Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:1416

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-02-2017
Datum publicatie
01-03-2017
Zaaknummer
ROT 16/424
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tabakswetboete. Op grond van het op ambtsbelofte opgemaakte rapport van de toezichthouder ziet de rechtbank geen aanleiding om te betwijfelen dat monstername, verzegeling, transport en aanbieding aan het laboratorium op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding te twijfelen aan de uitslag die is vermeld in de deskundigenverklaring. Daaruit volgt dat de substantie in de getoonde roestvrijstalen bak tabak bevatte. Naar het oordeel van de rechtbank mag er voorts van worden uitgegaan dat de omstandigheid dat eiser of een van zijn medewerkers op de vraag van de toezichthouder hem de gebruikte waterpijptabak te tonen een roestvrijstalen bak toonde met daarin roodkleurige waterpijptabak, met zich brengt dat verweerder er – behoudens tegenbewijs – van mocht uitgaan dat de waterpijpen van de klanten in de horeca-inrichting met die substantie – en dus met tabak – waren gevuld. Eiser heeft ook niet gemotiveerd weersproken dat de waterpijpen waren gevuld met de getoonde handelsvoorraad. Omdat voorts is geconstateerd dat klanten de waterpijpen rookten, staat daarmee de overtreding vast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 16/424

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2017 in de zaak tussen

[Naam], te Rotterdam, eiser,

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 22 mei 2015 (het primaire besluit), strekkende tot oplegging van een bestuurlijke boete van € 2.400,- wegens het niet instellen, aanduiden en handhaven van een rookverbod in een horeca-inrichting, ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2017. Eiser is – met bericht – niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Janssens.

Overwegingen

1. Artikel 10, eerste lid, aanhef en onder e, van de Tabakswet, zoals die van toepassing was ten tijde in geding, bevat de verplichting voor de exploitant om een rookverbod in te stellen, aan te duiden en te handhaven in de horeca-inrichting.

Uit artikel 11b en 11c van de Tabakswet en de daarbij behorende bijlage, zoals die luidden ten tijde in geding, wordt de bestuurlijke boete voor een overtreding van artikel 10, eerste lid, van de Tabakswet vastgesteld op € 2.400,- wanneer binnen drie jaar na het onherroepelijk zijn van de bestuurlijke boete op de eerste overtreding dezelfde overtreding voor de derde keer wordt begaan.

De wijzingen van de tabakswetgeving nadien strekken niet ten gunste van eiser.

2.1.

Blijkens diens rapport van bevindingen (het rapport) heeft een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op 12 maart 2015 omstreeks 19:00 uur een inspectie verricht bij de door eiser gedreven horeca-inrichting “[Naam]”, gevestigd aan de [adres], te Rotterdam. De toezichthouder heeft in het rapport onder meer verklaard dat hij de geur van waterpijprook waarnam, dat hij een grijsblauwe walm in ruimte zag hangen en dat hij zag dat ongeveer zes mensen een waterpijp rookten in het zicht van de barmedewerker. Voorts wordt in het rapport vermeld dat de medewerker achter de bar de toezichthouder op diens vraag de gebruikte waterpijptabak te tonen een roestvrijstalen bak liet zien met daarin roodkleurige waterpijptabak, dat de toezichthouder met inachtneming van de gebruikelijke voorzorgen een monster van deze in voorraad zijnde waterpijptabak heeft genomen, dat het monster is verzegeld, vervoerd en overgedragen aan het laboratorium overeenkomstig de voorschriften uit het Kwaliteitshandboek van de NVWA en dat eiser met de kennisgeving van het boeterapport de mogelijkheid is geboden om monsters voor een eventuele tegen-expertise te nemen, waarvan geen gebruik is gemaakt. Verder is vermeld dat uit de schriftelijke verklaring van de teamleider van het laboratorium (de deskundigenverklaring) volgt dat het bemonsterde product tabak bevatte. Ten slotte is in het rapport vermeld dat zonder succes is getracht eiser telefonisch van de bevindingen op de hoogte te stellen. De deskundigenverklaring van 18 maart 2015 bevat onder meer dat uit het op 12 maart 2015 verrichtte microscopisch onderzoek is gebleken dat het monster, met monsternummer 79467812, tabak bevat.

2.2.

