Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:1476

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-02-2017
Datum publicatie
24-02-2017
Zaaknummer
10/203481-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Witwassen van een auto met een waarde van € 18.000,-.

Verbeurdverklaring van de inmiddels verkochte auto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10-203481-15

Datum uitspraak: 1 februari 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[alias verdachte] , voor naamswijziging genaamd [naam verdachte] ,

geboren te [plaats 4] op [geboortedatum] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] , 1104 PE [plaats 4] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zwaag,

raadsvrouw mr. M.H. Aalmoes, advocaat te [plaats 4] .

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 18 januari 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 18 januari 2017 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. J. Boender heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken.

4 Bewijs en bewezenverklaring

4.1.

Bewijswaardering

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Aangevoerd is dat niet bewezen kan worden dat sprake is van witwassen. Nu geen concreet grondmisdrijf kan worden bewezen, kan alleen tot bewezenverklaring worden gekomen indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld, waarmee de auto is aangeschaft, uit misdrijf afkomstig is. Daarvan is geen sprake. Het openbaar ministerie stelt uitsluitend dat de verdachte geen inkomsten heeft gehad, die de aankoop van de auto kunnen rechtvaardigen, en ‘achtervolgt’ de verdachte met oude documentatie. Dit is onvoldoende voor een vermoeden van witwassen. De verdachte heeft niet veel inkomen gehad, maar de aankoopprijs van deze auto is niet buitensporig hoog geweest en het kopen van een auto ‘op krediet’ is niet crimineel. De verdachte heeft een verklaring gegeven over de herkomst van het geld voor de auto, die concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. De verdachte heeft de auto samen met zijn stiefvader, tevens de buurman van zijn moeder, gekocht. Hij heeft zelf € 14.000,- ingebracht en zijn stiefvader € 4.000,=. Hij heeft verklaard dat hij rapper is en dat zijn beste vriend [naam 1] , die profvoetballer is, hem geld heeft geleend voor de inrichting van een studio, maar dat hij dit geld heeft gebruikt voor de aanschaf van deze auto. Deze verklaring is onderbouwd met een schriftelijke verklaring (e-mail) van [naam 2] zelf. Deze verklaring is laat gekomen, omdat [naam 2] voor zijn werk als profvoetballer in Thailand verblijft en omdat de verdachte het moeilijk vond om aan hem op te biechten dat hij het geld niet heeft gebruikt voor een studio, maar voor een auto. Dat de verdachte aan [naam 2] een concepte-mail heeft gestuurd waarin hij heeft geschreven hoe de verklaring van [naam 2] zou moeten luiden is niet vreemd of oneigenlijk. De verdachte heeft [naam 2] verteld dat hij moest voorkomen en dat hij zou verklaren hoe hij aan zijn geld komt. [naam 2] heeft hem gevraagd wat hij moest schrijven en daarop stuurde de verdachte hem een concept. [naam 2] was vrij om de concepttekst al dan niet over te nemen.

Beoordeling

Voorop gesteld wordt dat uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat, in een geval zoals het onderhavige waarin geen direct bewijs voor inkomsten uit strafbare feiten aanwezig is, witwassen bewezen kan worden indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld of de goederen uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Het openbaar ministerie heeft daartoe feiten en omstandigheden aangedragen op grond waarvan de navolgende vaststellingen kunnen worden gedaan:

De in de tenlastelegging bedoelde auto (een auto van het merk Mercedes, type A180, kenteken [kentekennummer 1] , hierna: de auto) was in de ten laste gelegde periode eigendom van de verdachte. De koopprijs van de auto was (volgens de verdachte) ongeveer € 18.000,-. De verdachte heeft de aankoop van de auto niet kunnen financieren uit legale inkomsten; zijn legale inkomsten waren daarvoor veel te laag.

Op grond van die omstandigheden is het vermoeden gerechtvaardigd dat het geld waarmee de auto is aangeschaft van enig misdrijf afkomstig is.

De verdachte heeft een alternatieve verklaring voor de herkomst van het geld gegeven. Hij heeft verklaard dat hij een belangrijk deel van de aankoopprijs van de auto, namelijk een bedrag van € 14.000,-, heeft betaald met geld dat hij heeft geleend van zijn vriend [naam 2] .

Het openbaar ministerie heeft daarop onderzoek gedaan naar voornoemde alternatieve verklaring over de herkomst van het geld. Aan de orde is de vraag of op grond van de uitkomsten van dat onderzoek met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geld waarmee de auto is aangeschaft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

De rechtbank is van oordeel dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord. Daarbij is van belang dat de verdachte pas zeer laat met zijn alternatieve verklaring is gekomen, namelijk pas kort voor de terechtzitting van 11 mei 2016. Bovendien zijn er – gelet op het daarnaar door de politie verrichte onderzoek – grote vraagtekens te plaatsen bij de wijze waarop de door [naam 2] aan de raadsvrouw gemailde verklaring tot stand is gekomen. De verdachte heeft, zoals op de terechtzitting ook door hem is bevestigd, op 2 mei 2016 via Whatsapp tegen [naam 2] gezegd dat hij zijn hulp nodig heeft. Vervolgens heeft hij [naam 2] , hetgeen ook door hem is bevestigd, op 10 mei 2016 een tekst gestuurd met het verzoek die te mailen aan zijn raadsvrouw. In deze tekst staat dat [naam 2] hem geld heeft geleend voor het inrichten van een studio, maar dat hij dat geld heeft gebruikt voor de aankoop van een auto. [naam 2] heeft vervolgens op 11 mei 2016 een e-mail aan de raadsvrouw gestuurd, met daarin een tekst die vrijwel identiek is aan de tekst die de verdachte aan hem had gemaild. De raadsvrouw heeft betoogd dat deze gang van zaken niet vreemd of oneigenlijk is. Dat overtuigt de rechtbank echter niet. Daarbij neemt de rechtbank, net als de officier van justitie tevens in aanmerking dat de verdachte in een opgenomen vertrouwelijk gesprek tegen iemand heeft gezegd dat [naam 2] gaat zeggen dat hij hem geld heeft geleend. Voornoemde omstandigheden in samenhang bezien, maken dat de verklaring van [naam 2] en daarmee ook de verklaring van de verdachte ongeloofwaardig zijn.

