Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:1155

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-02-2017
Datum publicatie
17-02-2017
Zaaknummer
C/10/505143 / HA ZA 16-654
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Borg wordt aangesproken en doet zelf beroep op vernietiging ex art.1:88 lid 1 BW wegens ontbreken handtekening ex-vrouw. Beroep op vernietiging komt op grond van art. 1:89 BW slechts toe aan niet-handelend echtgenoot. Beroep faalt; vordering wordt toegewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 88
Burgerlijk Wetboek Boek 1 89
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2017-0054
INS-Updates.nl 2017-0096
NJF 2017/194
JPF 2017/106

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/505143 / HA ZA 16-654

Vonnis van 15 februari 2017

in de zaak van

de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK ROTTERDAM U.A.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. R.M. van Dijk,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. H.E. Borgman.

Partijen zullen hierna Rabobank en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties van 22 april 2015;

  • -

    de conclusie van antwoord met productie van 16 juni 2015;

  • -

    het tussenvonnis van de kantonrechter van 16 juni 2015 waarin een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    de akte overleggen producties van Rabobank van 2 september 2015;

  • -

    het proces-verbaal van de door de kantonrechter op 2 september 2015 gehouden comparitie van partijen;

  • -

    de rolbeslissing van de kantonrechter van 25 maart 2016;

  • -

    de akte uitlaten van Rabobank van 19 april 2016;

  • -

    het tussenvonnis van de kantonrechter van 20 mei 2016 waarin de zaak is verwezen naar de handelskamer van deze rechtbank;

  • -

    de akte vermeerdering van eis van Rabobank van 6 juli 2016;

  • -

    het tussenvonnis (althans de brieven) van deze rechtbank van 31 augustus 2016 waarin een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    de brief van deze rechtbank van 20 oktober 2016 met de zittingsagenda;

  • -

    de brief met producties van Rabobank van 7 december 2016;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 22 december 2016, met aangehecht de brief van
    mr. Van Dijk van 6 januari 2017 met opmerkingen over het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] was bestuurder en aandeelhouder van de vennootschappen Strait Solutions B.V., Strait Projects B.V. en [bedrijf] In mei 2010 heeft Rabobank aan die vennootschappen een geldlening van € 100.000,00 verstrekt. [gedaagde] en zijn (toenmalige) echtgenote, [toenmalige echtgenote] (hierna: [toenmalige echtgenote] ), hebben zich tot zekerheid voor de terugbetaling van die lening borg gesteld tot een bedrag van € 150.000,00. De overeenkomst van borgtocht waarin één en ander is vastgelegd, is namens Rabobank ondertekend op 4 mei 2010 en door [gedaagde] en [toenmalige echtgenote] op
6 mei 2010 (hierna: de eerste overeenkomst van borgtocht).

2.2.

[gedaagde] en [toenmalige echtgenote] hebben Rabobank in het najaar van 2011 gemeld dat zij zouden gaan scheiden en hebben Rabobank verzocht om de borgtocht van [toenmalige echtgenote] te laten vervallen. Naar aanleiding van dat verzoek is er een nieuwe overeenkomst van borgtocht gesloten tussen Rabobank en [gedaagde] , welke overeenkomst door Rabobank is ondertekend op 23 december 2011 en door [gedaagde] op 7 januari 2012 (hierna: de tweede overeenkomst van borgtocht). Op grond van de tweede overeenkomst van borgtocht heeft [gedaagde] zich jegens Rabobank borg gesteld tot € 100.000,00 voor de schulden van Strait Solutions B.V., Strait Projects B.V. en [bedrijf] In de tweede overeenkomst van borgtocht is onder meer bepaald dat die overeenkomst strekt ter vervanging van de eerste overeenkomst van borgtocht en voorts dat de borgtocht is gesteld ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening van het bedrijf van de debiteur.

2.3.

Ten tijde van het sluiten van de tweede overeenkomst van borgtocht waren [gedaagde] en [toenmalige echtgenote] nog gehuwd.

2.4.

Strait Solutions B.V. is op enig moment in 2012 failliet gegaan. Bij brief van
9 oktober 2012 heeft Rabobank haar vordering op Strait Solutions B.V. ingediend in het faillissement. De totale vordering bedroeg op dat moment € 212.456,10.

2.5.

Bij brief van 8 april 2014 heeft Rabobank [gedaagde] bericht dat de opbrengst van de (overige) zekerheden in het faillissement van Strait Solutions B.V. onvoldoende was voor de voldoening van de vordering van Rabobank. Rabobank heeft [gedaagde] aangesproken op zijn verplichtingen uit hoofde van de tweede overeenkomst van borgtocht en heeft [gedaagde] verzocht een bedrag van € 100.000,00 te voldoen.

2.6.

[gedaagde] heeft tot op heden niet voldaan aan het betalingsverzoek van Rabobank.

3 Het geschil

3.1.

Rabobank vordert, na vermeerdering van haar eis, dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van € 100.000,00 in hoofdsom,
€ 312,33 aan verschenen rente (tot en met 16 april 2015) en een bedrag van € 1.815,00 aan buitengerechtelijke kosten, derhalve tot een totaalbedrag van € 102.127,33, vermeerderd met rente en kosten. Zij stelt hiertoe dat zij een vordering heeft van meer dan € 100.000,00 op Strait Solutions B.V. en dat die vordering onbetaald is gebleven. [gedaagde] is daarom op grond van de tweede overeenkomst van borgtocht € 100.000,00 in hoofdsom verschuldigd aan Rabobank. Rabobank bestrijdt dat [gedaagde] een beroep toekomt op de vernietiging van de tweede overeenkomst van borgtocht.

3.2.

[gedaagde] betwist de vordering van Rabobank op Strait Solutions B.V. en concludeert tot afwijzing van de vordering jegens hemzelf. [gedaagde] voert als verweer dat de tweede overeenkomst van borgtocht op grond van artikel 1:88 lid 1 aanhef en onder c BW vernietigbaar is omdat deze niet door zijn (toenmalige) echtgenote, [toenmalige echtgenote] , is ondertekend. [gedaagde] betwist dat de borgstelling is geschied ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening van Strait Solutions B.V., zoals bedoeld in artikel 1:88 lid 5 BW. Voorts voert [gedaagde] aan dat het bepaalde in artikel 1:89 lid 1 BW in dit geval op grond van de redelijkheid en billijkheid buiten toepassing moet worden gelaten. [toenmalige echtgenote] had belang bij de totstandkoming van de tweede overeenkomst van borgtocht, omdat daarmee haar borgstelling uit hoofde van de eerste overeenkomst van borgtocht kwam te vervallen en omdat zij sinds 2011 lid van de raad van commissarissen van Rabobank is. Van [toenmalige echtgenote] kan onder die omstandigheden niet worden verwacht dat zij zich beroept op vernietiging van de tweede overeenkomst van borgtocht, aldus [gedaagde] .

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[gedaagde] heeft ter comparitie aangevoerd dat Rabobank de hoogte van de vordering op Strait Solutions B.V. onvoldoende heeft onderbouwd, zodat niet kan worden vastgesteld dat Rabobank meer dan € 100.000,00 van Strait Solutions B.V. heeft te vorderen. Daarmee is ook de vordering op [gedaagde] onvoldoende onderbouwd, aldus [gedaagde] . Rabobank heeft vervolgens ter comparitie haar brief van 9 oktober 2012 overgelegd waaruit volgt dat zij een vordering van € 212.456,10 heeft ingediend in het faillissement van Strait Solutions B.V. (zie hiervoor onder 2.4). Volgens Rabobank is die vordering door de curator van Strait Solutions B.V. erkend en is het faillissement van Strait Solutions B.V. nadien bij gebrek aan baten opgeheven. Na bestudering van de brief van
9 oktober 2012 heeft [gedaagde] ter comparitie aangegeven dat hij daarmee voldoende inzicht heeft in de opbouw van de vordering op Strait Solutions B.V. De rechtbank begrijpt die opmerking aldus , dat [gedaagde] zijn verweer tegen de stelling van Rabobank dat de vordering op Strait Solutions B.V. meer dan € 100.000,00 bedraagt, heeft laten varen. Daarmee staat dus vast dat die vordering tenminste € 100.000,00 bedraagt.

4.2.

Gelet op het voorgaande is tussen partijen thans uitsluitend nog in geschil of [gedaagde] een beroep toekomt op vernietiging van de tweede overeenkomst van borgtocht.

4.3.

Op grond van artikel 1:88 lid 1 aanhef en onder c BW behoeft de ene echtgenoot de toestemming van de andere echtgenoot voor overeenkomsten die ertoe strekken dat hij, anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of zijn bedrijf, zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt. Artikel 1:88 lid 5 BW bevat een uitzondering op die hoofdregel: de toestemming is niet vereist, indien de rechtshandeling wordt verricht door de bestuurder van een besloten vennootschap die daarvan alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid van de aandelen houdt en mits zij geschiedt ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van de vennootschap.

Artikel 1:88 BW beoogt echtgenoten, in het belang van het gezin, tegen elkaar te beschermen tegen het verrichten van rechtshandelingen die gezien de aard van die rechtshandeling benadelend zijn of een groot financieel risico met zich brengen.

4.4.

Op grond van artikel 1:89 lid 1 BW is een rechtshandeling die een echtgenoot in strijd met artikel 1:88 BW heeft verricht vernietigbaar. Artikel 1:89 lid 1 BW bepaalt expliciet dat slechts de andere, niet handelend echtgenoot, een beroep kan doen op de vernietigingsgrond. De ratio hierachter is dat het toestemmingsvereiste van artikel 1:88 lid 1 BW dient ter bescherming van de niet handelend echtgenoot en niet ter bescherming van de handelend echtgenoot, die er zelf voor kiest om een rechtshandeling als vermeld in dat artikel te verrichten.

4.5.

Het staat vast dat [gedaagde] en [toenmalige echtgenote] ten tijde van het sluiten van de tweede overeenkomst van borgtocht nog gehuwd waren. Nog daargelaten of [toenmalige echtgenote] toestemming heeft gegeven voor het aangaan van de tweede overeenkomst van borgtocht en of die toestemming gelet op het bepaalde in artikel 1:88 lid 5 BW überhaupt was vereist, komt aan [gedaagde] , als handelend echtgenoot in deze, niet de bevoegdheid toe om de vernietiging van die overeenkomst in te roepen wegens het ontbreken van de toestemming van [toenmalige echtgenote] . Die bevoegdheid komt op grond van artikel 1:89 lid 1 BW enkel toe aan [toenmalige echtgenote] , als niet handelend echtgenoot. Gesteld noch gebleken is dat [toenmalige echtgenote] een beroep heeft gedaan op vernietiging van de tweede overeenkomst van borgtocht. Dat [toenmalige echtgenote] geen deugdelijk beroep op de vernietiging heeft gedaan omdat zij, zo stelt [gedaagde] , belang had bij de totstandkoming van de tweede overeenkomst van borgtocht vanwege haar functie als commissaris bij Rabobank en omdat daarmee haar eigen borgstelling uit hoofde van de eerste overeenkomst van borgtocht kwam te vervallen, doet niet ter zake en leidt zeker niet tot het oordeel dat [gedaagde] zich in plaats van [toenmalige echtgenote] op de vernietiging kan beroepen. Naar het oordeel van de rechtbank leidt toepassing van artikel 1:89 lid 1 BW in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet tot een onaanvaardbaar resultaat. Zelfs als de opstelling van [toenmalige echtgenote] jegens [gedaagde] onbehoorlijk zou zijn in de context van de afwikkeling van hun huwelijk, maakt dat geen verschil. Dat regardeert immers Rabobank niet. Er bestaat dan ook geen grondslag om het vereiste van artikel 1:89 lid 1 BW buiten toepassing te laten. Het beroep van [gedaagde] op vernietiging van de tweede overeenkomst van borgtocht faalt.

4.6.

Nu [gedaagde] geen andere verweren heeft gevoerd tegen de verschuldigdheid van € 100.000,00 in hoofdsom op grond van de tweede overeenkomst van borgtocht, zal de vordering van Rabobank tot betaling van die hoofdsom worden toegewezen.

4.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] krachtens de toepasselijke algemene voorwaarden 2% rente per jaar aan Rabobank verschuldigd is over de hoofdsom. Hoewel Rabobank bij dagvaarding nog aanspraak maakte op betaling van de contractuele rente, vordert zij na vermeerdering van eis dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 312,33 aan wettelijke rente alsmede tot betaling van de wettelijke rente over € 100.000,00 vanaf 17 april 2015. Uit de berekening die Rabobank heeft overgelegd als productie 3 bij dagvaarding volgt evenwel dat het gevorderde bedrag van € 312,33 de contractuele rente betreft. Nu onduidelijk is op welke rente Rabobank precies aanspraak maakt, en Rabobank dit niet verder heeft toegelicht, zal over de hoofdsom bij gebreke van nadere informatie het laagste rentepercentage worden toegewezen, zijnde een percentage van 2%.

4.8.

Rabobank vordert een bedrag van € 1.815,00 aan buitengerechtelijke incassokosten en stelt dat die kosten krachtens de toepasselijke algemene voorwaarden voor rekening van [gedaagde] komen. De door Rabobank gevorderde vergoeding zal worden toegewezen, nu [gedaagde] de verschuldigdheid daarvan op grond van de tussen hen gesloten overeenkomst niet heeft betwist en geen termen aanwezig zijn om (ambtshalve) tot matiging van de gevorderde vergoeding over te gaan.

4.9.

Het totaal toe te wijzen bedrag bedraagt (€ 100.000,00 + € 312,33 + € 1.815,00 =) € 102.127,33.

4.10.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, waarbij de proceshandelingen die zijn verricht voorafgaand aan de verwijzing naar de handelskamer worden begroot conform het liquidatietarief van de kantonrechter en de proceshandelingen die zijn verricht na de verwijzing worden begroot conform het liquidatietarief van de handelskamer. De kosten aan de zijde van Rabobank worden begroot op:

- dagvaarding € 96,16

- griffierecht € 3.903,00

- salaris advocaat € 2.821,00 (2,0 punten x tarief XI ad € 700,00 per punt + 1,0 punt × tarief V ad € 1.421,00 per punt)

Totaal € 6.820,16

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan Rabobank te betalen een bedrag van € 102.127,33, vermeerderd met een rentepercentage van 2% per jaar over een bedrag van € 100.000,00 met ingang van 17 april 2015 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Rabobank tot op heden begroot op € 6.820,16,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Amperse en in het openbaar uitgesproken op
15 februari 2017.1

1 106/2544