Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:1422

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-02-2017
Datum publicatie
23-02-2017
Zaaknummer
ROT 16/4354
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep niet-ontvankelijk. Identiteit eisers is niet binnen de beroepstermijn kenbaar gemaakt. De rechtbank wijst eisers er nog op dat ook al zou hun identiteit wel tijdig kenbaar zijn gemaakt, zij toch niet in hun beroep zouden kunnen worden ontvangen omdat zij niet zijn aan te merken als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Niet gebleken van een onderscheidend individueel belang

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 16/4354

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 februari 2017 in de zaak tussen

[naam] en anderen, eisers,

gemachtigde: mr. M. Raaijmakers,

en

Autoriteit Consument en Markt (ACM), verweerster,

gemachtigde: mr. G.L. La Bastide.

Met als derde partij

De Nederlandse Loterij B.V., gevestigd te ’s-Gravenhage,

gemachtigde: mr. E.H. Pijnacker Hordijk.

Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2015 heeft ACM vergunning verleend voor - kort gezegd - de concentratie tussen Stichting Exploitatie Nederlandse Staatsloterij (“De Staatsloterij”) en Stichting Nationale Sporttotalisator ( “De Lotto”).

Tegen dit besluit heeft de gemachtigde van eisers namens Stichting Loterijverlies.nl (de stichting), alsmede namens 193.000 deelnemers die de stichting vertegenwoordigt althans al haar deelnemers/aangeslotenen, bij brief van 31 december 2015 beroep ingesteld. Het beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder procedurenummer ROT 16/8408.

Bij brieven van 4 januari 2016 heeft de rechtbank de ontvangst van het beroepschrift bevestigd en de gemachtigde van eisers verzocht om het (volledige) adres van eiser(es) op te geven, de gronden van het beroep mee te delen en een kopie van de statuten van de stichting toe te sturen. Bij deze brief heeft de rechtbank de gemachtigde meegedeeld dat hij deze informatie zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen 4 weken na verzending van de brief toe dient te sturen.

Bij brief van 18 januari 2016 heeft de gemachtigde van eisers, vanwege de omvangrijkheid van de zaak en het aantal cliënten (193.000 waarvan een adressenlijst aan de rechtbank dient te worden overgelegd) die hij en de stichting bijstaat, de rechtbank verzocht hem een nadere termijn te gunnen voor het indienen van de gronden van het beroep, de adressen en de statuten.

Bij brief van 19 januari 2016 heeft de rechtbank de gemachtigde van eisers meegedeeld uitstel te verlenen voor het indienen van de gronden van beroep tot en met 26 februari 2016. Verder is meegedeeld dat geen nader uitstel kan worden verleend voor het indienen van de adressen en de statuten, zodat de gemachtigde alsnog binnen de gestelde termijn moet reageren. Tevens is meegedeeld dat als de gemachtigde niet op tijd reageert de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren.

Bij faxbericht van 25 februari 2016 heeft de gemachtigde de gronden van het beroep ingediend en als productie 3 hierbij de statuten van de stichting overgelegd.

Bij brief van 26 februari 2016, bij de griffie van de rechtbank ontvangen op 29 februari 2016, heeft de gemachtigde van eisers adressen van 10 aangesloten personen toegezonden.

Bij brieven van 19 mei 2016 is de kennisgeving van de behandeling ter zitting van de meervoudige kamer zitting op 5 juli 2016 aan partijen toegezonden. Bij deze kennisgeving is uitdrukkelijk aangegeven dat bij de behandeling ter zitting uitsluitend aan de orde zal komen of het beroep ontvankelijk is.

Bij brief van 30 juni 2016 heeft mr. H.J. Bos de rechtbank laten weten dat bij beschikking van 30 juni 2016 van de rechtbank Noord-Holland (ECLI:NL:RBNHO:2016:5331) mr. F.W.H. van den Emster benoemd is als tijdelijk bestuurder van de stichting en heeft hij (namens de tijdelijk bestuurder) verzocht de behandeling ter zitting tot nader orde aan te houden.

Bij brief van 1 juli 2016 heeft de rechtbank de gemachtigde van eisers bericht in de brief van mr. Bos aanleiding te zien de behandeling van het beroep ter zitting voor wat betreft de stichting aan te houden. In deze brief heeft de rechtbank meegedeeld dat het beroep ook namens een aantal individuele leden van de stichting is ingediend, zodat voor dat beroep een apart procedurenummer en een apart dossier zal worden aangelegd en voor dat beroep de behandeling ter zitting van 5 juli 2016 wel doorgang zal vinden. Het beroep van de individuele leden is vervolgens bij de rechtbank geregistreerd onder procedurenummer ROT 16/4354.