Gelet op al het voorgaande is er geen andere conclusie mogelijk dan dat de auto die de verdachte voorhanden heeft gehad middellijk uit enig misdrijf afkomstig is omdat deze is aangeschaft met uit misdrijf afkomstig geld, en dat de verdachte dit ook wist.

De rechtbank is tevens van oordeel dat sprake is geweest van verhullingshandelingen. De auto was immers niet op naam van de verdachte gesteld, maar op naam van [naam 3] (blijkens het dossier de buurman van de moeder van de verdachte). Dat de verdachte dit gedaan heeft vanwege inschrijvingsperikelen, zoals door zijn raadsvrouw is gesteld (en op geen enkele wijze is onderbouwd), acht de rechtbank niet aannemelijk. Dit mede gelet op de omstandigheid dat de verdachte bij geen enkele politiecontrole heeft verklaard dat de auto van hem is (hij verklaarde wisselend dat de auto van zijn oom, stiefvader of buurman is) en dat standpunt ook bij zijn verhoren nog heeft volgehouden.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van de wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij in of omstreeks de periode van 6 februari 2014 tot en met 24 april 2014, te [plaats 4] en [plaats 1] , van een voorwerp, te weten een auto (merk Mercedes, type A180, kenteken [kentekennummer 1] ) heeft verhuld wie de rechthebbende van dat voorwerp was en dat voorwerp, te weten een auto (merk Mercedes, type A180, kenteken [kentekennummer 1] ) heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dat voorwerp - middellijk - afkomstig was

uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

witwassen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft een auto aangeschaft met uit misdrijf verkregen geld. De aankoopprijs van de auto was (volgens de verdachte) ongeveer € 18.000,-. De verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan witwassen. Door deze witwashandelingen komen inkomsten uit de onderwereld in de bovenwereld terecht en wordt aan criminelen een ogenschijnlijk legale status en welvaart geboden. Het vormt een aantasting van de legale economie en is, mede vanwege de ondermijnende invloed ervan op het legale handelsverkeer, een bedreiging voor de samenleving.

Uit een uittreksel uit de justitiële documentatie van 28 december 2016 blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten.

Gezien op een en ander kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Bij de berechting van een zaak, waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden, heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

De onderhavige auto is onder de verdachte in beslag genomen op 24 april 2014. Op deze datum is in dit geval de redelijke termijn aangevangen. Naar het oordeel van de rechtbank is er in deze zaak geen sprake van bijzondere omstandigheden.

Tussen 24 april 2014 en de datum van het eindvonnis ligt een periode van ruim 2 jaar en 9 maanden. Er is daarom sprake van overschrijding van bovenbedoelde redelijke termijn voor de berechting. Nu deze overschrijding niet is toe te rekenen aan de verdachte, dient dit gecompenseerd te worden door vermindering van de op te leggen straf.

De officier van justitie heeft bij de door haar geëiste straf rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank volgt de officier van justitie daarin, evenals in de toepasselijkheid van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank neemt daarnaast tevens in aanmerking dat de auto, zoals hieronder zal worden besproken, wordt verbeurdverklaard. De door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf voor de duur van 4 weken wordt daarom passend en geboden geacht.

8 In beslag genomen voorwerpen

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft meegedeeld dat de in beslag genomen auto (een personenauto, kleur zwart, merk Mercedes - Benz, bouwjaar 2012) inmiddels is verkocht. Zij vordert de auto verbeurd te verklaren en het in beslag genomen kentekenbewijs terug te geven aan de redelijkerwijs rechthebbende, [naam 3] .

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de opbrengst van de verkoop van de auto moet worden teruggegeven aan de verdachte.

8.3.

Beoordeling

De in beslag genomen auto, die – zoals hiervoor overwogen – inmiddels is verkocht, is vatbaar voor verbeurdverklaring omdat die ten tijde van het begaan van het feit aan de verdachte toebehoorde en het bewezen feit met betrekking tot dit voorwerp is begaan.

Deze auto zal daarom als bijkomende straf worden verbeurd verklaard.

Ten aanzien van het in beslag genomen kentekenbewijs zal een last worden gegeven tot teruggave aan [naam 3] die als tenaamgestelde redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 33, 33a, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

verklaart verbeurd als bijkomende straf: de personenauto, kleur zwart, merk Mercedes - Benz, bouwjaar 2012 ( [kentekennummer 2] );

gelast de teruggave van het kentekenbewijs ( [kentekennummer 3] ) aan [naam 3] .

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.K. Asscheman-Versluis, voorzitter,

en mrs. B.E. Dijkers en J. Fransen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 3 februari 2014 tot en met 24 april 2014 te [plaats 4] en/of [plaats 2] , althans in Nederland, van een voorwerp, te weten een auto (merk Mercedes, type A180, kenteken [kentekennummer 1] ) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende van dat voorwerp was of wie bovenomschreven voorwerp voorhanden had

en/of

dat voorwerp, te weten een auto (merk Mercedes, type A180, kenteken [kentekennummer 1] ) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of heeft omgezet, terwijl hij wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit het enig misdrijf;

(art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht)