Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:1492

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-02-2017
Datum publicatie
01-03-2017
Zaaknummer
ROT 16/6488
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Discussie over verekening nabetaling Wajong-uitkering met bijstand. Zowel beroep niet tijdig beslissen als conversie in reëel beroep. Er is geen sprake van niet tijdig beslissen en evenmin van de weigering een besluit te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 16/6488

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 februari 2017 in de zaak tussen

[Naam], te Rotterdam, eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit tot terugvordering van verweerder met betrekking tot aan eiser verstrekte bijstand.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2017. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.J.M. Codrington.

Overwegingen

1. Uit de stukken komt naar voren dat eiser met terugwerkende kracht vanaf 21 juni 2006 een uitkering en toeslag uit hoofde van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) is toegekend. Eiser heeft voorts over de periode van 1 februari 2012 tot 1 januari 2014 algemene bijstand van verweerder ontvangen. Verweerder heeft de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) 17 december 2013 een specificatie toegezonden van de aan eiser verstrekte bijstandsuitkering ter verrekening. In dit verband is Uwv verzocht 31.613,82 aan verweerder over te maken. Bij de door eiser in deze procedure overgelegde brief van 7 januari 2014 heeft Uwv eiser bericht dat de bijstandsuitkering hoger was dan de Wajong-uitkering en toeslag en dat het Uwv daarom de volledige Wajong-uitkering en toeslag uitbetaalt aan verweerder. Bij brief van diezelfde datum heeft het Uwv verweerder bericht dat € 28.631,82 aan verweerder is overgemaakt.

2. Eisers toenmalige gemachtigde heeft verweerder bij brief van 22 april 2016 verzocht om alsnog ten aanzien van eiser een terugvorderingsbesluit te nemen met betrekking tot de verrekening die met het Uwv heeft plaatsgevonden. Daarbij is verzocht toe te lichten waarom tot bruto terugvordering is besloten in plaats van tot een netto bedrag, omdat geen sprake is van inlichtingenverzuim door eiser. Bij brief van 18 juli 2016 heeft verweerder eisers toenmalige gemachtigde bericht dat de verrekening heeft plaatsgevonden in 2013, dat het besluit tot verrekening inmiddels onherroepelijk is geworden, dat bij een verrekening als de onderhavige geen terugvorderingsbesluit wordt genomen en dat verrekening dient plaatst te vinden aan de hand van de bruto uitkering. Bij besluit van

24 augustus 2016 heeft verweerder het blijkbaar tegen de brief van 18 juli 2016 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat die brief volgens verweerder een informatieve strekking heeft en geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) behelst. Tussentijds heeft eiser een op 28 juli 2016 gedagtekend formulier dwangsom bij niet tijdig beslissen in verband met een op 22 april 2016 ingediende aanvraag bij verweerder ingediend. Vervolgens heeft eiser op 3 oktober 2016 beroep ingesteld wegens niet tijdig beslissen.

3.1.

Voorafgaand aan de bespreking van de vraag welke rechtsmiddelen voorliggen en tot welke uitkomst die moeten leiden komt de rechtbank tot de volgende overwegingen.

3.2.

Op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, onder 1°, van de Wet werk en bijstand (WWB), zoals die destijds luidde, kan verweerder kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken. In artikel 60a, tweede lid, van de WWB was destijds – voor zover hier van belang – bepaald dat indien degene van wie de kosten van bijstand worden teruggevorderd een uitkering ontvangt op grond van de Wajong het Uwv, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van belanghebbende, het bedrag van de terugvordering uit de uitkering of de inkomensondersteuning betaalt op verzoek aan het college dat de kosten van bijstand terugvordert.

3.3.

Gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van beroep van 19 mei 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BI6829) kan artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, onder 1°, van de WWB geen grondslag vormen voor terugvordering indien het Uwv uitkering en toeslag – bij wijze van verrekening – aan verweerder betaalt in plaats aan de betrokkene, omdat de betrokkene met betrekking tot die periode ook na de toekenning van de Wajong-uitkering met toeslag feitelijk niet de beschikking heeft gekregen over middelen met betrekking tot de periode. De rechtbank is van oordeel dat dit onverlet laat dat verweerder bevoegd is om bij cumulatie van uitkeringen toepassing te geven aan de verrekeningsbevoegdheid van artikel 60a, tweede lid, van de WWB, omdat een andere uitleg in strijd zou komen met het in artikel 19, tweede lid, van de WWB neergelegde uitgangspunt dat middelen in mindering moeten worden gebracht op de bijstandsuitkering, terwijl de wetgever met artikel 60a van de WWB bij samenloop van uitkeringen – die tot de middelen worden gerekend – een eenvoudige verrekeningsmogelijkheid heeft willen creëren. Dat in artikel 60a, tweede lid, van de WWB de woorden “degene van wie de kosten van bijstand worden teruggevorderd” voorkomen doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. Het eerst uitbetalen en vervolgens alsnog terugvorderen op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, onder 1°, van de WWB zou immers teveel afbreuk doen aan de door de wetgever beoogde verrekeningsbevoegdheid.

