Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:1448

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-01-2017
Datum publicatie
22-06-2017
Zaaknummer
10/196288-14 10/236551-14 10/231383-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gemotiveerde “Diefstal” en “Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummers: 10-196288-14, 10-236551-14 en 10-231383-14

Datum uitspraak: 19 januari 2017

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteland verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman T.P. van der Eerden, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 19 januari 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen met de parketnummers 10-196288-14, 10-236551-14 en 10-231383-14. De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. R.H.I. van Dongen heeft gevorderd:

- bewezenverklaring van de onder de parketnummers 10-196288-14, 10-236551-14 en 10-231383-14 ten laste gelegde feiten;

- schuldigverklaring zonder oplegging van straf.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Ten aanzien van parketnummer 10-196288-14

Vaststaat dat op 9 september 2014 een zogenoemde lokfiets (merk: Gazelle) van de politie, voorzien van plaatsbepalende apparatuur, is weggenomen vanaf de [adres delict 1] te Rotterdam. Door middel van de plaatsbepalende apparatuur heeft de politie de locatie/route van de fiets vastgesteld. Onder meer was te zien dat de fiets op enig moment tussen 13:15

uur en 13:45 uur aanwezig was aan/op de [adres delict 2] en zich verplaatste in de richting van de [adres delict 3] . Op dat moment zag een van de verbalisanten in de [adres delict 2] een man fietsen op een soortgelijke fiets als de lokfiets in de richting van de [adres delict 3] . Er fietste op dat moment niemand anders in diezelfde richting als waarin de lokfiets zich verplaatste. Omstreeks 13:35 uur is de lokfiets digitaal gelokaliseerd in (wat later bleek) een kelderbox van het perceel aan de [adres delict 4] .

Daar is de lokfiets aangetroffen en in beslag genomen. Omstreeks 13:45 uur zag de verbalisant die de man had zien fietsen de verdachte staan in de [adres delict 4] ter hoogte van nummer 15. De verdachte voldeed, ook qua kleding, aan het signalement van de man op de fiets.

Op basis van de locatie van de verdachte bij aanhouding, het korte tijdsverloop tussen het lokaliseren van de fiets en de aanhouding, alsmede het feit dat de verdachte geheel voldeed aan het signalement van de man op de fiets, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van de lokfiets. De fiets kan immers niet al hebben gestaan in de berging: in dat geval had de politie op de weergegeven tijdstippen geen verplaatsing kunnen constateren.

4.2.

Ten aanzien van parketnummer 10-236551-14

De rechtbank stelt op basis van de aangiftes van [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] vast dat de verdachte zich op 26 september 2014 dreigend heeft geuit in bewoordingen zoals deze ten laste zijn gelegd. De verdachte heeft voorts bevestigd dat hij die dag boos was op deze personen, dat hij zich dan “verbaal sterk kan uitdrukken”. Tenslotte geeft hij ook toe dat hij dreigend voor de aangevers heeft gestaan. De verdachte verkeerde op dat moment onder invloed van verdovende middelen en (mogelijk) in een psychose. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat, onder deze omstandigheden, bij de aangevers de redelijke vrees kon ontstaan dat de verdachte het misdrijf waarmee hij dreigde mogelijk ook daadwerkelijk zou uitvoeren. Daaraan doet niet af dat de verdachte zich bij zijn uitlatingen “vooral”, maar zeker niet uitsluitend richtte tegen een (op dat moment niet aanwezige) collega van de aangevers. Dit feit wordt dan ook wettig en overtuigend bewezen geacht.

4.3.

Bewezenverklaring

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

(parketnummer 10-196288-14)

hij op of omstreeks 9 september 2014 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (lok)fiets (van het merk Gazelle), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Politie Eenheid Rotterdam, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

(parketnummer: 10-236551-14)

hij op of omstreeks 26 september 2014 te Rotterdam [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: “jullie moeten de politie niet meer bellen, vooral jouw collega [naam] niet, anders stuur ik iemand met een wapen om haar te schieten” en/of “als ik manisch ben, word ik een psychopaat” en/of “ik word gediscrimineerd als Antilliaan en dat ze, ‘kennelijk de politie’, mij willen pakken, maar dat zal niet gebeuren, want dan kom ik echt met een wapen en gebeuren er erge dingen’ en/of “ik gebruik aanstekers en benzine als wapen”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

(parketnummer 10-231383-14)

hij op of omstreeks 20 oktober 2014 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening onder meer heeft weggenomen een inductie fietslicht en/of huishoudthermometer/lepel, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 3] , gevestigd [adres delict 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de redengevende inhoud van het voorgaande en op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende tot bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Parketnummers 10-196288-14 en 10-231383-14 telkens:

Diefstal;

Parketnummer 10-236551-14

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering

7.1.

Algemene overweging

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de diefstal van een fiets en aan een winkeldiefstal. Dergelijk vermogensdelicten veroorzaken veel overlast.

