Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:1105

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-02-2017
Datum publicatie
15-02-2017
Zaaknummer
AWB 16/16395
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Asielaanvraag vanwege vrees voor schending 3 EVRM bij terugkeer naar Marokko i.v.m. berichtgeving over eiser als verdachte terrorisme/aanhanger jihadisme. Vrees niet aannemelijk geworden. Uit de door eiser overgelegde stukken en uit het individueel ambtsbericht van Buitenlandse Zaken blijkt niet dat eiser bij terugkeer zal worden vervolgd. Daarnaast heeft verweerder, onder verwijzing naar het individueel ambtsbericht van de AIVD en de strafrechtelijke veroordeling van eiser, deugdelijk gemotiveerd dat eiser een ernstig en actueel gevaar vormt voor de nationale veiligheid en heeft verweerder eiser een inreisverbod van 20 jaar mogen opleggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: AWB 16/16395, V-nummer: [nummer]

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 februari 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

gemachtigde: mr. P.J. Schüller,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.M. van Asperen.

Procesverloop

Bij besluit van 21 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h en j, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daarnaast heeft verweerder in dit besluit een inreisverbod voor de duur van twintig jaar aan eiser opgelegd.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen M. Iqachaura, tolk.

Op 4 oktober 2016 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en het ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) verzocht de onderliggende stukken van het individueel ambtsbericht van 3 december 2015, aangevuld op 12 januari 2016 (hierna: het IAB van BZ), over te leggen. Deze stukken zijn overgelegd met een beroep op artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij beslissing van 7 november 2016 heeft de rechter-commissaris de door BZ gevraagde beperkte kennisneming deels gerechtvaardigd en deels niet gerechtvaardigd geacht. Bij brief van 14 november 2016 heeft BZ aangegeven zich voor een deel te kunnen vinden in deze beslissing en de betreffende passages alsnog openbaar gemaakt. Ten aanzien van een aantal passages waarvan de rechter-commissaris heeft geoordeeld dat beperkte kennisneming niet gerechtvaardigd is, heeft BZ aangegeven zijn standpunt te handhaven. De rechtbank beschouwt deze passages als ingetrokken, heeft daarvan geen kennis genomen en BZ heeft op 24 november 2016 de onderliggende stukken zonder die passages aan de rechtbank toegezonden. Bij faxbericht van 22 november 2016 heeft eiser de rechtbank toestemming verleend deze stukken in te zien en mede op grondslag van die stukken uitspraak te doen.

Op 19 januari 2017 heeft een nadere zitting plaatsgevonden. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen H. Ibnolfaqir, tolk.

Overwegingen

Asielaanvraag

1. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vreest bij terugkeer naar Marokko te zullen worden opgepakt, gemarteld en veroordeeld vanwege het feit dat hij in Nederland is verdacht van terrorisme en vanwege onjuiste berichtgeving over eiser in de Nederlandse en Marokkaanse media. Eiser wordt gezocht door de Marokkaanse veiligheidsdienst omdat hij in verband wordt gebracht met een terreurcel die in april 2015 in Marokko is ontmanteld. Daarnaast is in de media bericht dat eiser de koning van Marokko heeft bedreigd en dat wordt bestraft met de doodstraf, zij het dat die straf in Marokko niet ten uitvoer wordt gelegd. In Marokko is een strafproces niet rechtvaardig en is sprake van martelingen op politiebureaus en in gevangenissen, aldus eiser.

2. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Daartoe heeft verweerder overwogen dat geloofwaardig wordt geacht dat eiser internationaal bekend is als verdachte in een Nederlands terrorismeproces, maar niet geloofwaardig wordt geacht dat eiser hierom bij terugkeer naar Marokko gevangen zal worden genomen en zal worden gemarteld. Ook acht verweerder niet geloofwaardig dat eiser wordt gezocht door de Marokkaanse veiligheidsdienst in verband met de aldaar in april 2015 ontmantelde terroristische cel. Dat over eiser is bericht dat hij de koning van Marokko heeft bedreigd en dat dit met de doodstraf wordt bestraft, acht verweerder evenmin geloofwaardig. Ook acht verweerder eisers vrees voor een oneerlijk strafproces in Marokko niet gegrond. Gelet op de ongeloofwaardig geachte elementen acht verweerder niet aannemelijk dat eiser te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Daarnaast heeft eiser volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade. Daarbij verwijst verweerder naar het IAB van BZ. Verweerder heeft de aanvraag als kennelijk ongegrond afgewezen, omdat volgens verweerder sprake is van de situaties als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h en j, van de Vw 2000. Voor de situatie onder j heeft verweerder verwezen naar het individueel ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) van 14 september 2015 (hierna: het IAB van de AIVD).

3. De rechtbank stelt vast dat verweerder eiser een inreisverbod heeft opgelegd met de rechtsgevolgen bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 9 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:298) volgt dat eiser, zolang voornoemd inreisverbod voortduurt, geen belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen de afwijzing van de door hem gevraagde asielvergunning. Of eiser in aanmerking komt voor de door hem gevraagde verblijfsvergunning, kan evenwel ten volle in het kader van de toetsing van dat inreisverbod aan de orde worden gesteld. De rechtbank zal hetgeen eiser aanvoert tegen de weigering van de door hem gevraagde verblijfsvergunning daarom beoordelen alsof dit deel uitmaakt van zijn gronden gericht tegen het inreisverbod.

4. Eiser voert aan dat verweerder bij het uitbrengen van het voornemen geen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid voor eiser om correcties en aanvullingen op de rapporten van de gehoren in te dienen. Eiser is medegedeeld dat voor 21 september 2015 geen voornemen zou worden uitgebracht en mocht er dus op vertrouwen dat hij tot en met 21 september 2015 nog correcties en aanvullingen kon uitbrengen, aldus eiser.

4.1.

De rechtbank is niet gebleken dat de besluitvormingsprocedure op dit punt onzorgvuldig is geweest. In onderdeel C1/2.10 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is neergelegd dat, in het geval de asielzoeker in vreemdelingenbewaring zit, zoals hier ten tijde van belang het geval was, het verslag van het nader gehoor wordt meegestuurd met het voornemen en dat de termijn voor een zienswijze op het voornemen gelijk is aan die voor een reactie op het verslag van het nader gehoor. Verweerder heeft dus gehandeld conform zijn beleid. Niet is gebleken dat eiser door deze handelwijze in zijn belangen is geschaad. Eiser is in een e-mailbericht van 14 september 2015 aan zijn gemachtigde erop gewezen dat er geen aparte termijn voor een reactie op het nader gehoor wordt gegeven. Vervolgens is een week later het voornemen uitgebracht. Op diezelfde datum heeft eiser correcties en aanvullingen op het nader gehoor aan verweerder gezonden. Niet is gebleken dat verweerder deze correcties en aanvullingen niet bij zijn besluitvorming in het bestreden besluit heeft betrokken.

5. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser geen beroep kan doen op het Vluchtelingenverdrag. Volgens eiser is sprake van refugee sur place en vreest hij terecht voor vervolging door de Marokkaanse autoriteiten, omdat hij door media-aandacht en het strafproces in Nederland bekend staat als aanhanger van de jihad.

5.1.

Uit artikel 1(A), onder 2, van het Vluchtelingenverdrag volgt dat een persoon die gegronde vrees heeft voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, een vluchteling in de zin van dit verdrag is. Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden blijven of de Marokkaanse autoriteiten een vermeende aanhanger van de gewelddadige jihad een politieke of godsdienstige overtuiging toedichten. Als dit het geval is, volgt uit overweging 6.2 tot en met 6.5 van deze uitspraak dat eiser geen gegronde vrees heeft voor vervolging wegens deze toegedichte overtuiging. Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

6. Eiser voert aan dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hij vreest te zullen worden vastgezet en mishandeld, omdat hij vanwege berichtgeving in de media door de Marokkaanse autoriteiten in verband wordt gebracht met een terroristische groepering en terroristische activiteiten. Eiser verwijst daarbij naar diverse stukken. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder het IAB van BZ niet aan zijn besluit ten grondslag mocht leggen, omdat dit niet zorgvuldig tot stand is gekomen en bovendien onduidelijkheden bevat.

6.1.

De rechtbank stelt voorop dat het in beginsel aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM loopt. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn stelling een aantal stukken overgelegd. Daarnaast is verweerder eiser tegemoetgekomen in de bewijslast die op eiser rust door onderzoek te laten verrichten door BZ, wat heeft geresulteerd in een IAB. Hierna zal de rechtbank de stukken van eiser en het IAB van BZ bespreken.

6.2.

Eiser heeft mediaberichten overgelegd over een terreurcel die aanslagen zou hebben willen plegen in Nederland en die in april 2015 is opgerold in Marokko en over een Marokkaanse man, [naam eiser] ( eiser), die in [maand] [jaar] in Nederland is opgepakt op verdenking van terrorisme en door het gerechtshof is veroordeeld. Ook heeft eiser stukken overgelegd over een Marokkaanse Nederlander die in Marokko is verhoord en gemarteld en heeft hij verwezen naar informatie van Amnesty International en Human Rights Watch over martelingen en mishandeling van gedetineerden en oneerlijke procesgang voor terrorismeverdachten in Marokko. Daarnaast heeft eiser een e-mailbericht overgelegd van zijn Marokkaanse advocaat over de negatieve aandacht waarin eiser zal staan bij terugkeer en een kopie van een (deel van een) proces-verbaal van de politie in Marokko in een terrorisme-zaak van [N] waarin de naam van eiser wordt genoemd.

Daarnaast heeft eiser een deel van een arrest van het gerechtshof in Parijs overgelegd betreffende [naam] , die wordt verdacht van terrorismeactiviteiten en stelt eiser dat deze persoon in Marokko voor hetzelfde feitencomplex opnieuw is veroordeeld.

6.2.1.

Voor zover uit de door eiser overgelegde stukken naar voren komt dat hij bekend is als terreurverdachte dan wel is veroordeeld voor feiten die verband houden met terrorisme, overweegt de rechtbank dat dit reeds door verweerder geloofwaardig is bevonden. Dat eiser in Nederland en Marokko vanwege de mediaberichten daarover bekend is, betekent echter nog niet dat hij daarom bij terugkeer naar Marokko een reëel risico op ernstige schade loopt. Eiser vreest vanwege die bekendheid bij terugkeer te zullen worden vastgezet en mishandeld door de Marokkaanse autoriteiten, maar heeft ter onderbouwing van die stelling geen stukken overgelegd die op eiser zien. Eiser heeft gewezen op algemene informatie over de behandeling van gedetineerden in Marokko en over de procesgang van terrorismeverdachten, maar deze informatie is eerst relevant als aannemelijk is dat eiser bij terugkeer gevangen zal worden genomen of zal worden vervolgd voor terrorisme. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser dit niet aannemelijk heeft gemaakt. In het door eiser overgelegde e-mailbericht van de Marokkaanse advocaat van eiser bericht deze advocaat dat eiser bij overplaatsing naar Marokko zal worden berecht, ook al is hij al in Nederland berecht en verwijst de advocaat naar twee beschikkingen waarin eenzelfde persoon in zowel Frankrijk als Marokko voor dezelfde feiten zou zijn veroordeeld. Daarmee bevat het e-mailbericht niet meer dan een mededeling van de advocaat van eiser, zonder een specifiek op eiser betrekking hebbende nadere onderbouwing waaruit volgt dat eiser in Marokko zal worden vervolgd. Er wordt alleen verwezen naar een zaak van een andere veroordeelde in Frankrijk, maar er zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat die persoon in Marokko voor dezelfde feiten is veroordeeld. Evenmin zijn stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat eiser zich in eenzelfde situatie bevindt. Voorts kan ook uit de door eiser overgelegde kopie van (een deel van) een proces-verbaal van de Marokkaanse politie niet worden geconcludeerd dat eiser in Marokko wordt gezocht als terrorismeverdachte. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, bevat het stuk alleen informatie over de activiteiten van verdachte [N] , waaronder het beïnvloeden van eiser, maar blijkt uit het stuk niet dat eiser betrokken is in enig strafproces. Wel heeft verweerder mede naar aanleiding van hetgeen eiser naar voren heeft gebracht over de in april 2015 opgerolde terreurcel, waarvan [N] deel zou uitmaken, BZ om een IAB gevraagd, dat hierna zal worden besproken.

6.3.1.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 29 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2171) is een ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over de situatie in een land een deskundigenadvies aan de staatssecretaris voor de uitoefening van diens bevoegdheden. Indien het op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie verschaft, voor zover verantwoord onder aanduiding van de bronnen waaraan deze informatie is ontleend, mag de staatssecretaris bij de besluitvorming van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan die juistheid. Over individuele ambtsberichten heeft de Afdeling overwogen dat, indien een individueel ambtsbericht het asielrelaas waarop het ziet, op essentiële punten weerspreekt, het aan de desbetreffende vreemdeling is om het ambtsbericht te weerleggen.

6.3.2.

Het betoog van eiser dat verweerder het IAB van BZ niet aan zijn besluit ten grondslag mocht leggen omdat dit niet zorgvuldig tot stand is gekomen, faalt. Op 8 december 2015 heeft verweerder een REK-check verricht, wat inhoudt dat verweerder zich ervan vergewist of het IAB zorgvuldig tot stand is gekomen en inhoudelijk inzichtelijk is. De uitkomst van de REK-check was dat dit niet kon worden geconcludeerd. Vervolgens is BZ om een nadere toelichting gevraagd, waarop BZ bij brief van 12 januari 2016 een aanvulling op het IAB heeft gegeven. Op 14 januari 2016 is opnieuw een REK-check verricht en is geconcludeerd dat het IAB inhoudelijk inzichtelijk is, maar dat niet kan worden geconcludeerd dat het qua procedure zorgvuldig tot stand is gekomen. Het onderzoek in Marokko heeft namelijk plaatsgevonden zonder het gebruik van een vertrouwenspersoon. Hoewel dit in het geval van een asielaanvraag onzorgvuldig is, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank daarin in dit geval geen aanleiding hoeven zien het IAB van BZ niet in de besluitvorming te betrekken, nu verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom eiser door deze onzorgvuldigheid niet in zijn belangen is geschaad. Verweerder heeft aangegeven dat het gebruik van een vertrouwenspersoon ertoe dient dat de autoriteiten van het land van herkomst niet op de hoogte raken van het verblijf van de vreemdeling in Nederland en van zijn asielaanvraag, terwijl in dit geval kan worden aangenomen dat de autoriteiten van Marokko daar vanwege berichtgeving in de media al van op de hoogte zijn. Verweerder heeft daarbij verwezen naar een aantal mediaberichten. Eiser heeft gesteld noch nader onderbouwd dat en waarom die kennis bij de Marokkaanse autoriteiten tot problemen zal leiden. Ook voor het overige heeft eiser niet aangegeven waarom hij door de onzorgvuldigheid bij de totstandkoming van het IAB wel in zijn belangen zou zijn geschaad.

6.3.3.

In het IAB van BZ is onder meer opgenomen dat de leden van de op 13 april 2015 ontmantelde terreurcel, waarover in de door eiser aangehaalde berichtgeving wordt gesproken, allen op die datum zijn aangehouden. Onder die groep bevinden zich niet de door eiser genoemde [namen] , maar deze namen zijn niet noodzakelijkerwijs de namen van de personen. Binnen de groep komen wel een [naam] en een [naam] voor, maar niet met de achternaam [naam] . Daarnaast vermeldt het IAB dat deze personen zich ten tijde van het onderzoek nog in detentie bevonden en dat eiser noch deze personen in persberichten over de ontmantelde terreurcel bij naam worden genoemd. Wel wordt in persberichten gemeld dat een in Nederland verblijvende Marokkaan in samenwerking met de lokale autoriteiten is aangehouden. Ten slotte is in het IAB opgenomen dat eiser ten tijde van het onderzoek in het kader van het strafrechtelijk onderzoek ten aanzien van de ontmantelde terreurcel niet werd gezocht door de Marokkaanse autoriteiten, dat er ten tijde van het onderzoek geen aanklacht was tegen eiser en dat eiser ten tijde van het onderzoek niet gezocht werd door de Marokkaanse autoriteiten in verband met een strafrechtelijk onderzoek naar andere feiten.

6.3.4.

Het betoog van eiser dat verweerder het IAB van BZ niet aan zijn besluit ten grondslag mocht leggen omdat dit onduidelijkheden bevat, faalt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van het IAB naar voren gebracht. Eiser heeft aangevoerd dat onduidelijk is in hoeverre de onderzoeksrechter bevoegd is uitspraken te doen over eiser. Allereerst omvat deze enkele opmerking geen concreet aanknopingspunt als voornoemd. Los daarvan overweegt de rechtbank dat op grond van de onderliggende stukken van het IAB, die de rechtbank heeft ingezien, kan worden aangenomen dat de betreffende onderzoeksrechter bevoegd en in staat is de gegeven informatie te verstrekken. Ook de enkele stelling van eiser dat het bevreemdend is dat de onderzoeksrechter, die kennelijk over alle informatie van terrorismezaken beschikt, niet gevraagd wordt of eiser wordt gezocht, is geen concreet aanknopingspunt als voornoemd. Bovendien volgt uit de vraagstelling onder 5 in de brief van verweerder aan BZ van 15 oktober 2015 dat zowel is gevraagd of eiser wordt gezocht door de Marokkaanse autoriteiten in het kader van het strafrechtelijk onderzoek naar de opgepakte terreurcel als of eiser door de Marokkaanse autoriteiten wordt gezocht in verband met een strafrechtelijk onderzoek voor andere feiten. Ook bieden de door eiser gestelde onduidelijkheden over de in het IAB genoemde namen van opgepakte personen en het begrip ‘ten tijde van het onderzoek’ geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid aan het IAB. Ten tijde van het onderzoek kan niet anders worden gelezen dan dat de vraagstelling door de onderzoeksrechter is beantwoord naar de stand van zaken ten tijde van het onderzoek door deze onderzoeksrechter. Overigens heeft eiser niet aangevoerd dat de stand van zaken op een ander (later) tijdstip anders zou zijn. Over de namen van opgepakte personen vermeldt het IAB zelf al dat de namen ook anders kunnen zijn, dus ook daarin ziet de rechtbank geen reden voor twijfel aan de juistheid ervan. Nu het door eiser overgelegde stuk uit een strafdossier waarin mogelijk naar hem wordt verwezen van veel eerdere datum is dan het IAB van BZ, is niet aannemelijk dat deze verwijzing voor de Marokkaanse autoriteiten aanleiding is geweest voor strafrechtelijk onderzoek naar eiser en is het betreffende stuk geen concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het IAB.

6.4.

Naast het IAB van BZ heeft verweerder ook gewezen op ervaringen die zijn opgedaan met jonge Marokkaanse mannen (waaronder leden van de Hofstadgroep) die onderwerp zijn geweest in een terrorismeproces in Nederland en/of een gevaar voor de Nederlandse nationale veiligheid werden geacht in verband met betrokkenheid bij islamitisch terrorisme en/of jihad en om die reden terugkeerden naar Marokko. Volgens verweerder zijn van hen nooit ernstig te nemen signalen ontvangen dat zij bij terugkeer asielrechtelijk relevante problemen van de zijde van de Marokkaanse autoriteiten hebben ondervonden. De rechtbank stelt vast dat eiser dit niet gemotiveerd heeft weersproken en overweegt dat verweerder dit ervaringsgegeven terecht bij de beoordeling heeft betrokken. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 5 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2692). Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Marokkaanse autoriteiten in zijn geval anders zullen handelen.

6.5.

De rechtbank concludeert dat uit het IAB van BZ volgt dat eiser niet wordt gezocht door de Marokkaanse autoriteiten in verband met het strafrechtelijk onderzoek inzake de ontmantelde terreurcel of andere feiten en dat eiser geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van deze informatie naar voren heeft gebracht. Evenmin kan uit de door eiser overgelegde stukken worden afgeleid dat hij door de Marokkaanse autoriteiten wordt gezocht en/of bij terugkeer zal worden vastgezet en gemarteld. Dit kan ook niet worden afgeleid uit eerdere ervaringen in soortgelijke zaken. Aldus is eisers gestelde vrees bij terugkeer niet aannemelijk geworden. Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM.

7. Uit het voorgaande volgt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen rechtsgrond bestaat voor verlening van de gevraagde asielvergunning. Bovendien heeft verweerder de aanvraag op goede gronden als kennelijk ongegrond afgewezen. De rechtbank overweegt hiertoe dat eiser niet heeft betwist dat de situatie als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000 op hem van toepassing is en dat dit reeds voldoende is om de aanvraag als kennelijk ongegrond af te wijzen.

Inreisverbod

8. Verweerder heeft op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten. Daarnaast heeft verweerder op grond van artikel 66a van de Vw 2000, in samenhang met artikel 6.5a, zesde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) aan eiser een inreisverbod voor de duur van twintig jaar opgelegd. Volgens verweerder vormt eiser door zijn persoonlijk gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Verweerder baseert dit op het IAB van de AIVD van 14 september 2015, waarin eiser een gevaar voor de nationale veiligheid wordt geacht en op de strafrechtelijke veroordeling van eiser door het Gerechtshof Den Haag bij arrest van 20 juni 2016 (ECLI:NL:GHDHA:2016:1733).

9. Het genoemde IAB van de AIVD vermeldt het volgende.

Een [naam] , een Marokkaans staatsburger, verblijvend in Nederland, heeft trouw gezworen aan de kalief van de Islamitische Staat in Irak en al-Sham (ISIS), Abu Bakr al-Baghdadi. Deze [naam] was in oktober 2014 bezig met het verwerven van een pistool waarmee hij aanslagen op Nederlandse politieagenten wilde plegen. Uit eigen onderzoek is gebleken dat deze [naam] identiek is aan [naam eiser] (geboren op [geboortedatum] , in [geboorteplaats] , Marokko). Hij verbleef tot 15 oktober 2014 op het adres [adres] . Hij is niet in het bezit van een geldige verblijfsvergunning.

