Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:1251

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-02-2017
Datum publicatie
17-02-2017
Zaaknummer
C/10/498229 / HA ZA 16-313
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Borgtocht. Beroep op vernietiging op grond van artikel 1:88 jo. 1:89 BW. Borgtocht aangegaan voor rechtshandeling ten behoeve van normale uitoefening van het bedrijf. Dwaling.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 88
Burgerlijk Wetboek Boek 1 89
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 228
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2017-0071
AR 2017/886
NJF 2017/138
RF 2017/45
JPF 2017/89

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/498229 / HA ZA 16-313

Vonnis van 15 februari 2017

in de zaak van

de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. J.G.M. Roijers te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. A.W.M. Roozeboom te Schiedam.

Partijen zullen hierna Rabobank en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 18 maart 2016, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de brief van de rechtbank van 6 juli 2016 waarbij een comparitie is gelast;

  • -

    de brief van de rechtbank van 22 juli 2016 inhoudende een zittingsagenda;

  • -

    de brief met bijlagen namens Rabobank van 15 september 2016;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 29 september 2016.

1.2.

Na de comparitie van partijen heeft de zaak op verzoek van partijen enige tijd op de parkeerrol gestaan.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] was bestuurder en enig aandeelhouder van Selton B.V. (hierna: Selton) en Selton Sports B.V. (hierna: Selton Sports, welke vennootschap voorheen TK Hockey Equipment B.V. was geheten; tezamen worden beide vennootschappen ook aangeduid als Selton c.s.). Selton c.s. waren actief op het terrein van de import van hockeyartikelen.

2.2.

Tussen (de rechtsvoorganger van) Rabobank en Selton c.s. zijn verschillende financieringsovereenkomsten tot stand gekomen. Op 27 februari 2003 is een financierings-overeenkomst tot stand gekomen, die onder andere de volgende bepalingen bevat:

Te stellen zekerheden

Hoofdelijke medeschuldverbintenis van […], Selton B.V. voor het krediet verstrekt aan T.K. Hockey Equipment B.V.

[…]

Bankborgtocht van EUR 722.689,-- afgegeven voor dhr. [gedaagde] voor de schulden van Selton B.V.

De bestaande zekerheden blijven gehandhaafd.”

2.3.

Blijkens de borgtochtakte van 27 februari 2003 verbindt [gedaagde] zich als borg jegens Rabobank tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen Rabobank van de debiteur Selton te vorderen heeft of mocht hebben. Het maximum van de borg is bepaald op

€ 722.689,-. [gedaagde] heeft dit bedrag met de hand uitgeschreven in een goedschrift aan het slot van de akte.

2.4.

Op 16 februari 2004 is een nieuwe financieringsovereenkomst tussen Rabobank en Selton B.V. tot stand gekomen. Deze bevat onder meer de bepaling dat “de bestaande zekerheden zullen worden gehandhaafd voor de nieuwe financiering.”

2.5.

In april/mei 2007 is opnieuw een nieuwe financieringsovereenkomst met betrekking tot Selton tot stand gekomen. De overeenkomst bevat onder andere de volgende opmerkingen:

Bestaande zekerheden

[…]

Bankborgtocht van EUR 722.689,--

[…]

Hoofdelijke medeschuldverbintenis van Selton B.V. voor de kredietfaciliteit ad EUR 700.000,-- aan TK Hockey Equipment B.V.

[…]

De reeds bestaande zekerheden strekken ook tot zekerheid voor de aangeboden financiering.”

2.6.

Ook op 10 december 2007 is een financieringsovereenkomst “voor de herfinanciering van uw bestaande kredietfaciliteit” tot stand gekomen. Deze overeenkomst vermeldt dat “de bestaande zekerheden blijven gehandhaafd.”

2.7.

Op 26 juni 2012 zijn Selton c.s. failliet verklaard. Rabobank heeft haar vorderingen uit hoofde van de financieringsovereenkomsten bij de curator ter verificatie ingediend. De faillissementen zijn inmiddels opgeheven bij gebrek aan baten.

2.8.

Rabobank heeft [gedaagde] aangesproken tot nakoming van de door hem gestelde borgtocht.

2.9.

Bij brief van 18 januari 2016 is namens de echtgenote van [gedaagde] een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van de borgtocht op grond van artikel 1:89 BW.

3 Het geschil

3.1.

Rabobank vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 301.385,53, vermeerderd met rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten, een en ander bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

3.2.

[gedaagde] voert verweer. Hij concludeert tot afwijzing van de vordering met veroordeling, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, van Rabobank in de proceskosten waaronder de nakosten.

4 De beoordeling

4.1.

Als meest verstrekkende standpunt heeft Rabobank aangevoerd dat de verschuldigdheid van gevorderde bedrag door [gedaagde] is erkend en dat het hem daarom niet meer vrijstaat die verschuldigdheid te betwisten. De rechtbank verwerpt dit standpunt. Uit zowel de stellingen van Rabobank als die van [gedaagde] blijkt dat partijen na het faillissement van Selton c.s. met elkaar in overleg zijn getreden over een minnelijke regeling. Dat in dat kader voorstellen zijn gedaan waarin de betaling van (een deel van) het thans door Rabobank gevorderde bedrag is betrokken, impliceert niet dat [gedaagde] de verschuldigdheid van dat bedrag heeft erkend. Rabobank heeft ook geen concrete feiten gesteld die zouden kunnen leiden tot de conclusie dat zij daadwerkelijk op een dergelijke erkenning heeft vertrouwd. Het enkele feit dat [gedaagde] het bedrag van de borgtocht in zijn belastingaangifte heeft verwerkt is daarvoor onvoldoende, nu Rabobank in beginsel buiten de verhouding tussen [gedaagde] en de belastingdienst staat en Rabobank geen feiten heeft gesteld die tot de conclusie kunnen leiden dat Rabobank aan die belastingaangifte bepaalde verwachtingen heeft mogen ontlenen.

4.2.

De vordering van Rabobank is gebaseerd op de in 2.2 bedoelde borgtochtovereenkomst. Het bestaan van die overeenkomst en de hoogte van het door Rabobank in dat kader gevorderde bedrag zijn door [gedaagde] niet betwist. Die staan dus vast. Het verweer van [gedaagde] is in de eerste plaats gebaseerd op een vernietiging van de borgtocht door zijn echtgenote op grond van artikel 1:89 BW. Met betrekking tot dit verweer overweegt de rechtbank het volgende.

4.3.

Op grond van artikel 1:88 lid 1 onder c BW was voor het aangaan van de borgtochtovereenkomst door [gedaagde] in beginsel toestemming nodig van zijn echtgenote. Vast staat dat die toestemming niet is verleend. De borgtocht is daarom in beginsel vernietigbaar (artikel 1:89 BW). Toestemming was alleen dan niet vereist indien de rechtshandeling waarvoor de borgtocht is aangegaan (dus de financieringsovereenkomst tussen Rabobank en Selton c.s.) strekte ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van Selton c.s. (artikel 1:88 lid 5 BW). Het gaat hier om een wezenlijke beperking van de reikwijdte van de uitzondering op het toestemmingsvereiste. Van een normale bedrijfsuitoefening is geen sprake wanneer de desbetreffende rechtshandeling naar zijn aard of risico afwijkt van wat bij de uitoefening van het bedrijf van de vennootschap gebruikelijk is.

4.4.

Tegen de achtergrond van dit beoordelingskader zijn de volgende omstandigheden van belang. Vast staat dat in het bedrijf van Selton c.s. – import en verkoop van hockeyartikelen – sprake was van seizoensinvloeden. Gelet daarop was de door Rabobank verstrekte financiering nodig om de onderneming te kunnen blijven draaien in de periode waarin nog geen of weinig omzet werd gerealiseerd maar wel artikelen ingekocht moesten worden. Rabobank heeft dit gesteld en [gedaagde] heeft dit op de zitting met zoveel woorden bevestigd. Gelet op deze aard van het bedrijf van Selton c.s. moet de door Rabobank verstrekte financiering in beginsel beschouwd worden als een voor de bedrijfsuitoefening normale financiering. Uit de processtukken kan niet worden afgeleid dat de borgtocht tot stand is gekomen voor een financiering die als niet-alledaags moet worden beschouwd, bijvoorbeeld in een situatie van dreigende discontinuïteit van de vennootschap of ter overbrugging van een periode waarin de vennootschap op zoek was naar voor het voortbestaan noodzakelijk kapitaal.

4.5.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat er meerdere herfinancieringen hebben plaatsgevonden “waarbij met leningen is geschoven”. Dit wijst er volgens [gedaagde] op dat de financiering waarvoor de borgtocht is verleend niet strekte ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf. De rechtbank volgt [gedaagde] hierin niet. Uit de verklaringen van zowel Rabobank als [gedaagde] op de zitting volgt dat de financiering regelmatig werd aangepast, afhankelijk van de concrete behoefte aan seizoensfinanciering op dat moment en omdat de onderneming groeide. Dat sprake is geweest van meerdere herfinancieringen is zo bezien verklaarbaar vanuit de aard en ontwikkeling van het bedrijf en wijst niet op een situatie waarin de financieringen niet (langer) strekten ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf. [gedaagde] heeft geen feiten aangevoerd die tot een andere conclusie kunnen leiden.

4.6.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze omstandigheden dat de borgtocht is aangegaan in het kader van de financiering van Selton c.s. die plaatsvond ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van die vennootschappen. Dat betekent dat de uitzondering van artikel 1:88 lid 5 BW van toepassing is en dat de borgtocht niet wegens het ontbreken van de toestemming van de echtgenote van [gedaagde] vernietigbaar is.

4.7.

[gedaagde] heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de borgtocht vernietigbaar is omdat deze is aangegaan onder invloed van dwaling. Hij heeft daartoe aangevoerd dat Rabobank geen aandacht heeft besteed aan de inhoud en reikwijdte van de overeenkomst van borgtocht, maar het desbetreffende stuk zonder toelichting aan hem ter ondertekening heeft voorgehouden waarbij hem werd verteld dat het slechts ging om een “formaliteit”. Naar de mening van [gedaagde] heeft Rabobank hem onvoldoende geïnformeerd. Rabobank heeft deze stellingen betwist aan de hand van onder andere een schriftelijke verklaring van de medewerker die destijds het contact met [gedaagde] onderhield. In dit verband overweegt de rechtbank het volgende.

4.8.

Op basis van de overgelegde contractstukken constateert de rechtbank in de eerste plaats dat Rabobank herhaaldelijk expliciet heeft gerefereerd aan de door [gedaagde] verleende “bankborgtocht” en dat dit steeds staat geplaatst onder het kopje “zekerheden”, in een opsomming van nog andere zekerheden die Rabobank in het kader van de financiering heeft bedongen. Voorts is van belang dat [gedaagde] eigenhandig het goedschrift in de overeenkomst van borgtocht heeft geschreven, inclusief het volledig uitgeschreven bedrag waarvoor de borgtocht werd verleend. In deze omstandigheden en gelet op de omstandigheid dat een borgtocht van een bestuurder/enig aandeelhouder van een vennootschap in het kader van door de bank verstrekte financiering in het zakelijk verkeer niet ongebruikelijk is, had van [gedaagde] verwacht mogen worden zo nodig vragen aan Rabobank te stellen omtrent de reikwijdte en consequenties van de borgtocht. Door dat achterwege te laten behoort een eventuele onjuiste voorstelling van zaken voor zijn rekening te blijven.

4.9.

Ook echter als aangenomen moet worden dat Rabobank [gedaagde] onvoldoende heeft geïnformeerd, kan het beroep op dwaling niet slagen. [gedaagde] heeft onvoldoende concreet gesteld dat hij de overeenkomst bij een juiste voorstelling van zaken niet of onder andere voorwaarden zou hebben gesloten. Het gaat hier immers om een zekerheid die Rabobank nodig achtte om de vennootschap verder te financieren, zonder welke financiering de vennootschap niet kon functioneren. Mede gelet op de omstandigheid dat een borgstelling in een situatie als deze niet ongebruikelijk is, ligt het in beginsel in de rede dat [gedaagde] ook bij een juiste voorstelling van zaken de onderhavige borgtocht zou zijn aangegaan. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen concrete feiten te stellen die tot een andere conclusie kunnen leiden. Dat heeft hij niet gedaan. Desgevraagd heeft hij ter zitting niet veel meer verklaard dan dat hij “deze overeenkomst niet [zou] hebben gesloten, misschien wel een andere.”

4.10.

Het beroep op vernietiging wegens dwaling faalt daarom.

4.11.

[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat de borgtocht bij de herinrichting van het krediet in april 2007 is verruimd van Selton naar Selton Sports, over welke uitbreiding Rabobank geen informatie heeft verschaft. Dit verweer faalt. Uit de stukken van februari 2003 volgt dat ook in het kader van de destijds tot stand gekomen financieringsovereenkomst Selton hoofdelijk aansprakelijk was voor de schulden van Selton Sports. In de overeenkomst heeft [gedaagde] niet alleen voor Selton, maar ook voor Selton Sports getekend en zodoende beide vennootschappen gebonden. Ook de toen tot stand gekomen borgtocht moet daarom geacht worden zich mede over de vorderingen van Rabobank op Selton Sports uit te strekken. In zoverre ontstond in april 2007 dus geen nieuwe situatie.

4.12.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de hoofdvordering van Rabobank toewijsbaar is. Rabobank vordert de wettelijke rente met ingang van 3 maart 2015. De rechtbank kan uit het dossier echter niet afleiden om welke reden dit de ingangsdatum van het verzuim van [gedaagde] zou zijn. Nu het gestelde verzuim van [gedaagde] op zichzelf niet ter discussie staat, zal de wettelijke rente worden toegewezen met ingang van de dag van dagvaarding.

4.13.

Rabobank vordert een bedrag van € 3.281,93 ter zake van buitengerechtelijke kosten. Zij heeft op zichzelf voldoende onderbouwd dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht, en dat is door [gedaagde] niet betwist anders dan te verzoeken om matiging. Daartoe ziet de rechtbank echter geen aanleiding. Het gevorderde bedrag komt de rechtbank redelijk voor en zal daarom worden toegewezen.

4.14.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] worden veroordeeld in de proceskosten. Deze worden begroot op € 3.903,-- aan griffierecht, € 97,73 aan verschotten en € 4.000,-- aan advocaatsalaris.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Rabobank van een bedrag van € 301.385,53 (te weten: driehonderdéénduizenddriehonderdvijfentachtig euro en drieënvijftig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 maart 2016 tot aan de dag van voldoening;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Rabobank van € 3.281,93;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van Rabobank, tot op heden begroot op

€ 8.000,73;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2017.

1980/2053