Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:1280

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-03-2017
Datum publicatie
06-03-2017
Zaaknummer
5218343 CV EXPL 16-28317
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2019:2794, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Internationaal vervoer. Binnenvaart. Reisbevrachtingsovereenkomst tot het vervoer van een lading profielijzer (hierna: de Overeenkomst). CMNI toepasselijk. Van de Overeenkomst maakt de volgende bepaling deel uit: “Lostijd/liggeld: 24 uur / Ned Wet 2011”. Vervrachter/vervoerder (eiseres) en bevrachter (gedaagde) twisten over de reikwijdte van deze als partiële rechtskeuze aan te merken keuze voor het Tijdelijk Besluit laad- en lostijden en overliggeld in de binnenvaart 2011 (hierna: het Besluit). Geoordeeld wordt dat het Besluit niet alleen van toepassing op de omvang van het overliggeld maar tevens op de lossing, waaronder vergoedingen in verband met de lossing.

Overliggeld gevorderd in verband met lossing buiten werktijd. Artikel 7 Besluit. De tekst van lid 4 van artikel 7 van het Besluit bevat geen voorwaarde dat voor de verschuldigdheid van overliggeld aan de vervoerder vereist is dat er een buiten de vervoerder om gelegen noodzaak bestond om buiten werktijd te lossen. Dat neemt niet weg dat bij afwezigheid van die noodzaak de vervoerder op eigen initiatief van lid 4 gebruik kan maken om zodoende op meer overliggeld aanspraak te maken dan wanneer lossing binnen werktijd had plaatsgevonden. Een redelijke uitleg van lid 4 van artikel 7 van het Besluit brengt dan ook met zich dat voor de verschuldigdheid van overliggeld aan de vervoerder aan deze voorwaarde moet zijn voldaan. Eiseres heeft niet voldaan aan haar stelplicht dat deze voorwaarde is vervuld. Afwijzing van de vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2017/74
NTHR 2017, afl. 3, p. 159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 5218343 CV EXPL 16-28317

datum: 3 maart 2017

vonnis van de kantonrechter, zittinghoudende te Dordrecht,

in de zaak van

[eiser] ,
wonende te [woonplaats]

eiser,
gemachtigde: mr. P.E. van Dam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ARMARIS BEVRACHTINGEN B.V.,

gevestigd te Werkendam,
gedaagde,
gemachtigde: mr. T. Bezmalinovic.


Partijen zullen hierna [eiser] respectievelijk Armaris genoemd worden.

1 Het verloop van de procedure


Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 30 juni 2016, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met één productie;

  • -

    het vonnis van 5 september 2016 waarbij en comparitie is bepaalt;

  • -

    de brief van de advocaat van Armaris van 6 september 2016 waarin wordt medegedeeld dat partijen gelet op het geringe belang van de zaak afzien van een zitting en verzoeken re- en dupliek toe te staan.

  • -

    de conclusie van repliek;

  • -

    de conclusie van dupliek.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

[eiser] heeft een binnenvaartonderneming, waartoe hij het aan hem in eigendom toebehorende ms. “Marie-Joseph” (hierna ook: de “Marie-Joseph”) exploiteert. Armaris is bevrachter van binnenvaartschepen.

2.2.

Op 7 december 2015 heeft Armaris als bevrachter met [eiser] als vervrachter de volgende reisbevrachtingsovereenkomst tot het vervoer van een lading profielijzer (hierna: de Overeenkomst) gesloten - aangehaald voor zover relevant:

“Hierbij bevestigen wij, dat op 07-12-2015 de volgende reis overeengekomen is:

Schip: Marie Joseph Schipper: [eiser]

Eigenaar: [eiser] [..]

[…]

Charternummer: [nummer]

Lading: Mertert

Tonnage: 2200 max. 2250 op waterstand in opdrachtgevers keus

Laadplaats: Mertert

Melden bij: Luxport [..]

Losplaats: Antwerpen

Melden bij: Anvers Quay [..]

Laadtermijn: 16-12-2015 06:00 uur

Laadtijd/liggeld: 17-12-2015 23:59 garantie beladen / DW 94

Lostermijn: 21-12-2015 6:00 uur

Lostijd/liggeld: 24 uur / Ned Wet 2011

HWZ/ijsgeld: incl.

KWZ: Schip vaart +1,40 op pegel Koblenz

Vracht: €20.000 tot 2200 ton , €20.250 tot 2250 ton

Soort vracht: blokvracht

Provisie: 5%

Kanaalkosten: excl. Voor rekening opdrachtgever.

Laatste ladingen: n.v.t.

Extra informatie: Bij het laden/lossen moet de schipper de controle ijken opnemen. Afwijkende laad-losgewichten dienen direct gemeld te worden. Schipper moet zich minimaal 48 uur voor aankomst losplaats melden. Vracht uitsluitend af te rekenen tegen inlevering van afgetekend connossement of losbewijs.

Voorwaarden: CMNI

LCI Clausule: n.v.t.”

2.3.

Nadat ze op 16 december 2015 in Mertert, Luxemburg, met 1.802 ton lading was beladen, is de “Marie-Joseph” op zaterdag 19 december 2015 om 12.00 uur op de losplek in Antwerpen, België, aangekomen. Diezelfde dag van 14.00 tot 21.45 uur en op zondag 20 december 2015 van 6.00 tot 8.30 uur heeft de lossing plaatsgevonden.

2.4.

Op 13 februari 2016 heeft Armaris de door haar verschuldigde vracht betaald ten bedrage van € 19.000,00 (€ 20.000,00 minus provisie ad 5%).

3 Het geschil

3.1.

Na eisvermeerdering, althans eiswijziging, heeft [eiser] gevorderd Armaris bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot betaling van:

  1. een bedrag van €1.494,72, althans een door de kantonrechter te bepalen bedrag ter zake van het buiten de werktijd c.q. op zondag lossen van het ms. “Marie-Joseph”, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 2 juncto artikel 6:119a BW, althans met de toepasselijke rente naar Belgisch recht, vanaf 8 februari 2016, althans vanaf een door de kantonrechter te bepalen datum, althans vanaf de dag van het vonnis, tot de dag van de algehele voldoening;

  2. een bedrag van € 96,12, althans de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 2 juncto artikel 6:119a BW, althans de toepasselijke rente naar Belgisch recht, over een bedrag van € 19.000,00 vanaf 21 januari 2016, althans vanaf 22 januari 2016, althans vanaf 29 januari 2016, althans vanaf een door de kantonrechter te bepalen datum, tot 13 februari 2016;

  3. een bedrag van € 979,94, althans een door de kantonrechter te bepalen vergoeding voor de buitengerechtelijke werkzaamheden, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 juncto artikel 6:119 BW vanaf de dag van de dagvaarding, althans vanaf de datum van het vonnis, tot de dag van de algehele voldoening;

  4. e proceskosten en de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de toepasselijke termijn voor voldoening.

3.2.

[eiser] heeft hieraan de volgende stellingen ten grondslag gelegd - samengevat weergegeven:

- Op grond van artikel 7 lid 4 van het op de Overeenkomst toepasselijke Tijdelijk Besluit laad- en lostijden en overliggeld in de binnenvaart 2011 (hierna: het Besluit) is Armaris aan [eiser] een vergoeding van in totaal € 1.494,72 verschuldigd wegens het buiten de werktijd lossen c.q. het buiten de werktijd ter lossing beschikbaar houden van de “Marie-Joseph”; dit bedrag is door [eiser] bij factuur van 21 december 2015 in rekening gebracht;

- Ondanks haar gehoudenheid daartoe en diverse sommaties heeft Armaris verscheidene malen geweigerd dit factuurbedrag te betalen;

- Aangezien Armaris te laat is overgegaan tot betaling van de door haar verschuldigde vracht ten bedrage van € 19.000,00, is zij hierover nog wettelijke (handels)rente verschuldigd;

- Armaris is buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd.

3.3.

Armaris heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien betaling van deze kosten niet plaatsvindt binnen tien dagen na het vonnis.

Op de argumenten die Armaris hiertoe heeft aangevoerd zal hieronder bij de beoordeling, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

eisvermeerdering althans eiswijziging

4.1.

Tegen de door [eiser] bij conclusie van repliek vermeerderde, althans gewijzigde, eis heeft Armaris geen bezwaar gemaakt. Bovendien levert deze

eis geen strijd op met de goede procesorde. De kantonrechter zal dan ook recht doen op basis van deze eis.

een internationaal geval

4.2.

Deze zaak betreft een internationaal geval, in ieder geval omdat [eiser] in België woont. Daarom dient de kantonrechter eerst haar bevoegdheid en het toepasselijke recht te onderzoeken.

de internationale bevoegdheid van de kantonrechter

4.3.