Op 4 juli 2016 heeft de gemachtigde van eisers telefonisch verzocht in de zaak 16/4354 de behandeling van het beroep ter zitting van 5 juli 2016 aan te houden, omdat hij niet met zekerheid kon zeggen of hij de individuele leden nog vertegenwoordigt. Bij faxbericht en brief van 4 juli 2016 heeft de rechtbank partijen bericht dat het verzoek om uitstel is toegewezen en dat de behandeling ter zitting tot een nader te bepalen datum is uitgesteld.

Na brieven van de rechtbank van 25 augustus 2016 en 14 september 2016 om verduidelijking van de vertegenwoordiging van de individuele leden, heeft de gemachtigde van eisers bij brief van 28 september 2016 meegedeeld nog steeds de individuele leden te vertegenwoordigen.

De gemachtigde van eisers heeft stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2017. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde en mr. F. Roet (Roet). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor de derde partij is verschenen, mr. A.E.M. Mombers, kantoorgenoot van hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter. In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb is bepaald dat onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2. Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken. Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3. In artikel 6:5, eerste lid, van de Awb is bepaald dat het bezwaar- of beroepschrift ondertekend wordt en ten minste bevat:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar of beroep is gericht;

d. de gronden van het bezwaar of beroep.

4. In artikel 6:6 van de Awb is bepaald dat indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, dit niet-ontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

5. Het is vaste rechtspraak, onder meer de ook aan eisers voorgehouden uitspraak van 20 juli 2016 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), ECLI:NL:RVS:2016:2031, dat de in artikel 8:1 in samenhang met artikel 6:7 en 6:11 van de Awb neergelegde regeling met zich brengt dat de identiteit van degenen namens wie beroep wordt ingesteld, voor afloop van de beroepstermijn kenbaar moet zijn.

6. Het is eveneens vaste rechtspraak, zie onder meer de onder 5 genoemde uitspraak en de uitspraak van 20 juli 2005 van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2005:AT9632) dat de omstandigheid dat beroep wordt ingesteld namens een persoon of personen van wie tijdens de beroepstermijn de identiteit niet kenbaar is, niet wordt beschouwd als een vormverzuim dat op grond van artikel 6:6 van de Awb hersteld kan worden. In dat geval staat tijdens de beroepstermijn immers in het geheel nog niet vast wie beroep heeft willen instellen. De artikelen 6:5 en 6:6 van de Awb strekken er niet toe het mogelijk te maken beroep in te stellen namens nog onbekende personen.

7. Zoals blijkt uit het procesverloop heeft de gemachtigde van eisers binnen de beroepstermijn beroep ingesteld (mede) namens 193.000 deelnemers die stichting vertegenwoordigt althans al haar deelnemers/aangeslotenen. Noch bij het beroepschrift noch binnen de beroepstermijn is een adressenlijst overgelegd of is anderszins de identiteit van eisers kenbaar gemaakt. Anders dan door de gemachtigde van eisers en door Roet ter zitting is betoogd, blijkt uit het in het beroepschrift gestelde ‘namens deelnemers/aangeslotenen’ niet de vereiste identiteit. De (termijn genoemd in de) brieven van 4 januari 2016 en 19 januari 2016 van de rechtbank doen er gelet op de onder 6 genoemde jurisprudentie niet aan af dat de gemachtigde van eisers binnen de beroepstermijn de identiteit van eisers kenbaar had dienen te maken. Gelet hierop acht de rechtbank de door de gemachtigde van eisers bij brief van 13 januari 2017 overgelegde machtigingen en de bij brieven van 18 januari 2017 door de gemachtigde van eisers overgelegde stukken en lastgevingsovereenkomsten - wat daar verder ook van zij - niet relevant.

8. De rechtbank wijst eisers er nog op dat ook al zou hun identiteit wel tijdig kenbaar zijn gemaakt, zij toch niet in hun beroep zouden kunnen worden ontvangen omdat zij niet zijn aan te merken als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Volgens vaste rechtspraak, zoals de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 28 december 2015, ECLI:NL:CBB:2015:408, dient een belanghebbende een objectief bepaalbaar, eigen (persoonlijk, individualiseerbaar) en voldoende actueel belang te hebben, dat bovendien rechtstreeks bij het betreffende besluit is betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank is er ten aanzien van ieder van de gestelde 193.000 deelnemers in elk geval niet gebleken van een individueel belang dat zich in relevante mate onderscheidt van het belang van iedere andere van de 193.000 deelnemers. Dat - zoals door Roet ter zitting is gesteld - het financiële belang (de hoogte van de schade) voor de 193.000 deelnemers ten opzichte van elkaar verschillend is, acht de rechtbank onvoldoende onderscheidend.

9. Het beroep van eisers dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, rechter, in aanwezigheid van

mr. M. Traousis - van Wingaarden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.