.M. Paling en A.A.J. de Nijs, kinderrechters, in tegenwoordigheid van V.E. Scholtens als griffier en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2017.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.