Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:1518

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-02-2017
Datum publicatie
27-02-2017
Zaaknummer
10/701171-16 en 10/691000-15 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling van een zeventien-, bijna achttienjarige jongen, bij wie sprake is van een ernstige gedragsstoornis en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale trekken tot oplegging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel).

De verdachte heeft zich, al dan niet samen met een ander of anderen, schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging, twee straatroven en schuldheling van een OV kaart.

Overwegingen met betrekking tot het in beslag nemen en uitlezen van de smartphone van verdachte, heling, medeplegen en noodweer(exces).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummer: 10/701171-16

Parketnummer vordering TUL VV: 10/691000-15

Datum uitspraak: 2 februari 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[Naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [BRP-adres] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in JJI de Hartelborgt te Spijkenisse.

Raadsman mr. G.S.J. van Gestel, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 19 januari 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A.P.G. de Beer heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2 primair, 3, 4 en 5 primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak feit 1

4.1.1.

Standpunten officier van justitie en verdediging

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte een misdrijf heeft voorbereid. Hij voert aan dat gebleken is dat het de verdachte was die deelnam aan het tapgesprek en dat het volstrekt helder is wat hij van plan was, namelijk inbreken bij zijn buurman in de nacht van Oud en Nieuw 2015/2016.

De raadsman bepleit vrijspraak omdat niet buiten redelijke twijfel vaststaat dat de verdachte aan het bewuste tapgesprek heeft deelgenomen. Voorts is volgens de verdediging niet voldaan aan het vereiste van een dubbele opzet: opzet op het misdadige doel en opzet gericht op het voorhanden hebben van de voorbereidingsmiddelen.

4.1.2.

Beoordeling

Ten einde tot een veroordeling te kunnen komen dient onder meer wettig en overtuigend bewezen te kunnen worden dat de verdachte en/of zijn mededader de in de tenlastelegging genoemde voorbereidingsmiddelen te weten: een cilindertrekker (slotentrekker) en/of boor voorhanden hebben gehad. De rechtbank overweegt dat in het bewuste tapgesprek - als al wordt aangenomen dat de verdachte daaraan heeft deelgenomen - wordt gesproken over de genoemde voorbereidingsmiddelen en het plegen van een inbraak bij een buurman. Maar daarmee is nog geen sprake van het voorhanden hebben van deze voorbereidingsmiddelen. Tijdens de doorzoeking bij de verdachte noch anderszins zijn een cilindertrekker en/of boor bij de verdachte aangetroffen. Dit leidt tot de conclusie dat het onder 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering feit 2

4.2.1

Standpunten officier van justitie en verdediging

De officier van justitie acht heling wettig en overtuigend bewezen, in het bijzonder ten aanzien van de goederen die in de kast op de slaapkamer van verdachte zijn aangetroffen.

De raadsman bepleit vrijspraak omdat niet bewezen is dat de verdachte wetenschap en beschikkingsmacht heeft gehad over de goederen genoemd in de tenlastelegging.

4.2.2

Beoordeling

De rechtbank stelt vast dat er op 31 december 2015 een doorzoeking is geweest in de woning waar de verdachte met zijn moeder en broers woont. Bij die doorzoeking is een panty in de meterkast aangetroffen met daarin een bankpas op naam van [naam] , een bankpas op naam van [naam] , een verblijfsdocument op naam van [naam] , een OV-kaart op naam van [naam] en een identiteitskaart op naam van [naam] . Ook zijn bij die doorzoeking in de kast op de slaapkamer van de verdachte een OV-kaart op naam van [naam] en een paspoort op naam van [naam] aangetroffen.

Ten einde tot een veroordeling wegens heling te kunnen komen, dient wettig en overtuigend bewezen te kunnen worden dat het betreffende goed afkomstig is van een misdrijf.

De rechtbank overweegt dat uit het dossier kan worden afgeleid dat enkel de OV-kaart op naam van [naam] en het verblijfsdocument op naam van [naam] van misdrijf afkomstig zijn. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat de overige tenaamgestelde bankpassen en documenten van een misdrijf afkomstig zijn. Van de heling van deze goederen wordt de verdachte daarom vrijgesproken.

De rechtbank volgt de raadsman in zoverre dat niet bewezen kan worden dat de verdachte wetenschap had van en beschikkingsmacht had over de goederen die in de panty in de meterkast zijn aangetroffen, waaronder het verblijfsdocument op naam van [naam] , nu de verdachte niet alleen in de woning woont.

Dit ligt anders voor de OV-kaart op naam van [naam] , die in de kast in de slaapkamer van de verdachte is aangetroffen. De rechtbank leidt uit de plaats waar deze kaart werd bewaard af dat de verdachte dat goed voorhanden had.

De rechtbank acht de schuldheling van de OV-kaart wettig en overtuigend bewezen. Verdachte had ten tijde van het voorhanden krijgen van de pas redelijkerwijs moeten vermoeden dat deze van diefstal afkomstig was/kon zijn, nu het om een op naam gestelde pas gaat waarvan een eigenaar niet vrijwillig afstand zal doen.

4.3.

Overweging

Overweging met betrekking tot het in beslag nemen en uitlezen van de smartphone van verdachte

De raadsman betoogt primair dat de WhatsApp-gesprekken die zijn aangetroffen in de telefoon van de verdachte van het bewijs dienen te worden uitgesloten omdat het onderzoek daarnaar onrechtmatig is geschied.

Onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 april 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:2954, stelt de raadsman dat er geen wettelijke grondslag was om onderzoek te doen naar de gegevens die waren opgeslagen in de bij de verdachte inbeslaggenomen telefoon. Bovendien heeft het onderzoek plaatsgevonden zonder een daartoe strekkende opdracht. Ook wordt volgens de raadsman met de doorzoeking van de smartphone van de verdachte een compleet beeld van verdachte’s privéleven verkregen, hetgeen een inbreuk oplevert op het recht op privéleven van de verdachte, zoals beschermd door artikel 8 van het Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM).

Beoordeling

In navolging van de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 13 november 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:5007) en 24 februari 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:579) is de rechtbank van oordeel, dat artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering de wettelijke grondslag biedt voor het in beslag nemen van een telefoon, alsmede voor het veilig stellen van en het onderzoek doen naar de op de telefoon opgeslagen gegevens, waaronder WhatsApp-gesprekken. Hieruit volgt dat ook voor de inbeslagname van de telefoon van de verdachte na de aanhouding van de verdachte op 4 juni 2016 (in de zaak [zaaksnaam] ) een wettelijke grondslag bestond. De rechtbank is niet gebleken dat de telefoon in beslag is genomen anders dan om in de zaak waarvoor de verdachte was aangehouden de waarheid aan het licht te brengen. Dat de in de telefoon opgeslagen en door de politie veilig gestelde gegevens niet direct na inbeslagname zijn onderzocht, maakt dat niet anders.

De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of er ook een wettelijke grondslag bestond om op een later moment onderzoek te doen naar de in de telefoon opgeslagen gegevens anders dan in het kader van de waarheidsvinding in de zaak waarvoor de verdachte op 4 juni 2016 was aangehouden. Die vraag beantwoordt de rechtbank op grond van het hierna volgende bevestigend.

De van de telefoon van de verdachte afkomstige gegevens die door de politie zijn veilig gesteld en opgeslagen, zijn aan te merken als politiegegevens in de zin van artikel 1 van de Wet politiegegevens. Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wet politiegegevens kunnen deze gegevens worden verwerkt met het oog op de uitvoering van de dagelijkse politietaak gedurende een periode van één jaar na de datum van de eerste verwerking. Op grond van artikel 1, sub c, van de Wet politiegegevens wordt onder het verwerken van politiegegevens ook het raadplegen, gebruiken en vergelijken van politiegegevens verstaan. Op grond van artikel 13 onder b kunnen politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig artikel 8, 9 en 10, zelfs verder worden verwerkt voor zover zij relevant zijn voor het ophelderen van strafbare feiten die nog niet herleid konden worden tot een verdachte.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie onweersproken gesteld dat hij in de zomer van 2016 de opdracht heeft gegeven om nader onderzoek te doen naar de gegevens in de telefoons van de verdachte.

Naar het oordeel van de rechtbank vormden de verdenking van een straatroof in de zaak [zaaksnaam] , die heeft geleid tot de aanhouding van de verdachte op 4 juni 2016, tezamen met de ter zitting gegeven toelichting van de officier van justitie, voldoende grond voor de politie om ter uitvoering van de politietaak als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet politiegegevens op een later moment nader onderzoek te doen naar de gegevens die in de telefoons van de verdachte waren opgeslagen. Hieruit volgt dat ook voor dit nadere onderzoek naar de gegevens in de telefoon van de verdachte een wettelijke grondslag bestond.

Het verweer dat het onderzoek naar de privé-gegevens van de verdachte niet voldoet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit zoals die voortvloeien uit artikel 8, tweede lid, van het EVRM slaagt evenmin. Het onderzoek naar de gegevens in de inbeslaggenomen telefoon is gedaan, omdat de verdachte verdacht werd van het plegen van een straatroof. Straatroven zijn naar het oordeel van de rechtbank misdrijven die dermate ingrijpend zijn voor de slachtoffers en een dermate grote inbreuk maken op de rechtsorde dat zij een verregaande inbreuk op de privacy van de verdachte rechtvaardigden.

Het vorenstaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat het verweer van de raadsman moet worden verworpen en dat de gegevens die in de inbeslaggenomen telefoon van de verdachte waren opgeslagen voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

4.4.

Bewijswaardering feiten 4 en 5

4.4.1

Standpunten officier van justitie en verdediging

Feit 4

De officier acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met een mededader aangever [naam aangever] heeft beroofd.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

Feit 5

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met mededaders aangever [naam aangever 2] heeft beroofd. De raadsman heeft vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De raadsman heeft onder meer aangevoerd dat niet blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking.

4.4.2

Beoordeling feiten 4 en 5

Uit het dossier kan worden afgeleid dat aangever [naam aangever] op 20 mei 2016 omstreeks 15:50 uur op de openbare weg door twee daders is beroofd van onder meer een paspoort en een ketting. De politie heeft geverbaliseerd dat de verdachte in het signalement past van één van de daders en dat er bij de verdachte een zogeheten camouflagejas in beslag is genomen die overeenstemt met de jas die door één van de daders werd gedragen. Met de telefoon waarvan kan worden vastgesteld dat deze in gebruik was bij de verdachte, is op 20 mei 2016 om 15:54:52 - zijnde een tijdstip gelegen één minuut na de 112-melding van aangever [naam aangever] - een bericht naar ' [naam] ' gestuurd met de boodschap 'Er is een ketting gekante. Net net. Kom checken wat het is'. Vervolgens is dezelfde dag met dezelfde telefoon om 15:55.23 uur een foto van een ketting gestuurd naar ' [naam] '. De rechtbank stelt vast dat deze ketting overeenkomt met de weggenomen ketting van aangever [naam aangever] . Voorts is op de bewuste foto een deel van een paspoort te zien.

Uit het dossier blijkt voorts dat aangever [naam aangever 2] op 4 juni 2016 is beroofd op de openbare weg, het [adres] te [plaats] . Daarbij zijn in elk geval zijn jas, een geldbedrag, een telefoon en sleutels ontvreemd. Kort na de beroving renden vier mannen bij de aangever vandaan. De aangever heeft hen achtervolgd, maar is de mannen kwijtgeraakt. Een getuige heeft de vier mannen een flat zien ingaan en de woning aangewezen waar de mannen naar binnen gingen. In die woning heeft de politie enige tijd later in totaal negen mensen aangetroffen. Het betreft acht mannen, onder wie de verdachte, en een vrouw, zijnde medeverdachte [naam medeverdachte 1] . In de woning is onder andere de jas van de aangever aangetroffen.

