Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:1420

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-02-2017
Datum publicatie
24-02-2017
Zaaknummer
ROT 16/4533
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank volgt het arrest van 11 oktober 2016 van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2016:8122 rechtsoverwegingen 4.1. tot en met 4.10 en volgt haar eigen uitspraak van 14 februari 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:1122, rechtsoverwegingen 2.1. tot en met 2.11. Hieruit volgt dat eiser in bezwaar en beroep ook een hogere waarde mag bepleiten en geacht wordt daarbij belang te hebben, ook als het waardegegeven niet gebruikt wordt met het oog op de toepassing van een wettelijk voorschrift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2017-0522
NLF 2017/0738 met annotatie van Liesbeth Gramsbergen
V-N Vandaag 2017/446

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 16/4533

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 februari 2017 in de zaak tussen

[eiser],

en

de heffingsambtenaar van de Regionale Belasting Groep, verweerder,

gemachtigde: mr. Y. Kievit.

Procesverloop

Bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ), gedagtekend 29 februari 2016, heeft verweerder de waarde van [de onroerende zaak] (hierna: woning) voor het belastingjaar 2016 vastgesteld op € 120.000,- en eiser een daarmee corresponderende aanslag onroerende-zaakbelastingen opgelegd.

Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 21 juni 2016 (het bestreden besluit), heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder overweegt hierbij dat er geen wettelijke basis is om de WOZ-waarde te verhogen.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is op 30 november 2016 ter zitting van de enkelvoudige kamer behandeld.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft bij brief van 12 december 2016 beslist dat het onderzoek, gelet op de aard van het geschil, wordt heropend en ter verdere behandeling wordt verwezen naar de meervoudige kamer.

De zaak is vervolgens op 5 januari 2017 ter zitting van de meervoudige kamer behandeld.

Zowel eiser als verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser heeft als beroepsgrond aangevoerd dat de vastgestelde waarde te laag is en dat deze naar zijn mening bepaald moet worden op € 160.000,-. Het belang dat hij daarbij zegt te hebben is dat hij voornemens is de woning in 2017 of 2018 te verkopen en dat bij verkoop uiteraard van belang is welke WOZ-waarde aan de woning is toegekend. Verder valt niet uit te sluiten dat de woning op termijn zal worden onteigend en ook daarbij is de WOZ-waarde van belang, aldus eiser.

2. Verweerder heeft aangevoerd dat in dit geval voor verhoging van de waarde een wettelijke basis ontbreekt, ten eerste omdat die verhoging in strijd met de rechtsbeschermingsgedachte, zoals die is verwoord in de artikelen 7:11 en 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), ertoe zal leiden dat eiser een financieel ongunstiger positie krijgt. Immers, zo begrijpt de rechtbank verweerder, het leidt tot een hogere aanslag. Ten tweede ontbreekt bij het door eiser gestelde belang voor die verhoging een wettelijke basis, omdat artikel 28, eerste lid,van de Wet WOZ zich ertegen verzet. In die bepaling staat dat (pas) sprake is van een belang als wijziging wordt beoogd van een waardegegeven dat wordt gebruikt op grond van een wettelijk voorschrift en belanghebbende door dat gebruik in zijn individueel belang wordt geraakt. In dit geval, aldus verweerder, houdt het beoogde gebruik van de WOZ-waarde geen verband met de doorwerking van een wettelijk voorschrift, maar met een voorgenomen verkoop.

3. De rechtbank moet dus (ook ambtshalve) onderzoeken of eisers bezwaarschrift terecht ongegrond is verklaard of dat dit, wegens het ontbreken van belang daarbij, niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard.

4. De rechtbank volgt het arrest van 11 oktober 2016 van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2016:8122 rechtsoverwegingen 4.1. tot en met 4.10 en volgt haar eigen uitspraak van 14 februari 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:1122, rechtsoverwegingen 2.1. tot en met 2.11. Hieruit volgt dat eiser in bezwaar en beroep ook een hogere waarde mag bepleiten en geacht wordt daarbij belang te hebben, ook als het waardegegeven niet gebruikt wordt met het oog op de toepassing van een wettelijk voorschrift.

5. Vervolgens komt aan de orde of verweerder de waarde van de woning juist heeft vastgesteld. Verweerder, op wie de bewijslast rust dat de waarde van de woning niet te laag is vastgesteld, heeft zich nader op het standpunt gesteld dat de marktwaarde van de woning van eiser rond de waardepeildatum eerder € 160.000,- is dan de in het bestreden besluit vastgestelde waarde van € 120.000,-. Gelet op dit door verweerder nader verdedigde standpunt, dat overeenkomt met de door eiser voorgestelde waarde, zal de rechtbank de WOZ-waarde van de woning per de waardepeildatum vaststellen op € 160.000,-. Van omstandigheden waarom de waarde anders zou moeten worden vastgesteld is niet gebleken.

6. Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard voor zover het betrekking heeft op de WOZ-waarde. Naar het oordeel van de rechtbank kan de hogere WOZ-waarde geen gevolgen hebben voor de op basis van de oorspronkelijk beschikte WOZ-waarde vastgestelde aanslag onroerende-zaakbelastingen, omdat een beroep niet tot een hogere aanslag kan leiden (zie ook de uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 mei 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:3034). De aanslag zal dus niet worden verhoogd.

7. Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar alsnog gegrond;

- stelt de WOZ-waarde van de woning per de waardepeildatum vast op € 160.000,-;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hameete, voorzitter, en mr. E.J. Rutten en

mr. I. Bouter, leden in aanwezigheid van E.R. Schook, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer).