Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:1417

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-02-2017
Datum publicatie
01-03-2017
Zaaknummer
ROT 15/8267
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CBB:2018:68, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beboeting ivm hygiënevoorschriften. Bewijs proces-verbaal. Matiging boetes ivm draagkracht.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 344
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JW 2017/31
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 15/8267

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2017 in de zaak tussen

[Naam], te Utrecht, eiseres,

gemachtigde: mr. R.D.A. van Boom,

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder,

gemachtigde: mr. J.S. de Boer.

Procesverloop

Bij besluit van 20 november 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 24 juli 2015 (het primaire besluit), dat strekt tot oplegging van drie bestuurlijke boetes voor een totaalbedrag van € 2.625,00,- wegens overtredingen van hygiënevoorschriften, ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op 5 februari 2015 is de eenmanszaak van eiseres, “[Naam]” aan de [adres], te Utrecht bezocht door een buitengewoon opsporingsambtenaar (de verbalisant) van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. In het op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van de verbalisant van 23 februari 2015 is onder meer het volgende vastgesteld:

“Reiniging en desinfectie (bedrijfsruimten)

Ik, verbalisant, zag dat eerder genoemde verkoopruimte, koelcel en keuken, ernstig verontreinigd was. Ik zag namelijk dat de vloeren van zowel de keuken als de verkoopruimte op meerdere plaatsen bezet waren met tientallen tot honderden muizenuitwerpselen en los muizengif. Ik zag dat de verdamper in de koelcel bezet was met grijskleurig schimmel en stof. Ik zag dat meerdere schappen in de koelcel bezet waren met witkleurig schimmel. Ik zag dat er in de koelcel piepschuimen dozen op schappen stonden. Ik zag dat deze dozen bezet waren met witkleurig schimmel.

(…)

Reiniging en desinfectie (uitrustingsstukken)

Ik, verbalisant, zag dat er in de bakkerij meerdere apparaten en uitrustingsstukken ernstig verontreinigd waren. Ik zag namelijk dat de werkbank onder de ovens bezet was met honderden muizenuitwerpselen. Ik zag dat de kop van de snijmachine in de verkoopruimte bezet was met bruinkleurig ingedroogd oud vuil. Ik zag dat er in de koelcel een bak stond met daarin groenten. Ik zag dat de binnenzijde van deze bak bezet was met witkleurig schimmel.

(…)

Ongediertebestrijding

Uit voornoemde bevindingen bleek mij, verbalisant dat voornoemd bedrijf overlast heeft van ongedierte in de vorm van muizen. Vervolgens heb ik, toezichthouder, onderzoek gedaan naar de beschikbaarheid en toepassing van een programma voor ongediertebestrijding. Desgevraagd verklaarde mevrouw van Wiggen, dat dit bedrijf geen gespecialiseerd bedrijf voor ongediertebestrijding in dienst had genomen.”

2. Verweerder heeft op grond van deze bevindingen drie bestuurlijke boetes opgelegd wegens overtreding van:

 artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen, in verbinding met artikel 4, tweede lid, in verbinding met bijlage II, hoofdstuk I.1, van de verordening (EG) 852/2004, omdat de bedrijfsruimten voor levensmiddelen niet schoon waren (boetetarief € 1.050,-);

 artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen, in verbinding met artikel 4, tweede lid, in verbinding met bijlage II, hoofdstuk V.1a, van de verordening (EG) 852/2004, omdat de artikelen, uitrustingstukken en apparatuur die met voedsel in aanraking komen niet afdoende schoon waren gemaakt (boetetarief € 525,-);

 artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen, in verbinding met artikel 4, tweede lid, in verbinding met bijlage II, hoofdstuk IX.4, eerste volzin, van de verordening (EG) 852/2004, omdat er geen adequate maatregelen waren getroffen om schadelijke organismen te bestrijden (boetetarief

€ 1.050,-).

Verweerder heeft in de omstandigheden van eiseres geen aanleiding gezien het boetebedrag te matigen.

3.1.

Eiseres betoogt dat zij ten onrechte is beboet en stelt dat haar bedrijfsruimte voldoende schoongehouden wordt. In dit verband heeft zij gesteld dat de muizenkeutels op moeilijk bereikbare plaatsen lagen die niet met levensmiddelen in aanraking komen, namelijk achter de vriezer en op een plank onder de oven. Voorts heeft zij gesteld dat zaken in de inkoopkoelcel niet met schimmel waren bezet, maar dat er hooguit op de bovenste planken enkele schimmelplekjes waren ontstaan, omdat de koelcel vrijwel niet meer werd gebruikt. Tevens heeft zij gesteld dat de snijmachine niet was bezet met ingedroogd vuil, maar dat slechts in de kom waarin de kop zich bevindt enkele snijresten van droge ham lagen. Ten slotte heeft eiseres in dit verband gesteld dat zij adequate maatregelen tegen muizen heeft getroffen, omdat zij een gespecialiseerd bedrijf inhuurde zodra zich tekenen van muizen aandienden.

3.2.

De rechtbank stelt voorop dat in analogie op artikel 344, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering beboetbare feiten – behoudens tegenbewijs – kunnen worden aangenomen op basis van op een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van een buitengewoon opsporingsambtenaar (vergelijk ABRvS 23 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1671 en CBb 13 maart 2007, ECLI:NL:CBB:2007:BA1577).
Dat de verbalisant alleen was tijdens de controle doet geen afbreuk aan de bewijskracht van het proces-verbaal. De omstandigheid dat de verbalisant onder lunchtijd kwam en eiseres, doordat het druk was en zij alleen in de winkel stond, niet de gelegenheid had om de controle te volgen waardoor zij, naar zij stelt, beperkt is in haar mogelijkheden de inhoud van het proces-verbaal te betwisten, dient voor rekening en risico van eiseres te blijven.

Wat eiseres heeft aangevoerd vormt onvoldoende reden om niet in essentie van de juistheid van het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal uit gaan, dat in overwegende mate bestaat uit feitelijke constateringen van niet waarderende aard. Zelfs indien eisers kan worden gevolgd in haar ter zitting herhaalde stelling dat de snijmachine niet was afgezet met ingedroogd oud vuil, maar met net gesneden droge ham, dan volgt uit de resterende constateringen nog steeds dat artikelen, uitrustingstukken en apparatuur die met voedsel in aanraking kunnen komen niet afdoende schoon waren gemaakt, terwijl voorts is erkend dat op verschillende plaatsen muizenkeutels en muizengif lagen. Dat de koelcel en de ruimte waarin die stond vrijwel niet meer door eiseres werden gebruikt, doet op zich niet af aan de overtredingen. De enkele stelling van eiseres dat zij professionele hulp heeft ingeschakeld zodra zich tekenen van muizen aandienden wordt gelogenstraft door de geconstateerde hoeveelheden muizenuitwerpselen in combinatie met de verklaring van eiseres tegenover de verbalisant dat zij geen gespecialiseerd bedrijf voor ongediertebestrijding in dienst had genomen. Naar het oordeel van de rechtbank staan gelet hierop de geconstateerde overtredingen vast.

4. Eiseres betoogt dat zij voor hetzelfde feit dubbel wordt bestraft, omdat het aantreffen van muizenkeutels onlosmakelijk is verbonden met het niet nemen van adequate maatregelen. Dit betoog faalt. Anders dan in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van

5 januari 2017 (ECLI:NL:RBROT:163), bestaat er tussen de thans beboete overtredingen niet zodanige samenhang of overlapping dat de gedragingen in redelijkheid niet alle afzonderlijk kunnen worden beboet. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat bijlage II bij de van toepassing zijnde verordening onderscheid maakt tussen deze drie gedragingen. Daar komt bij dat niet alle overtredingen uitsluitend samenhangen met de aangetroffen muizenuitwerpselen en het niet hebben getroffen van adequate maatregelen tegen ongedierte, omdat er ook schimmel of vuil is aangetroffen in ruimtes en uitrustingsstukken.

5.1.

Verweerder heeft de boetebedragen vastgesteld in overeenstemming met de bijlage bij het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten dat zijn grondslag vindt in de artikelen 32a en 32b van de Warenwet. Gelet op het door de wetgever gekozen stelsel van uniforme – niet al te hoge – boetebedragen, waarbij in beginsel wordt geabstraheerd van de omstandigheden waaronder de overtreding wordt begaan, moet – uit een oogpunt van een hanteerbaar en consistent straftoemetingsbeleid – sprake zijn van zeer bijzondere en zwaarwegende omstandigheden, wil gebruikmaking van de matigingsmogelijkheid geboden zijn (vgl. CBb 5 april 2005, ECLI:NL:CBB:2005:AT5955 en CBb 24 december 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BL4453).

5.2.

De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheden van eiseres nopen tot matiging op de voet van artikel 5:46, derde lid, van de Awb. Verweerder heeft bij zijn besluitvorming weliswaar acht geslagen op de financiële stukken van eiseres over het jaar 2014 in welke jaar eiseres een positief bedrijfsresultaat boekte, maar eiseres heeft in beroep financiële stukken over 2015 ingediend waaruit een negatief bedrijfsresultaat over dat jaar naar voren komt. Eiseres heeft in dit verband verklaard dat zij de bedrijfsactiviteiten grotendeels heeft afgebouwd. Omdat de bestuursrechter de draagkracht mede zal moeten vaststellen aan de hand van de situatie ten tijde van het beroep (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:685) en eiseres, naar zij onbestreden heeft gesteld, het bedrag dat zij heeft geleend om het boetebedrag te kunnen voldoen zal moeten terugbetalen, ziet de rechtbank in de huidige financiële situatie van eiseres aanleiding het boetebedrag te matigen. Gelet op de geconstateerde vervuiling en gebrekkige maatregelen die eiseres had getroffen, is de rechtbank van oordeel dat wel een bestuurlijke boete van enige omvang is geboden, terwijl eiseres gelet op het pensioen en de uitkeringen die zij blijkens haar aangiften inkomstenbelasting over 2015 en 2016 ontvangt, al dan niet in gespreide betalingen, in staat moet worden geacht een boete van enige omvang te kunnen voldoen. De rechtbank ziet daarom aanleiding het totale boetebedrag te halveren en derhalve het boetebedrag vast te stellen op € 1.312,50.

6. Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond en kan het bestreden besluit geen stand houden voor wat betreft de boetehoogte. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen voor wat betreft de boetehoogte en het boetebedrag op grond van artikel 8:72a van de Awb vast te stellen op € 1.312,50.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en wegingsfactor 1). De kosten die zijn gemoeid met de bezwaarprocedure komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat de eerst in beroep overgelegde financiële gegevens over 2015 en 2016 aanleiding geven tot boetematiging en niet de stukken die hangende de besluitvorming bij verweerder zijn ingediend (zie Rb. Rotterdam 17 april 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:2854).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor wat betreft de boetehoogte;

  • -

    herroept het primaire besluit voor wat betreft de boetehoogte, stelt het boetebedrag dat eiseres aan verweerder is verschuldigd vast op € 1.312,50 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 167,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 990,-, te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van

mr. dr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

24 februari 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.