De politie heeft beelden veiliggesteld waarop te zien is wie op welke tijdstippen (onder andere) de trappen op en afgaat. Daarop is te zien dat op tijdstippen die correleren met de beroving vijf mannen naar beneden gingen. Enige tijd later gingen vier mannen weer naar boven. Een van die mannen droeg toen een voorwerp dat sterk lijkt op de jas van de aangever en (daarmee) op de jas die later is aangetroffen in de woning waar de verdachten zijn aangehouden. Politieambtenaren hebben van vier van de acht aangehouden mannen aangegeven dat zij, gelet op uiterlijke kenmerken en/of kleding (zeer) sterk lijken op vier van de vijf personen die zijn te zien op de beelden. Dit betreffen de medeverdachten [naam medeverdachte 2] , [naam medeverdachte 3] , [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 5] . De rechtbank acht gelet op het vorenstaande bewezen dat medeverdachten [naam medeverdachte 2] , [naam medeverdachte 3] , [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 5] degenen zijn geweest die op 4 juni 2016 de straatroof feitelijk hebben uitgevoerd. Reeds uit de wijze van uitvoering blijkt dat de daadwerkelijke uitvoerders als medeplegers hebben gehandeld.

Ten aanzien van de rol van de verdachte, overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de verklaring van [naam medeverdachte 1] d.d. 12 november 2016 blijkt dat de verdachte haar eerder had gevraagd om mannen te vragen naar een plaats te komen, alwaar deze mannen beroofd zouden kunnen worden. In de telefoon van de verdachte, aangetroffen bij [naam medeverdachte 1] , heeft de politie bij onderzoek Whatsapp-gesprekken aangetroffen die deze verklaring van [naam medeverdachte 1] bevestigen. Verdachte heeft onder meer naar [naam medeverdachte 1] de volgende berichten gestuurd: ‘Kijk wie van jou mensen geld heeft of goud kunnen we leuke dingen doen’, ‘Kijk welke beste is om te nakke’, ‘Laat me gezicht niet vallen heb me mannen in gelicht’, ‘hij word ook prooi’; ‘Ik ga niks doen mijn mensen snapje’. Ook heeft hij haar in één van de WhatsApp gesprekken geïnstrueerd dat zij de mannen die zij moest lokken ‘zoet moest maken’ en dingen moest vragen zodat zij zouden denken dat ze van geld houdt. Hij instrueerde haar wat zij moest zeggen, namelijk: ‘zeg maar wat we gaan doen hotel dit op Parijs’, ‘gooi de gekste leugens’ en ‘mensen die geld laten zien hebben meestal geen geld’. Ook hebben de verdachte en [naam medeverdachte 1] via WhatsApp profielfoto’s gedeeld van mogelijke slachtoffers. Hij heeft haar gevraagd ‘hoe de setups ervoor staan’ en dat zij haar procenten krijgt. De verdachte noemt de mogelijke slachtoffers ‘prooien’ en heeft tegen [naam medeverdachte 1] gezegd dat haar agenda vol moet staan.

Uit de verklaring van [naam medeverdachte 1] d.d. 12 november 2016 blijkt eveneens dat zij op 4 juni 2016 aangever [naam aangever 2] heeft gebeld omdat de verdachte had gezegd dat zij hem moest laten komen. Zij heeft vervolgens met de aangever afgesproken dat hij naar haar toe zou komen. De verdachte heeft haar geïnstrueerd hoe de aangever bij het [adres] kon komen. De aangever heeft verklaard dat het meisje hem had uitgenodigd, dat hij naar het [adres] moest komen. Zij zei dat hij moest parkeren op het plein bij de rotonde en toen moest hij lopen naar de achterkant van de woning waar haar zus zou wonen. De aangever kon het niet vinden en heeft haar meerdere keren gebeld. Voorts blijkt uit de verklaring van [naam medeverdachte 1] dat op het moment dat zij het telefoongesprek met aangever beëindigde vier of vijf mannen met jassen en petten uit de woning naar beneden gingen. Vervolgens vroeg de verdachte aan [naam medeverdachte 1] , aldus [naam medeverdachte 1] , om met haar mee de badkamer in te gaan en kort daarna hoorde ze dat er jongens de woning in kwamen rennen. Verdachte wilde niet tegen haar zeggen wat er aan de hand was en was nerveus en de hele tijd bezig met zijn telefoon. Dit laatste wordt bevestigd door de WhatsApp-gesprekken die verdachte op 4 juni 2016 tussen 01:58.52 uur en 02:55:16 uur voerde. Hieruit kan worden afgeleid dat de verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte 4] zich, samen met anderen, schuil hielden in de woning voor de politie, door op de grond te gaan liggen dan wel 'laag te blijven'. Ook zei de verdachte: 'die chiemeid moet loesoe'. Het is de rechtbank ambtshalve bekend, dat dit straattaal is voor: ”het meisje moet weg.” De rechtbank leidt hieruit af, dat hiermee bedoeld is dat de vrouwelijke verdachte [naam medeverdachte 1] uit de woning weg moest zijn voordat de politie (mogelijk) binnen zou komen.

Ook heeft de verdachte diezelfde avond kort nadat de straatroof heeft plaatsgevonden,

omstreeks 02:05:24 uur aan ' [naam] ' gevraagd om even naar hem toe te komen omdat er net is 'ge race'. Dit betreft dezelfde ‘ [naam] ’ als aan wie de verdachte na de straatroof van [naam aangever] vroeg te komen om te 'checken wat het is'.