Nu de dagvaarding is uitgebracht na 15 januari 2015, Armaris in een EU-lidstaat is gevestigd en de zaak een burgerlijke of handelszaak in de zin van artikel 1 van die verordening betreft, dient de bevoegdheid te worden beoordeeld aan de hand van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel Ibis-Vo).

[eiser] heeft Armaris gedagvaard voor de kantonrechter in Rotterdam op grond van het forumkeuzebeding (“Voor berechting van geschillen uit de vermelde overeenkomst is bij uitsluiting de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam bevoegd, tenzij anders overeengekomen”) in de standaardtekst onderaan de Overeenkomst (art. 25 Brussel Ibis-Vo). Armaris is in de procedure verschenen zonder zich op onbevoegdheid van de kantonrechter te beroepen (art. 26, lid 1 Brussel Ibis-Vo). Derhalve is de kantonrechter bevoegd, hetzij op grond van genoemd forumkeuzebeding hetzij op grond van een stilzwijgende forumkeuze.

het (objectief) toepasselijke recht op de Overeenkomst

4.4.

Aangezien het gevorderde is gebaseerd op grensoverschrijdend vervoer per binnenschip van Luxemburg naar België, ten minste één van die landen partij is bij het Verdrag van Boedapest inzake de overeenkomst voor het vervoer van goederen over de binnenwateren van 22 juni 2001 (CMNI) en het betreffende vervoer na de datum van inwerkingtreding van de CMNI in Nederland (1 juni 2006) is uitgevoerd, is de CMNI (als eenvormig privaatrecht) ingevolge artikel 2 van dat verdrag van rechtswege van toepassing.

Ingevolge artikel 29 CMNI is aanvullend van toepassing, voor zover geen rechtskeuze tussen partijen is uitgebracht, het recht van de Staat waarmee de vervoerovereenkomst de nauwste banden heeft. Vermoed wordt dat de vervoerovereenkomst de nauwste band heeft met de Staat waarin de vervoerder op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst zijn hoofdvestiging heeft, indien zich in deze Staat ook de laadhaven of plaats van inontvangstneming of de loshaven of de plaats van aflevering of de hoofdvestiging van de afzender bevindt.

Vaststaat dat [eiser] als vervoerder dient te worden aangemerkt en dat hij in België woont. Ook staat vast dat het vervoer van Luxemburg naar België werd verricht en de lading in België is afgeleverd. Daarom is aanvullend aan de CMNI van toepassing het recht van België.

Met toepassing van de Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I-Vo) zou de kantonrechter eveneens zijn uitgekomen bij het recht van België als aanvullend recht (art. 5 Rome I-Vo).

het toepasselijke recht op het gevorderde overliggeld

4.5.

Van de Overeenkomst maakt de volgende bepaling deel uit:

“Lostijd/liggeld: 24 uur / Ned Wet 2011”.

Niet in geschil is dat met “Ned Wet 2011” is bedoeld het Besluit. Partijen verschillen van mening over de reikwijdte van de keuze in deze bepaling. [eiser] meent dat op de lossing, waaronder vergoedingen in verband met de lossing, het Besluit van toepassing is met uitzondering van de lostijd zelf, omdat die contractueel is vastgesteld op 24 uur (vgl. randnr. 20 dagvaarding en randnr. 8 conclusie van repliek). Volgens Armaris brengt “een redelijke en logische lezing” van deze voorwaarde uit de Overeenkomst mee dat het Besluit alleen van toepassing is verklaard op overliggeld en de hoogte ervan in het geval van lossing 24 uur na het overeengekomen lostijdstip (vgl. randnr. 8 conclusie van dupliek).

4.6.

Aan de orde hier is de uitleg van een contractuele bepaling. Op grond van artikel 12 lid 1 onder a Rome I-Vo vindt deze uitleg plaats aan de hand van het op de overeenkomst toepasselijke recht, in het onderhavige geval Belgisch recht. Niet valt echter in te zien waarom de hier aan de orde zijnde bepaling uit de Overeenkomst naar Belgisch recht anders zou moeten worden uitgelegd dan naar Nederlands recht, voor zover nationale uitlegregels in dit verband al van belang zijn.

4.7.