3.4.

Eiser had bezwaar kunnen maken tegen de brief van het Uwv waarbij eiser op de hoogte is gesteld van de verrekening (vergelijk CRvB 10 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ5999). Eiser heeft nagelaten dit te doen.

4.1.

Met betrekking tot de thans ingestelde rechtsmiddelen komt de rechtbank tot de volgende beoordeling.

4.2.

In artikel 1:3, derde lid, van de Awb is bepaald dat onder aanvraag wordt verstaan een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen. In artikel 6:2 van de Awb is bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit worden gelijkgesteld: (a.) de schriftelijke weigering een besluit te nemen, en (b.) het niet tijdig nemen van een besluit. Gelet op de artikelen 8:1 en 7:1, eerste lid, van de Awb staat tegen een schriftelijke weigering te beslissen bezwaar open en kan bij niet tijdig beslissen uitsluitend beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter. In artikel 6:12, eerste en vierde lid, van de Awb is bepaald dat indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking, het niet aan een termijn is gebonden en dat het beroep niet-ontvankelijk is indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.

4.3.

De rechtbank is van oordeel dat de brief van 22 april 2016 geen aanvraag behelst in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb, omdat een terugvorderingsbesluit als door eiser verzocht niet op aanvraag, maar ambtshalve wordt genomen. Gelet op wat hiervoor is overwogen is verweerder niet in verzuim ambtshalve een terugvorderingsbesluit te nemen. Daarom is geen sprake van een met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit. Gelet op artikel 8:1, gelezen in verbinding met artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is het dan ook niet mogelijk beroep bij de rechtbank in te stellen, zodat de rechtbank niet bevoegd is om kennis te nemen van het beroep wegens niet tijdig beslissen (vergelijk ABRvS 9 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1199 en CRvB 24 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1861).

4.4.

Ten overvloede wijst de rechtbank er op dat wanneer wel sprake zou zijn geweest van een aanvraag of van een verzuim van verweerder om ambtshalve te beslissen, het beroep wegens niet tijdig beslissen in dat geval niet-ontvankelijk zou zijn verklaard. Indien een reële beslissing voorligt is het namelijk niet mogelijk een beroep wegens niet tijdig beslissen in te stellen. Die situatie doet zich hier voor, omdat een beslissing op bezwaar van 24 augustus 2016 voorligt die betrekking heeft op hetzelfde geschil (vergelijk CRvB 22 januari 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO2505 en CBb 22 augustus 2016, ECLI:NL:CBB:2016:276). Daar komt bij dat artikel 6:12, vierde lid, van de Awb in de weg staat aan een ontvankelijk beroep wegens niet tijdig beslissen, omdat eiser meer dan twee jaar heeft gewacht met de brief van 22 april 2016, de daarop volgende ingebrekestelling en het instellen van beroep (vergelijk ABRvS 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1509 en CRvB 28 juli 2015, ECLI:NL:CRvB:2015:2642).

4.5.

Omdat inzet van het geschil tussen partijen is of verweerder gehouden is een terugvorderingsbesluit te nemen en het besluit op bezwaar van 24 augustus 2016 betrekking heeft op de vraag of dienaangaande een schriftelijke weigering van verweerder voorlag een terugvorderingsbesluit te nemen en eiser het beroep binnen zes weken nadien heeft ingesteld, ziet de rechtbank aanleiding het beroep mede aan te merken als een reëel beroep tegen het besluit op bezwaar van 24 augustus 2016. Omdat verweerder niet in verzuim is een terugvorderingsbesluit te nemen, is de brief van verweerder van 18 juli 2016 geen schriftelijke weigering een besluit te nemen als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb, maar een louter informatieve brief, zodat daartegen geen bezwaar open stond (vergelijk HR 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3989 en CRvB 8 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3032). Het bezwaar is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen het besluit van 24 augustus 2016 is daarom ongegrond.

5. Het voorgaande betekent dat de rechtbank van oordeel is dat verweerder niet in verzuim is een terugvorderingsbesluit te nemen en dat, wanneer dit wel het geval zou zijn geweest, eiser te lang heeft stilgezeten om verweerder te kunnen dwingen alsnog zo’n besluit te nemen. Omdat eiser een beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit heeft ingesteld, terwijl er ook een besluit op bezwaar inzake deze kwestie voorlag, heeft de rechtbank het beroep tevens opgevat als te zijn gericht tegen het besluit op bezwaar. Hieronder komt de rechtbank tot een beslissing in beide beroepen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep wegens niet tijdig beslissen;

 verklaart het reële beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.I. van Strien, rechter, in aanwezigheid van

mr. dr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

28 februari 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.