Uit de bovenstaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, leidt de rechtbank af dat de verdachte één van de twee daders is geweest die aangever [naam aangever] heeft beroofd.

De rechtbank ziet zich voorts voor de vraag gesteld hoe het handelen van de verdachte inzake de straatroof van aangever [naam aangever 2] valt te kwalificeren.

Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat er sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is.

Hoewel de verdachte zelf geen uitvoeringshandelingen heeft verricht, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank daarbij een intellectuele en materiële rol van zodanig gewicht gespeeld, dat zijn rol moet worden aangemerkt als medepleger. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de verdachte samen met [naam medeverdachte 1] en de mededaders in een woning verbleef, waarbij verdachte niet alleen [naam medeverdachte 1] heeft ingezet om aangever [naam aangever 2] te kunnen beroven (gebruikt als lokaas), maar dat hij [naam medeverdachte 1] ook heeft geïnstrueerd om de aangever naar de bewuste plek te laten komen. Van belang daarbij is dat de verdachte aan haar te kennen heeft gegeven dat ‘hij zijn mensen heeft’ om zijn prooi te ‘nakke’, hetgeen bij dit feit ook daadwerkelijk is gebeurd. Zodra aangever ter plaatse was en [naam medeverdachte 1] het telefoongesprek met aangever had beëindigd, zijn de mededaders vanuit de woning waar zij met verdachte en [naam medeverdachte 1] verbleven, naar buiten gegaan om aangever te beroven. Na de beroving zijn zij de woning weer in gegaan, waar verdachte samen met [naam medeverdachte 1] was. En na de straatroof is verdachte actief in contact gebleven met de feitelijke mededaders om uit de handen van de politie te blijven en om een plan te bedenken om [naam medeverdachte 1] te lozen. Ook heeft verdachte zich na de straatroof kennelijk actief bemoeid met het vinden van een koper voor de gestolen goederen van de aangever, in die zin dat hij weer met [naam] belde dat hij moest komen omdat er net was ‘ge race’.

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat sprake is geweest van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten, dat er sprake is van medeplegen. Het verweer wordt verworpen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair, 3, 4 en 5 primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

2.

hij op of omstreeks 31 december 2015 te [plaats]

(een) goed(eren), te weten

- OV-kaart op naam [naam] [kaartnummer: [nummer] ] en/of

- Arabisch paspoort op naam van [naam] en/of

- ABN-AMRO spaarpas op naam van [naam] [bankrek.nr. [nummer]

] en/of

- ABN-AMRO bankpas op naam van [naam] [bankrek.nr. [nummer]

] en/of

- Verblijfsdocument op naam van [naam] [nr. [nummer] ]

- Ov-kaart op naam van [naam] [kaartnummer: [nummer] ]

- ID-kaart op naam van [naam] [idk. [nummer] ]

heeft verworven en/of heeft voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed/die goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf, namelijk door diefstal, althans door enig (ander) misdrijf, verkregen goed(eren) betrof;

3. ( zaak: Korte stop)

hij op of omstreeks 17 mei 2016 te [plaats] ,

op of aan de openbare weg, [adres] ,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam aangever 3] ,

welk geweld bestond uit het

- achtervolgen van die [naam aangever 3] en/of

- ( vervolgens) zich opdringen aan en/of insluiten van die [naam aangever 3] en/of

- ( dreigend) tonen en/of voorhouden van een mes aan die [naam aangever 3] en/of

- ( met kracht) slaan/stompen op/tegen het hoofd/gezicht en/of het lichaam van die [naam aangever 3] en/of

- ( met kracht) slaan met een kastdeur op/tegen het hoofd/gezicht van die [naam aangever 3] en/of en/of

- ( met kracht) slaan met een of meer knuppels op/tegen een arm, althans het lichaam van die [naam aangever 3] ;

4. [ zaak Werper]

hij op of omstreeks 20 mei 2016 te [plaats]

op of nabij de openbare weg, de [adres] ,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een paspoort en/of een Apple I-phone 4 en/of een ring en/of een legitimatiebewijs en/of geld en/of pasjes en/of een goudkleurige ketting en/of parfum, geheel of ten dele toebehorende aan [naam aangever] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- beetpakken van die [naam aangever] en/of

- meenemen naar een steegje en/of

- een mes tonen en/of houden tegen een been van die [naam aangever] en/of

- die [naam aangever] toevoegen: "Moet ik hem doodmaken?", althans woorden van een dergelijke dreigende aard of strekking;

5. ( zaak: [zaaksnaam] )

hij op of omstreeks 04 juni 2016 te [plaats]

op of aan de openbare weg, het [adres] ,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een jas en/of een mobiele telefoon (merk Apple, type Iphone) en/of geld (400 euro) en/of autosleutels en/of een of meer passen, in elk geval enig(e) goed(eren) en/of een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [naam] [naam aangever 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam aangever 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- zich opdringen aan die [naam aangever 2] en/of

- ( met kracht) beetpakken/vastpakken van die [naam aangever 2] en/of

- duwen/drukken van een mes tegen/op de keel/hals van die [naam aangever 2] en/of

- ( daarbij) die [naam aangever 2] dwingen/gebieden om mee te lopen en/of

- duwen/drukken van die [naam aangever 2] tegen een muur en/of

- aftasten/doorzoeken van een of meer zakken van die [naam aangever 2] en/of

- uittrekken van de jas van die [naam aangever 2] en/of

- ( daarbij) aan die [naam aangever 2] (dreigend) mededelen -zakelijk weergegeven- dat hij mee moest lopen en/of dat er niets zou gebeuren als hij zou meewerken, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

Noodweer

De raadsman heeft ten aanzien van feit 3 bepleit dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij uit noodweer dan wel noodweerexces handelde.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bepaalt onder meer dat niet strafbaar is degene die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of andermans lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

Voor een geslaagd beroep op deze strafuitsluitingsgrond is allereerst vereist dat aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, tegen de verdachte of een ander, kortom van een “noodweersituatie”.

Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat er sprake is geweest van een conflict tussen een vriend van de aangever, zijnde [naam] , en een vriend van de verdachte, zijnde [naam] [naam medeverdachte 4] . Op 17 mei 2016 ontstond een discussie over een telefoon waarbij enerzijds de aangever [naam aangever 3] met [naam] en [naam] en anderzijds de verdachte en diens medeverdachten [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 4] betrokken zijn.

Naar eigen zeggen is de verdachte door [naam aangever 3] geslagen met een honkbalknuppel en heeft de verdachte vervolgens de knuppel afgepakt en heeft hij vervolgens [naam aangever 3] geslagen met de knuppel.

De getuige [naam getuige] heeft bij de politie verklaard dat er op de galerij twee knuppels - een houten en een zwarte - stonden en dat zij zag dat drie personen aangever insloten en daarna geweld tegen hem pleegden. Zij zag dat medeverdachte [naam medeverdachte 2] de aangever een aantal keren in diens gezicht stompte, nadat hij een plank of kastdeur tegen de hals/keel van de aangever heeft geduwd/gedrukt en riep ‘geef me die kankertelefoon’. Vervolgens zag zij dat de verdachte met de houten knuppel een aantal keren fors uithaalde op of richting het hoofd van de aangever, en dat deze zijn hoofd probeerde te beschermen met zijn armen.

De raadsman heeft gesteld dat de voor een noodweersituatie vereiste aanranding daarin is gelegen dat de verdachte door de aangever met een knuppel werd geslagen, voordat verdachte geweld pleegde tegen de aangever. Voorts heeft de raadsman gesteld dat de waarnemingen van getuige [naam getuige] zeer beperkt zijn geweest en dat haar verklaring niet zomaar als uitgangspunt kan worden genomen.

De rechtbank overweegt dat getuige [naam getuige] weliswaar bij de rechter-commissaris heeft aangegeven dat zij anderhalve minuut van het incident heeft gemist. Echter dit doet niets af aan de feiten die zij wel heeft waargenomen, kennelijk voordat zij even haar woning in ging om haar vriend te vragen de politie bellen. Tegenover de politie verklaarde [naam getuige] dat zij twee honkbalknuppels op de galerij zag staan, een houten en een zwartkleurige, dat [naam medeverdachte 2] het slachtoffer een kastdeur tegen de keel zette en het slachtoffer meermaals in het gezicht stompte terwijl dader 2 en de verdachte om het slachtoffer heen stonden, en vervolgens de verdachte de houten honkbalknuppel oppakte en het slachtoffer zeker vijf of zes keer sloeg met deze knuppel. De lezing van de verdachte, dat hij de knuppel van aangever afpakte nadat aangever hem met de knuppel had geslagen, klopt hier niet mee. Ook uit de verklaring van getuige [naam getuige] bij de rechter-commissaris afgelegd blijkt dat de verdachte de agressor is geweest en dat de aangever niet is begonnen en niet zelf met een knuppel heeft geslagen. Pas toen de getuige [naam getuige] zag dat de verdachte het slachtoffer met de knuppel sloeg is zij even haar woning ingegaan, en toen ze weer naar buiten kwam zag zij dat het slachtoffer bloedde en dat de verdachte de knuppel voor haar deur weggooide en wegrende. Zij zag ook zijn twee vrienden wegrennen. Gelet op de verklaringen van de getuige [naam getuige] is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is geweest van een ogenblikkelijk en wederrechtelijke aanranding. Verdachtes beroep op noodweer wordt verworpen.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de

strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

De bewezen feiten leveren op:

2 primair.

Schuldheling;

3

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

4 en 5 primair (telkens):

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, gepleegd op de openbare weg door twee of meer verenigde personen.

6 Strafbaarheid verdachte

Noodweerexces

De raadsman heeft tevens een beroep gedaan op noodweerexces.

Noodweerexces (artikel 41, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht), kenmerkt zich door een overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging en wordt als schulduitsluitingsgrond aangemerkt. Voor het slagen van een beroep op noodweerexces is allereerst vereist dat aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, tegen de verdachte of een ander, kortom van een “noodweersituatie”. De rechtbank heeft hierboven onder 5. al geoordeeld dat er geen sprake was van een ogenblikkelijk en wederrechtelijke aanranding. Het beroep op noodweerexces kan dus niet slagen. Ook dit verweer wordt verworpen.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering maatregel

7.1.

Algemene overweging

De maatregel die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging.

Het slachtoffer werd hard aangepakt en onder meer meermalen geslagen met een honkbalknuppel.

Feiten als de onderhavige dragen bij aan in de maatschappij heersende gevoelens van angst en onveiligheid op straat in het algemeen en in het bijzonder bij hen die daarvan slachtoffer of getuige zijn.

Daarnaast heeft de verdachte zich samen met één of meer anderen schuldig gemaakt aan twee straatroven. De slachtoffers waren in de veronderstelling dat zij een afspraak met een meisje hadden. In afwachting van de komst van dat meisje werden de slachtoffers - met grof geweld en onder bedreiging van een mes - beroofd van hun bezittingen.

Door aldus te handelen hebben de verdachte en zijn mededader(s) zich met geweld

eigendommen van anderen toegeëigend en de slachtoffers aangetast in hun lichamelijke en geestelijke integriteit. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke delicten zich nog lang onveilig kunnen voelen als zij zich op straat begeven. Gepleegde straatroven brengen ook gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving teweeg.

Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan schuldheling van een OV kaart en daarmee bijgedragen aan de instandhouding van een afzetmarkt voor gestolen goederen.

7.2.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.2.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 7 december 2016, waaruit blijkt dat de verdachte eerder meermalen is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.2.2.

Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: De Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 12 januari 2017. Dit rapport houdt kort gezegd en voor zover van belang het volgende in.

De verdachte is een zeventien-, bijna achttienjarige jongen, bij wie sprake is van een ernstige gedragsstoornis en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale trekken. De verdachte is reeds vier keer met justitie in aanraking gekomen wegens diefstal en diefstal met geweld, en de tot op heden getoonde repressie vanuit Justitie, uiteenlopend van taakstraffen tot detentie en begeleiding, heeft niet geleid tot het voorkomen van recidive. Hij heeft behandeling nodig, waarbij middels een intramuraal traject op pedagogische wijze een verdere antisociale ontwikkeling mogelijk voorkomen kan worden, zonder wederom een terugval in delinquent gedrag.

Geadviseerd wordt om de verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel) op te leggen, zodat hij in het gesloten kader de noodzakelijke langdurige residentiële behandeling kan krijgen om het patroon van gewelddadig delictgedrag te doorbreken en verder afglijden in het criminele circuit te voorkomen. De Raad ziet behalve de oplegging van een PIJ-maatregel geen andere mogelijkheden meer om de ontwikkeling van de verdachte ten goede te keren en zijn veiligheid, maar ook die van anderen, te waarborgen. Er is sprake van kind-eigen problematiek en de invloed daarvan is merkbaar op alle leefgebieden. Daarnaast is de afgelopen jaren herhaaldelijk gebleken dat de moeder van de verdachte over onvoldoende pedagogische vaardigheden beschikt om het gedrag van de verdachte te doorbreken en recidive te voorkomen. Alle middelen in het civiele kader die hierin kunnen ondersteunen zijn uitgeput.

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, afdeling jeugdreclassering (hierna: JBRR) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 4 januari 2017. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

De verdachte komt afspraken niet na, wil weinig tot geen inzicht geven in zijn dagelijkse bezigheden en is niet eerlijk. Trajecten zoals Topzorg bij De Waag en City Steward zijn niet goed verlopen. Dit heeft ertoe geleid dat het standpunt van de jeugdreclassering is dat de verdachte niet of nauwelijks begeleidbaar is. Het opnieuw opmaken van een plan, binnen welk kader dan ook, lijkt dan ook niet mogelijk.

Ter zitting hebben mevrouw [naam] en mevrouw [naam] van de Raad en de heer [naam] van JBRR de bovenstaande rapportages toegelicht en de adviezen gehandhaafd.

Uit de rapportages van kinder- en jeugdpsychiater G.C.G.M. Broekman d.d. 17 augustus 2016 en van GZ-psycholoog R.M.C. Hoogstraten d.d. 26 juli 2016 is gebleken dat verdachte heeft geweigerd onderzocht te worden.

Vervolgens is verdachte ter observatie overgebracht naar het Forensisch Consortium Adolescenten. Blijkens de rapportage van het Forensisch Consortium Adolescenten (hierna: ForCA rapportage) van GZ psycholoog drs. M. Hulshof en kinder- en jeugdpsychiater drs. M.M. Cammeraat- de Visser (supervisor drs. N.J.M. Beuk) d.d. 19 december 2016 heeft verdachte niet meegewerkt aan het onderzoek. De deskundigen hebben hun diagnostische conclusies voornamelijk gebaseerd op de collaterale informatie, in combinatie met korte klinische indrukken.

De deskundigen hebben geconcludeerd dat bij de verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in de zin van een ernstige gedragsstoornis, die zich zonder nader ingrijpen lijkt te gaan consolideren in de persoonlijkheid, waardoor er sprake is van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale trekken. Tevens is er sprake van misbruik van cannabis en ouder-kindrelatieproblemen. Daarnaast is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, namelijk zwakbegaafdheid.

De deskundigen zijn van mening dat ten aanzien van het openlijk geweld feit en de twee straatroven sprake is van doorwerking voortkomend uit de gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis in de tenlastegelegde feiten.

Uit de risicotaxatie en op basis van de klinische indruk komen zorgen naar voren omtrent zijn opvoeding, individuele ontwikkeling en omgevingsfactoren. Tevens wordt gezien dat de verdachte in ieder geval vanaf de puberteit een patroon vertoont van telkens vervallen in delictgedrag, al dan niet gewelddadig, en dat er weinig toezicht en structuur geboden wordt door het gezin, of dat niet geaccepteerd wordt door de verdachte als derden dit toezicht bieden. Hij toont zelfbepalend en egocentrisch gedrag, houdt weinig rekening met anderen en overschrijdt daarbij regels, normen en de waarden en grenzen van anderen. Dit alles maakt dat het recidiverisico op geweldsincidenten, zonder behandeling of begeleiding, als hoog wordt geschat.

Ter preventie van recidive en ter bevordering van een zo gunstige mogelijke ontwikkeling van de verdachte zijn de deskundigen van mening dat de verdachte behandeling nodig heeft. Hij zal moeten starten bij de basis, waarbij in een langdurig intramuraal traject op pedagogische wijze een verdere antisociale ontwikkeling misschien voorkomen kan worden en een poging gedaan kan worden om hem met meer kans van slagen maatschappelijk te laten invoegen.

De deskundigen zijn van mening dat de ernst van de problematiek een langdurige behandeling in een justitiële jeugdinrichting noodzakelijk maakt en wel binnen het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel.

De officier van justitie heeft geëist dat aan verdachte de PIJ-maatregel wordt opgelegd.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het opleggen van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel een stap te ver is en eerst de behandeling in een geschikt Multidimensional Treatment Foster Care gezin (hierna: MTFC-gezin) moet worden geprobeerd waarbij de PIJ-maatregel voorwaardelijk (als stok achter de deur) kan worden opgelegd.

7.3.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

De rechtbank stelt vast dat de gepleegde feiten, te weten het openlijk geweld en de diefstallen met geweldpleging, misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld.

Nu de conclusies van de psycholoog en de psychiater van de ForCa gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. Op grond hiervan is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het openlijk geweld en de diefstallen met geweldpleging, een ziekelijke stoornis van de geestvermogens en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond.

Daarnaast eist naar het oordeel van de rechtbank de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel). De rechtbank acht deze maatregel bovendien in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

Aan de wettelijke voorwaarden van artikel 77s, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr) is gelet op de bewezenverklaring en de beschouwingen en de conclusies van de deskundigen, voldaan.

Bij het opleggen van de maatregel heeft de rechtbank gelet op de ernst van de strafbare feiten en op de veelvuldigheid van de voorafgaande veroordelingen wegens misdrijven.

De rechtbank overweegt dat oplegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel met verplichte hulpverlening in de vorm van een MTFC-gezin geen optie (meer) is, nu de verdachte zelfbepalend is, niet open staat voor hulpverlening en zich in het verleden meerdere malen steeds aan hulp heeft onttrokken, ook aan de plaatsing in een MTFC-gezin.

Ook de civielrechtelijke weg heeft niet tot enige verandering geleid.

Ondanks eerdere veroordelingen, waarbij aan verdachte bij voorwaardelijke straffen bijzondere voorwaarden zijn opgelegd, heeft verdachte zich niet gehouden aan die bijzondere voorwaarden, maar is doorgegaan met het plegen van ernstige strafbare feiten.

De rechtbank overweegt dat de PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van misdrijven (feiten 3, 4 en 5) (gepleegd na 1 april 2014) die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en er ten tijde van het begaan van de genoemde misdrijven een ziekelijke stoornis van de geestvermogens en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond. Dit betekent dat verlenging van deze maatregel mogelijk is voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.

8 In beslag genomen voorwerpen

Ten aanzien van het in beslag genomen geld ter waarde van € 80,- zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.

9 Vordering benadeelde partij/ schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam aangever 2] ter zake van het onder 5

ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.332,95 aan

materiële schade en een vergoeding van € 3.000,- aan immateriële schade.

9.1.

Standpunten officier van justitie en verdediging

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 1500,- (immateriële schade) en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor dat bedrag.

De verdediging heeft bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.

9.2

Beoordeling

Materiele schade

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 5 bewezen verklaarde

strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de vordering tot een bedrag van € 400,00 genoegzaam is onderbouwd gezien het feit dat dit bedrag reeds uit de aangifte volgt, zal de vordering ten aanzien van dit deel, ondanks de betwisting door de verdachte, worden toegewezen.

Immateriële schade

Voorts is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 5 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar

maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1.500,-.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering, aangezien de bewijsstukken ter onderbouwing van de vordering, gelet ook op de betwisting daarvan, thans ontoereikend zijn. Nader onderzoek naar de omvang van het resterende deel van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de verdachte het strafbare feit, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen is de verdachte in zo verre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 4 juni 2016.

Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal

de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

9.3

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 1.900,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2016.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van

het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

10 Vordering tenuitvoerlegging

10.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank d.d. 3 april 2015 is de verdachte veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 96 dagen waarvan een gedeelte groot 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De proeftijd is ingegaan op 5 oktober 2015.

10.2.

Standpunten officier van justitie en verdediging

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering.

De verdediging heeft afwijzing van de vordering dan wel verlenging van de proeftijd bepleit.

10.3.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd. Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijk gedeelte van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde straf.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 47, 77a, 77g, 77h, 77s, 77gg, 141, 312 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

12 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

13 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 2 primair, 3, 4 en 5 primair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

legt de verdachte op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededaders om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam aangever 2] , te betalen een bedrag van € 1.900,- (zegge: negentienhonderd euro), bestaande uit € 400,- aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 4 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededaders betalen de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering, en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam aangever 2] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting

aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam aangever 2] te betalen € 1.900,- (zegge: negentienhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van dit bedrag vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van

29 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn

mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en

omgekeerd;

gelast de teruggave van het inbeslaggenomen geld met een waarde van € 80,- aan verdachte;

gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van 30 dagen, opgelegd bij voormeld vonnis de meervoudige kamer in deze rechtbank van 3 april 2015 in de zaak met parketnummer 10/691000-15.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. O.E.M. Leinarts, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mr. S.C.C. Hes-Bakkeren en mr. M. de Geus, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.E.M. Broeders, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 februari 2017.

De jongste rechter en de oudste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1. [690325-15]

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2015 tot en met 31 december 2015 te [plaats] en/of [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen

ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten de in artikel 311, eerste lid, onder 3° van het Wetboek van Strafrecht omschreven diefstal, te plegen onder een van de omstandigheden vermeld in artikel 311, eerste

lid, onder 4° van het Wetboek van Strafrecht en/of artikel 311, eerste lid, onder 5° van het Wetboek van Strafrecht, opzettelijk een cilindertrekker ("slotentrekker") en/of een boor, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;

art 46 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 31 december 2015 te [plaats]

(een) goed(eren), te weten

- OV-kaart op naam [naam] [kaartnummer: [nummer] ] en/of

- Arabisch paspoort op naam van [naam] en/of

- ABN-AMRO spaarpas op naam van [naam] [bankrek.nr. [nummer]

] en/of

- ABN-AMRO bankpas op naam van [naam] [bankrek.nr. [nummer]

] en/of

- Verblijfsdocument op naam van [naam] [nr. [nummer] ]

- Ov-kaart op naam van [naam] [kaartnummer: [nummer] ]

- ID-kaart op naam van [naam] [idk. [nummer] ]

heeft verworven en/of heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed/die goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf, namelijk door diefstal, althans door enig (ander) misdrijf, verkregen goed(eren) betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 31 december 2015 te [plaats]

opzettelijk

- een OV-kaart op naam [naam] [kaartnummer: [nummer] ] en/of

- een Arabisch paspoort op naam van [naam] en/of

- een ABN-AMRO spaarpas op naam van [naam] [bankrek.nr. [nummer]

] en/of

- een ABN-AMRO bankpas op naam van [naam] [bankrek.nr. [nummer]

] en/of

- een Verblijfsdocument op naam van [naam] [nr. [nummer] ] en/of

- een Ov-kaart op naam van [naam] [kaartnummer: [nummer] ] en/of

- een ID-kaart op naam van [naam] [idk. [nummer] ],

geheel of ten dele toebehorende aan [naam] en/of [naam] en/of [naam] en/of [naam] en/of [naam] en/of [naam] en/of [naam] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welke goederen verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten door

vinding, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

3. ( zaak: Korte stop)

hij op of omstreeks 17 mei 2016 te [plaats] ,

op of aan de openbare weg, [adres] ,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam aangever 3] ,

welk geweld bestond uit het

- achtervolgen van die [naam aangever 3] en/of

- ( vervolgens) zich opdringen aan en/of insluiten van die [naam aangever 3] en/of

- ( dreigend) tonen en/of voorhouden van een mes aan die [naam aangever 3] en/of

- ( met kracht) slaan/stompen op/tegen het hoofd/gezicht en/of het lichaam van die [naam aangever 3] en/of

- ( met kracht) slaan met een kastdeur op/tegen het hoofd/gezicht van die [naam aangever 3] en/of en/of

- ( met kracht) slaan met een of meer knuppels op/tegen een arm, althans het lichaam van die [naam aangever 3] ;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4. [ zaak Werper]

hij op of omstreeks 20 mei 2016 te [plaats]

op of nabij de openbare weg, de [adres] ,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een paspoort en/of een Apple I-phone 4 en/of een ring en/of een legitimatiebwijs en/of geld en/of pasjes en/of een goudkleurige ketting en/of parfum, geheel of ten dele toebehorende aan [naam aangever] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- beetpakken van die [naam aangever] en/of

- meenemen naar een steegje en/of

- een mes tonen en/of houden tegen een been van die [naam aangever] en/of

- die [naam aangever] toevoegen: "Moet ik hem doodmaken?", althans woorden van een dergelijke dreigende

aard of strekking;

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

5. ( zaak: [zaaksnaam] )

hij op of omstreeks 04 juni 2016 te [plaats]

op of aan de openbare weg, het [adres] ,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een jas en/of mobiele telefoon (merk Apple, type Iphone) en/of geld (400 euro) en/of autosleutels en/of een of meer passen, in elk geval enig(e) goed(eren) en/of een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [naam] [naam aangever 2] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam aangever 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- zich opdringen aan die [naam aangever 2] en/of

- ( met kracht) beetpakken/vastpakken van die [naam aangever 2] en/of

- duwen/drukken van een mes tegen/op de keel/hals van die [naam aangever 2] en/of

- ( daarbij) die [naam aangever 2] dwingen/gebieden om mee te lopen en/of

- duwen/drukken van die [naam aangever 2] tegen een muur en/of

- aftasten/doorzoeken van een of meer zakken van die [naam aangever 2] en/of

- uittrekken van de jas van die [naam aangever 2] en/of

- ( daarbij) aan die [naam aangever 2] (dreigend) mededelen -zakelijk weergegeven- dat hij mee moest lopen en/of dat er niet zou gebeuren als hij zou meewerken, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[naam] [naam medeverdachte 1] en/of [naam] [naam medeverdachte 4] en/of [naam] [naam medeverdachte 3] en/of [naam] en/of [naam] [naam medeverdachte 2] en/of [naam]

op of omstreeks 04 juni 2016 te [plaats]

op of aan de openbare weg, het [adres] ,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft/hebben weggenomen een jas en/of mobiele telefoon (merk Apple, type Iphone) en/of geld (400 euro) en/of autosleutels en/of een of meer passen, in elk geval enig(e) goed(eren) en/of een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [naam] [naam aangever 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of die mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam aangever 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- zich opdringen aan die [naam aangever 2] en/of

- ( met kracht) beetpakken/vastpakken van die [naam aangever 2] en/of

- duwen/drukken van een mes tegen/op de keel/hals van die [naam aangever 2] en/of

- ( daarbij) die [naam aangever 2] dwingen/gebieden om mee te lopen en/of

- duwen/drukken van die [naam aangever 2] tegen een muur en/of

- aftasten/doorzoeken van een of meer zakken van die [naam aangever 2] en/of

- uittrekken van de jas van die [naam aangever 2] en/of

- ( daarbij) aan die [naam aangever 2] (dreigend) mededelen -zakelijk weergegeven- dat hij mee moest lopen en/of dat er niet zou gebeuren als hij zou meewerken, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,

terwijl verdachte in of omstreeks de periode 13 mei 2016 tot en met 04 juni 2016 te [plaats] opzettelijk [naam] [naam medeverdachte 1] heeft uitgelokt tot het deelnemen aan dat feit door giften en/of misbruik van gezag en/of geweld en/of bedreiging en/of door het verschaffen van gelegenheid of middelen of

inlichtingen, immers heeft verdachte die [naam medeverdachte 1] -zakelijk weergegeven-

- gevraagd om te kijken wie van haar mensen geld heeft of goud, zodat hij ze kan nakke en ze samen

leuke dingen kunnen doen en/of

- gevraagd om die mensen zoet te maken en dingen te vragen zodat ze denken dat ze van geld houdt

en/of

- geïnstrueerd: "Zeg: we gaan dit hotel doen of Parijs"en/of "gooi de gekste leugens en/of "verwijder

nooit berichten want dan weet je misschien niet meer wat je tegen iemand hebt gezegd" en/of "ik heb

mijn mannen ingelicht" en/of

- beloofd: "misschien kunnen we over twee weken een weekendje weg";