Voorts heeft de verdachte twee hulpverleners, werkzaam in de geestelijke gezondheidszorg, bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht. Dit is een ernstig feit. De verdachte heeft aldus hulpverleners – die zich juist bekommerden om zijn welzijn – op een agressieve wijze bejegend. Hulpverleners moeten hun werk op een normale manier kunnen doen, zonder te worden geconfronteerd met verbaal agressieve personen die hen angst aanjagen.

7.2.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.2.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 18 januari 2017, waaruit blijkt dat de verdachte in het verleden eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten, maar daar is ook te zien dat hij na november 2014 geen nieuwe strafbare feiten meer heeft gepleegd.

7.2.2.

Rapportages

De rechtbank heeft acht geslagen op een aantal door de raadsman aangeleverde stukken betreffende de persoonlijke omstandigheden van de verdachte op dit moment en waaruit blijkt hoe deze omstandigheden waren ten tijde van de bewezenverklaarde feiten.

7.3.

Conclusies van de rechtbank

De ernst van de feiten rechtvaardigt in beginsel dat aan de verdachte een straf wordt opgelegd. Bij een beslissing over de vraag of een straf passend is, en zo ja welke, heeft de rechtbank echter ook gelet op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze ter terechtzitting naar voren zijn gebracht.

Gebleken is dat bij de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten sprake was van een psychische decompensatie in welk kader hij in september respectievelijk november 2014 in het kader van de Wet BOPZ werd opgenomen. Sinds zijn ontslag begin februari 2015 is hij psychiatrisch stabiel. De verdachte heeft zich nadien zeer ingespannen om een positieve draai aan zijn leven te geven en heeft daarin ook aanzienlijke vorderingen gemaakt. Zo heeft de verdachte inmiddels een dagbesteding en hij heeft eind 2016 het schuldsaneringstraject succesvol afgerond. Voor zover bekend heeft hij zich sinds november 2014 niet opnieuw schuldig gemaakt aan het plegen van strafbare feiten. Ook voor de toekomst heeft de verdachte nog diverse plannen om een positieve invulling aan zijn leven te geven. De verdachte heeft op de terechtzitting getoond zich ook daarvoor ten volle te willen inzetten.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank, net als de officier van justitie, van oordeel dat het thans niet meer in het belang van de verdachte en de maatschappij is om aan de verdachte een straf op te leggen. Oplegging van een straf dient in deze zaak geen enkel doel (meer). De rechtbank zal daarom bepalen dat aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd.

8. Vordering benadeelde partij/schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van parketnummer 10-196288-14

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: Politie Eenheid Rotterdam ter zake van het onder parketnummer 10-196288-14 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 42,51 aan materiële schade bestaande uit vergoeding van een beugelslot ter waarde van € 22,56 en de vergoeding van (een) jasbeschermer(s) ter waarde van € 19,95.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij integraal dient te worden toegewezen.

8.2.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft, gelet op de door hem bepleite vrijspraak, betoogd dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen dan wel dat de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering.

8.3.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder parketnummer

10-196288-14 bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding ten aanzien van het beugelslot ter waarde van € 22,56 voldoende is onderbouwd, zal de vordering ten aanzien van dit deel van de vordering worden toegewezen.

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard ten aanzien van dat deel van de vordering dat betrekking heeft op vergoeding van (een) jasbeschermer(s), omdat uit de inhoud van het dossier niet is komen vast te staan dat deze schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde.

Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 9 september 2014.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 22,56.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 57, 285 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder de parketnummers 10-196288-14, 10-236551-14 en 10-231383-14 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

bepaalt dat geen straf wordt opgelegd;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij Politie Eenheid Rotterdam, te betalen een bedrag van € 22,56 (zegge: tweeëntwintig euro en zesenvijftig eurocent), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 9 september 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 22,56 (zegge: tweeëntwintig euro en zesenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 september 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 22,56 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van één dag; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.A.F. Damen, voorzitter,

en mrs. J. Bergen en M. Smit, rechters,

in tegenwoordigheid van S. Wongsokerto, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlasteleggingen

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

parketnummer 10-196288-14

hij op of omstreeks 9 september 2014 te Rotterdam met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (lok)fiets (van het

merk Gazelle), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

Politie Eenheid Rotterdam, in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte;

( art 310 Wetboek van Strafrecht )

parketnummer: 10-236551-14

hij op of omstreeks 26 september 2014 te Rotterdam

[naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam slachtoffer 1] en/of

[naam slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd :"jullie moeten de politie niet meer bellen, vooral jouw collega [naam] niet anders stuur ik iemand met een wapen om haar te schieten" en/of "als ik manisch ben, word ik een psychopaat" en/of

"ik word gediscrimineerd als Antilliaan en dat ze, 'kennelijk de politie', mij

willen pakken, maar dat zal niet gebeuren, want dan kom ik echt met een

wapen en gebeuren er erge dingen" en/of "ik gebruik aanstekers en benzine

als wapen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

(art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

Parketnummer 10-231383-14

hij op of omstreeks 20 oktober 2014 te Rotterdam met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening onder meer heeft weggenomen een inductie

fietslicht en/of huishoudthermometer/lepel, in elk geval enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 3] , gevestigd [adres delict 5] , in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte;

( art 310 Wetboek van Strafrecht )