Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:1535

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-02-2017
Datum publicatie
03-03-2017
Zaaknummer
5615877
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Ontslag op staande voet. Verdenking van diefstal gereedschapstrolley. Zoveel aanwijzingen die erop wijzen dat het niet om de door de werknemer genoemde verrassing voor collega's ging, dat werkgever vertrouwen in werknemer terecht verloor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-0238
AR 2017/1157

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 5615877 VZ VERZ 16-24800

uitspraak: 20 februari 2017

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [plaatsnaam],

verzoeker,

gemachtigde: mr. A.J. Vis te Rotterdam,

tegen

de stichting Stichting voor Educatie en Beroepsonderwijs Zadkine,

gevestigd te Rotterdam,

verweerster,

gemachtigde: mr. P.Th. Sick te Amsterdam.

Partijen worden hierna ‘[verzoeker]’ en ‘Zadkine’ genoemd.

1 De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

  • -

    het verzoekschrift met producties, ontvangen op 30 december 2016;

  • -

    het verweerschrift met producties, ontvangen op 30 januari 2017;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 13 februari 2017.

2 De feiten

Er wordt uitgegaan van de volgende feiten:

2.1

[verzoeker] (geboren op [geboortedatum] 1975) is op 1 september 2015 als facilitair medewerker in dienst getreden bij Zadkine. Het betrof een contract voor de bepaalde tijd van één jaar, dat daarna met één jaar is verlengd, tot 1 september 2017.

2.2

Zadkine heeft [verzoeker] op 4 november 2016 op staande voet ontslagen. Zadkine schrijft in een brief aan [verzoeker] van die datum, voor zover nu van belang:

U werkt bij de opleiding Autotechnicus aan de Nikkelstraat in Rotterdam. Bij deze opleiding worden leerlingen van onze stichting opgeleid tot automonteur. Daartoe staan in de garage aan de locatie Nikkelstraat auto’s van derden, waaraan met gereedschap, dat in eigendom is van onze stichting of van derden, wordt gesleuteld. Een derde partij, Innovam, is bij deze opleiding betrokken.

Op dit moment wordt, door een door Zadkine daartoe ingeschakeld bedrijf, in de garage een sprinklerinstallatie aangebracht. Dat gebeurt na schooltijd. In verband daarmee wordt de garage dagelijks door een van onze medewerkers, de heer [V.], ’s avonds laat afgesloten, nadat deze derde partij zijn werkzaamheden voor de dag heeft afgerond.

Op maandag 31 oktober 2016 heeft u de heer [V.] een aantal malen per app en telefonisch benaderd en aangeboden om die avond in zijn plaats de garage af sluiten. Dat heeft de heer [V.] afgewezen.

Op dinsdag 1 november 2016 had u geen dienst. Die dag is vastgesteld dat een gereed-schapstrolley (met daarin gereedschap en enige auto-onderdelen van een auto (een Citroen BX) die in de garage stond ter reparatie), uit onze garage aan de Nikkelstraat verdwenen was.

Naar aanleiding van die constatering is nader onderzoek gepleegd. In dat kader zijn onder andere de camerabeelden die gemaakt zijn van de garage bekeken. Uit die camerabeelden blijkt het volgende.

Op maandagavond 31 oktober 2016 rond 18.30 uur is een auto de garage aan de Nikkelstraat binnengereden. Een man, die door diverse van onze medewerkers wordt herkend als uw persoon, stapt uit deze auto, laadt vervolgens een trolley achterin deze auto en rijdt weer weg. U had op dat moment geen dienst, en er waren geen onderwijsactiviteiten. U heeft ook nadien niet aan Zadkine laten weten dat u deze trolley in uw auto hebt geladen en daarmee bent weggereden.

Om u in de gelegenheid te stellen om zich te verantwoorden voor deze vastgestelde feiten bent u uitgenodigd voor een gesprek op 4 november 2016. Na ontvangst van deze uitnodiging en voorafgaand aan het gesprek heeft u aan de heer [W.] aan appje gestuurd met de tekst: ‘Heb de brief ontvangen. Het doet me ten zeerste pijn dat er op deze manier met de situatie wordt omgegaan. Ik wou alleen maar een geintje uithalen met [voornaam 1] en [voornaam 2]. Ik wou hun met mijn geintje een hart onder de riem steken na het rot nieuws dat ze alsnog weg gaan in december. Ik vind het ook treurig dat de situatie zo wordt opgelost en ik vraag me af waarom ik niet gewoon gebeld ben. Er wordt van een mug een olifant gemaakt terwijl er eigenlijk niets aan de hand is. Ik heb me al die tijd keihard ingezet voor de school. Ik zal er vrijdag zijn en wil dat [voornaam 1] bij dit gesprek aanwezig is.’

(…)

De aard en ernst van deze gedragingen, op zichzelf genomen, maar zeker in onderlinge samenhang bezien, en rekening houdend met de omstandigheden van het geval (waaronder uw functie en uw persoonlijke omstandigheden), vormen voor Zadkine een dringende reden in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW jo. 7:678 BW die een ontslag op staande voet rechtvaardigt. Bij deze verlenen wij u dat ontslag op staande voet ook.

3 Het geschil

3.1

[verzoeker] stelt dat hij onterecht op staande voet is ontslagen door Zadkine. Hij legt zich wel bij dit ontslag op staande voet neer, maar verzoekt veroordeling van Zadkine tot betaling van het loon over de tijd dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging nog had voortgeduurd, primair een bedrag van € 27.622,90 bruto, subsidiair € 11.049,16 bruto.

3.2

Zadkine betwist het verzoek. Zij voert aan dat zij [verzoeker] wel degelijk terecht op staande voet ontslagen heeft.

3.3

Voor zover voor de beoordeling van belang, wordt hierna ingegaan op de overige stel-lingen van partijen.

4 De beoordeling

4.1

In deze zaak moet beoordeeld worden of Zadkine [verzoeker] al dan niet terecht op staande voet heeft ontslagen.

4.2

Zadkine kan [verzoeker] op staande voet ontslaan als daar een dringende reden voor is (artikel 7:677 lid 1 BW). Zadkine heeft een dringende reden om [verzoeker] op staande voet te ontslaan, als sprake is van een zodanige daad, eigenschap of gedraging van [verzoeker], dat van Zadkine redelij-kerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (artikel 7:678 lid 1 BW).

4.3

Zadkine heeft [verzoeker] naar het oordeel van de kantonrechter terecht op staande voet ontsla-gen. Of [verzoeker] nu daadwerkelijk de bedoeling had om de gereedschapstrolley te stelen of niet, hijzelf betwist dit, is bij dit oordeel niet eens van doorslaggevend belang. Het gaat erom dat, nu alles erop wijst dat [verzoeker] die bedoeling wél had, Zadkine terecht alle vertrouwen in [verzoeker] heeft kunnen verliezen en dat van haar in die omstandigheid niet verlangd kon worden dat zij [verzoeker] nog langer in dienst zou houden. Daarbij is het volgende van belang.

4.4

Wat de bedoeling daarvan ook is, het is om te beginnen volstrekt onaanvaardbaar om, zonder daarvoor toestemming te vragen, een gereedschapstrolley vanaf de werkvloer mee naar huis te nemen. In dit geval komt daar nog bij dat de trolley niet eens van Zadkine was, maar van Innovam, en dat deze trolley stond op een plaats (het pand naast de locatie waar [verzoeker] werkte) waar [verzoeker] welbeschouwd niets te zoeken had, zeker niet op het tijdstip waarop hij de trolley in zijn auto heeft geladen. [verzoeker] stelt dat hij de trolley nodig had voor een ver-rassing, maar ook als dit waar is, dan nog had hij daar toestemming voor aan zijn leidingge-vende moeten vragen. De leidinggevende had, als hij ermee ingestemd had, heus de verras-sing niet verklapt aan [voornaam 1] en [voornaam 2] (voor wie de verrassing volgens [verzoeker] bedoeld was). De angst dat de leidinggevende dit wel zou doen had [verzoeker] dus niet van het vragen om de trolley hoeven weerhouden.

4.5

De manier en het tijdstip waarop [verzoeker] [voornaam 1] en [voornaam 2] wilde verrassen, roept vragen op. [verzoeker] wilde naar hij stelt de trolley vullen met ‘snoep en lekkernijen’, maar ligt het niet meer voor de hand de (kleinere) snoep en de lekkernijen naar de (grotere) gereedschapstrolley te brengen in plaats van andersom. [verzoeker] verklaart dit met dat hij de trolley eerst schoon wilde maken, maar een verklaring voor waarom hij zoveel moeite zou doen voor [voornaam 1] en [voornaam 2] ontbreekt. Hij stelt slechts dat [voornaam 1] en [voornaam 2] ‘een moeilijke tijd doormaakten’, maar details hierover ontbreken (naast het feit dan dat hun contract werd beëindigd) en [verzoeker] legt ook niet uit waarom hij zo betrokken was bij [voornaam 1] en [voornaam 2]. Daar komt bij dat [voornaam 1] en [voornaam 2] pas eind december weg zouden gaan, terwijl dit incident zich bijna twee maanden eerder heeft voorgedaan. Overigens verklaart [verzoeker] dat de gereedschapstrolley amper gebruikt werd. Het is dus niet zo dat [voornaam 1] en [voornaam 2] de trolley op de dag dat [verzoeker] van plan was deze terug te zetten, zeker zouden gebruiken en dan zouden merken dat deze gevuld zou zijn met voor hen bestemd snoep.

4.6

Bij het voorgaande komt nog dat [verzoeker] zijn collega [V.] op de dag dat hij de trolley meenam meerdere keren heeft aangeboden in plaats van [V.] de garage af te sluiten (wat, als [V.] daarop in was gegaan, [V.] uit het zicht zou hebben gehouden), er op die dag ‘iets’ aan de hand was met de camera (pas toen deze weer gemaakt was bleek dat de camera wel opnamen gemaakt had), dat er rond de tijd dat [verzoeker] de trolley meenam meer-dere mensen in de garage aanwezig waren (wat niet noodzakelijkerwijs [verzoeker] verdacht zou maken) en dat [verzoeker] op een eerder moment zijn belangstelling voor een trolley al eens heeft laten blijken ([verzoeker] wilde dus graag een trolley hebben).

4.7

Al de voornoemde feiten en omstandigheden wijzen eerder in de richting van diefstal dan van een met de beste bedoelingen meegenomen trolley om daar [voornaam 1] en [voornaam 2] mee te verrassen. Zadkine heeft daarom zoals gezegd terecht alle vertrouwen in [verzoeker] verloren en zij heeft hem daarom terecht op staande voet ontslagen. Het verzoek van [verzoeker] wordt daarom af-gewezen.

4.8

[verzoeker] is de in het ongelijk gestelde partij. Hij wordt daarom veroordeeld in de kosten van de procedure.

5 De beslissing

De kantonrechter:

wijst het verzoek af;

veroordeelt [verzoeker] in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Zad-kine vastgesteld op € 800,00 aan salaris voor haar gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Vlaswinkel en uitgesproken ter openbare terecht-zitting.

686