Dat de keuze voor het Besluit in het onderhavige geval slechts op de geldelijke omvang van het overliggeld zou zien, zoals volgt uit het standpunt van Armaris, ligt niet voor de hand, omdat de omvang van het overliggeld gerelateerd is aan het aantal uren werktijd en dat urenaantal in het geval van lossing buiten de overeengekomen werktijd niet geregeld is in de Overeenkomst zélf maar alleen in het Besluit.

4.8.

Armaris doet nog een beroep op de zin “Evt. ontstane liggelden zijn indien niet uitdrukkelijk anders afgesproken daar af te rekenen waar ze ontstaan zijn.”, die in een kleiner lettertype is afgedrukt aan het einde van een uit vijftien regels bestaande standaardtekst onderaan de overeenkomst.

Het stond partijen vrij, uitdrukkelijk dan wel, zoals in dit geval, stilzwijgend (impliciet), in de Overeenkomst af te wijken van het bepaalde in de standaardtekst onderaan deze Overeenkomst, net zoals dat het geval is met een afwijking in een overeenkomst van de op die overeenkomst toepasselijk verklaarde algemene voorwaarden. Dit beroep van Armaris faalt derhalve.

4.9.

Het Besluit is dan ook niet alleen van toepassing op de omvang van het overliggeld maar tevens op de lossing, waaronder vergoedingen in verband met de lossing.

4.10.

Uit artikel 29 CMNI volgt dat een rechtskeuze kan worden uitgebracht voor een ander recht dan het recht dat ingevolge dit artikel bij gebreke van een rechtskeuze van toepassing is. Gesteld noch gebleken is dat partijen een rechtskeuze hebben uitgebracht die betrekking heeft op alle aspecten van de Overeenkomst. De keuze voor het Besluit op het liggeld valt derhalve aan te merken als een zogeheten ‘partiële rechtskeuze’ of ‘dépecerende rechtskeuze’. (De partiële rechtskeuze heeft een regeling gevonden in artikel 3 lid 1 Rome I-Vo: Bij hun keuze kunnen partijen het toepasselijke recht aanwijzen voor de overeenkomst in haar geheel of voor slechts een onderdeel daarvan.) Niet valt in te zien waarom de partiële rechtskeuze niet zou zijn toegestaan onder de CMNI, terwijl, als gezegd, een algehele rechtskeuze onder de CMNI in ieder geval wél is toegestaan. Evenmin valt in te zien waarom het gegeven dat het Besluit niet meer van kracht was in Nederland ten tijde van het sluiten van de Overeenkomst in de weg zou moeten staan aan deze op contractvrijheid gebaseerde partiële rechtskeuze.

het gevorderde overliggeld

4.11.

In het eerste lid van artikel 7 van het Besluit is het begrip ‘werktijd’ in de zin van dit Besluit gedefinieerd:

De werktijd vangt aan op maandag om 6.00 uur en eindigt op zaterdag om 18.00 uur. Op een met de zondag gelijkgestelde dag eindigt de werktijd op de voorafgaande werkdag om 18.00 uur en vangt aan op de eerstvolgende werkdag om 6.00 uur.

Krachtens lid 3 van dit artikel is voor het laden en lossen buiten de werktijd de uitdrukkelijke toestemming van de vervoerder vereist.

Het vierde lid van artikel 7 regelt de verschuldigdheid van overliggeld indien buiten de werktijd wordt geladen of gelost:

Indien buiten de werktijd wordt geladen of gelost, gelden slechts en in afwijking van het eerste lid de gebruikte uren als werktijd, terwijl daarnaast aan de vervoerder een afzonderlijke vergoeding verschuldigd is ten bedrage van twaalf uren overliggeld met betrekking tot elke periode vanaf 6.00 uur tot 18.00 uur en vanaf 18.00 uur tot de volgende dag om 6.00 uur, waarin wordt geladen of gelost, ook al wordt slechts gedurende een gedeelte van die periode geladen of gelost.

Ten slotte is in het vijfde lid van artikel 7 bepaald dat met laden en lossen in de zin van dit artikel gelijk wordt gesteld het zich op verzoeker van de afzender of ontvanger daartoe gereed houden.

4.12.

[eiser] stelt (a) dat het losbedrijf hem heeft verzocht op zaterdag 19 december dan wel op zondag 20 december 2015 te lossen, (b) dat de reden voor dat verzoek was dat er voor lossing op maandag 21 december en dinsdag 22 december 2015 geen tijd was en (c) dat hij in dit verzoek heeft toegestemd als bedoeld in lid 3 van artikel 7 van het Besluit. Armaris heeft stellingen (a) en (b) betwist. [eiser] stelt verder dat, wanneer hij niet met genoemd verzoek van het losbedrijf had ingestemd, lossing waarschijnlijk eerst op woensdag 23 december 2015 zou hebben kunnen plaatsvinden, met een verplichting tot betaling van overliggeld als gevolg. Deze stelling is door Armaris in zoverre betwist dat volgens haar onjuist is dat niet-instemming van [eiser] met het lossingsverzoek van het losbedrijf geleid zou hebben tot lossing na 21 december 2015 (de met Armaris overeengekomen losdatum).

4.13.

Voor toewijzing van het door [eiser] gevorderde overliggeld van € 1.494,72 moeten deze drie door Armaris betwiste stellingen komen vast te staan. Alleen in dat geval bestond er immers voor [eiser] de noodzaak om, in afwijking van hetgeen hij was overeengekomen met Armaris, de “Marie-Joseph” eerder dan op maandag 21 december 2015 om 6.00 uur voor lossing gereed te houden.

4.14.

De tekst van lid 4 van artikel 7 van het Besluit bevat geen voorwaarde dat voor de verschuldigdheid van overliggeld aan de vervoerder vereist is dat er een buiten de vervoerder om gelegen noodzaak bestond om buiten werktijd te lossen. Dat neemt niet weg dat bij afwezigheid van die noodzaak de vervoerder op eigen initiatief van lid 4 gebruik kan maken om zodoende op meer overliggeld aanspraak te maken dan wanneer lossing binnen werktijd had plaatsgevonden. Een redelijke uitleg van lid 4 van artikel 7 van het Besluit brengt dan ook met zich dat voor de verschuldigdheid van overliggeld aan de vervoerder aan deze voorwaarde moet zijn voldaan.

4.15.

Op [eiser] rust de stelplicht van de hier aan de orde zijnde stellingen (i) dat het losbedrijf hem heeft verzocht op zaterdag 19 december dan wel op zondag 20 december 2015 te lossen, (ii) dat de reden voor dat verzoek was dat er voor lossing op maandag 21 december en dinsdag 22 december 2015 geen tijd was en (iii) dat niet-instemming van [eiser] met dit lossingsverzoek geleid zou hebben tot lossing na de met Armaris overeengekomen losdatum. Van [eiser] had dan ook verwacht mogen worden dat hij deze stellingen voldoende zou onderbouwen, wat hij echter heeft nagelaten. Zo heeft hij geen brief of verklaring van het losbedrijf in het geding gebracht waaruit het door hem gestelde verzoek kan volgen. De vordering zal dan ook worden afgewezen.

de gevorderde wettelijke (handels)rente over de door Armaris verschuldigde vracht

4.16.

[eiser] heeft het door Armaris bij conclusie van antwoord gevoerde verweer tegen deze vordering bij conclusie van repliek gemotiveerd weerlegd, waarna Armaris bij conclusie van dupliek geen verweer meer heeft gevoerd. Als erkend dan wel ongemotiveerd weersproken zal deze vordering dan ook worden toegewezen op de wijze als in het dictum van dit vonnis bepaald.

de buitengerechtelijke incassokosten

4.17.

Gesteld noch gebleken is dat de door [eiser] gestelde buitengerechtelijke incassowerkzaamheden (mede) betrekking hebben op de invordering van de wettelijke (handels)rente over de door Armaris verschuldigde vracht. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen dan ook worden afgewezen.

de proceskosten

4.18.

Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten aan de zijde van Armaris worden tot aan deze uitspraak begroot op € 300,00 (2 x € 150,00) aan salaris voor de gemachtigde.

de nakosten

4.19.

De door Armaris gevorderde nakosten worden toegewezen op de wijze als in het dictum van dit vonnis bepaald.

5 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Armaris tot betaling van € 96,12, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 19.000,00 vanaf 21 januari 2016 tot 13 februari 2016;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Armaris vastgesteld op € 300,00 aan salaris voor de gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van de algehele voldoening, en, indien [eiser] niet binnen deze termijn vrijwillig aan deze betalingsverplichting heeft voldaan, in de nakosten van € 131,00, te verhogen met een bedrag van € 68,00 aan kosten voor betekening onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van de algehele voldoening;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

463/16744