Verweerder heeft eiser op grond van het rapport en de daarbij behorende deskundigenverklaring een bestuurlijke boete opgelegd van € 2.400,-. Daarbij is in aanmerking genomen dat eiser voor de derde maal in overtreding is ter zake van de rookverboden die zijn neergelegd in de Tabakswet.

3. Het betoog van eiser dat de commissie die het bezwaar heeft behandeld partijdig was faalt. Voorop moet worden gesteld dat verweerder geen onafhankelijke bezwaarschriftencommissie heeft ingeschakeld, maar dat eiser in bezwaar is gehoord door twee medewerkers in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van verweerder. Dit laat onverlet dat het bestuursorgaan gelet op artikel 2:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ervoor waakt dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden. Eiser heeft evenwel geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat de medewerkers die hem hebben gehoord een persoonlijk belang bij het te nemen bestreden besluit hadden.

4. Eiser betoogt dat hij ten onrechte is beboet door nalatigheid van de controleambtenaren van NVWA. In dit verband is aangevoerd dat de controleambtenaren van NVWA eiser hebben misleid door relevante informatie achter te houden, omdat op

19 december 2014 al een controle is geweest waarbij een monster is genomen en getest, maar eiser nadien niet is meegedeeld dat het monster niet zou voldoen. Ook dit betoog faalt. Reeds in het primaire besluit heeft verweerder uiteengezet dat de monsterneming en uitslag van die eerdere monsterneming geen rol heeft gespeeld bij het besluit van 27 februari 2015 tot het opleggen van een bestuurlijke boete aan eiser, omdat tijdens de inspectie van
19 december 2014 was waargenomen dat een klant in de zaak van eiser een sigaret rookte, zodat reeds om die reden kon worden vastgesteld dat eiser in overtreding was. Eiser is dit meegedeeld in de beslissing op bezwaar van 8 mei 2015, die is genomen naar aanleiding van het bezwaar tegen het besluit van 27 februari 2015. Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat verweerder eerst bevoegd is tot het opleggen van een bestuurlijke boete wegens een positief bevonden monster indien eiser eerst is meegedeeld dat een eerdere monstername positief was getest op tabak, moet dit worden verworpen. Er is geen rechtsregel of rechtsbeginsel aan te wijzen waaruit volgt dat op verweerder een dergelijk waarschuwingsplicht rust, terwijl uit een eventueel stilzwijgen niet het vertrouwen kan worden ontleend dat verweerder afziet van zijn bevoegdheid tot handhaving. Het behoort daarentegen tot de eigen verantwoordelijkheid van eiser om de toepasselijke tabakswetgeving na te leven.

5. Eiser betoogt dat de overtreding niet vast is komen te staan, omdat de manier van controle niet waterdicht is. In dit verband heeft eiser aangevoerd dat niet vast staat dat tabak waarvan het monster afkomstig is daadwerkelijk daar werd genuttigd. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling. Op grond van het op ambtsbelofte opgemaakte rapport van de toezichthouder ziet de rechtbank geen aanleiding om te betwijfelen dat monstername, verzegeling, transport en aanbieding aan het laboratorium op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding te twijfelen aan de uitslag die is vermeld in de deskundigenverklaring. Daaruit volgt dat de substantie in de getoonde roestvrijstalen bak tabak bevatte. Naar het oordeel van de rechtbank mag er voorts van worden uitgegaan dat de omstandigheid dat eiser of een van zijn medewerkers op de vraag van de toezichthouder hem de gebruikte waterpijptabak te tonen een roestvrijstalen bak toonde met daarin roodkleurige waterpijptabak, met zich brengt dat verweerder er – behoudens tegenbewijs – van mocht uitgaan dat de waterpijpen van de klanten in de horeca-inrichting met die substantie – en dus met tabak – waren gevuld. Eiser heeft ook niet gemotiveerd weersproken dat de waterpijpen waren gevuld met de getoonde handelsvoorraad. Omdat voorts is geconstateerd dat klanten de waterpijpen rookten, staat daarmee de overtreding vast.

6. De bestuurlijke boete is vastgesteld met inachtneming van artikel 11b en 11c van de Tabakswet en de daarbij behorende bijlage, zoals die luidden ten tijde in geding, terwijl omstandigheden die nopen tot matiging op grond van artikel 5:46, derde lid, van de Awb zijn gesteld noch gebleken.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van

mr. dr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

24 februari 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.