Door de AIVD is vastgesteld dat [naam eiser] gebruik maakte van twee Facebookprofielen waarvan er een wees op ISIS-sympathieën. Het tweede profiel wees op anti-Amerikaanse sympathieën. Uit politie-informatie blijkt dat [naam eiser] inderdaad schriftelijk de eed aan ISIS leider al-Baghdadi heeft afgelegd en dat hij tevens aangeeft veel van ISIS te houden. Voorts komt hieruit naar voren dat hij plannen zou hebben om de Amerikaanse ambassade in Nederland op te blazen. Gelet op het voorgaande acht de AIVD [naam eiser] een gevaar voor de nationale veiligheid.

10. Eiser voert aan dat de conclusie in het IAB, dat eiser een gevaar is voor de nationale veiligheid, onbegrijpelijk is zonder nadere toelichting en verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 29 oktober 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:12349). Eiser betwist niet zozeer de feitenvaststelling maar wel de subjectieve kwalificatie die de AIVD daaraan verbindt. Er zijn namelijk ook sterke indicaties waaruit blijkt dat geen sprake is van een serieuze gevaarzetting. Eiser wijst daarbij op de vrijspraak van eiser door de rechtbank in de uitspraak van 8 september 2015 (ECLI:NL:RBROT:2015:6396). Verweerder kan niet volstaan met een enkele verwijzing naar het IAB van de AIVD zonder nader onderzoek. Bovendien dient de rechtbank de onderliggende stukken van dit IAB in te zien, aldus eiser.

10.1.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraken ECLI:NL:RVS:2006:AY3839 en ECLI:NL:RVS:2015:1278) is de AIVD op grond van artikel 6, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten 2002 de bevoegde instantie om te onderzoeken of sprake is van een gevaar voor de nationale veiligheid. Indien uit een ambtsbericht van de AIVD op objectieve, onpartijdige en inzichtelijke wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusie vervat in dat ambtsbericht ten grondslag zijn gelegd en deze conclusie niet onbegrijpelijk is zonder nadere toelichting, bestaat voor de staatssecretaris geen aanleiding om de aan dat ambtsbericht ten grondslag liggende stukken in te zien, tenzij de desbetreffende vreemdeling concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van dat ambtsbericht naar voren heeft gebracht. Uit de jurisprudentie volgt voorts dat er in beginsel van mag worden uitgegaan dat door de AIVD verricht onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat vermelding van de aan een ambtsbericht van de AIVD ten grondslag liggende bron, dan wel bronnen, achterwege mag blijven wegens de vertrouwelijkheid ervan. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de hiervoor beschreven procedure de toetsing aan het Europese recht niet kan doostaan. De rechtbank verwijst daartoe naar de uitspraak van de Afdeling van 19 april 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW4915) en de door verweerder in het bestreden besluit op dit punt genoemde uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

10.2.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de onderliggende stukken van het IAB van de AIVD in te zien. Daartoe is van groot belang dat eiser de feiten en omstandigheden die in het IAB worden genoemd niet betwist, zodat deze tussen partijen niet in geschil zijn. Voorts acht de rechtbank de conclusie die aan die feiten en omstandigheden door de AIVD wordt verbonden ook zonder nadere toelichting begrijpelijk en juist. De rechtbank wijst in dit verband in het bijzonder op de door eiser niet betwiste feiten dat hij bezig was met het verwerven van een pistool waarmee hij aanslagen op Nederlandse politieagenten wilde plegen, dat hij schriftelijk een eed aan ISIS leider al-Baghdadi heeft afgelegd en dat hij plannen heeft om de Amerikaanse ambassade in Nederland op te blazen. Nog daargelaten dat de door eiser ingeroepen uitspraak van 29 oktober 2015 van deze rechtbank en zittingsplaats in hoger beroep niet in stand is gebleven, is met het vermelden van deze feiten in het thans voorliggende IAB voldoende toegelicht waarom eiser volgens de AIVD een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Voorts heeft eiser geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van het IAB naar voren gebracht. Eiser wijst op andere indicaties, die ook in zijn strafproces bij de rechtbank naar voren zijn gekomen, en waaruit zou blijken dat geen sprake is van serieuze gevaarzetting. Dit biedt echter nog geen twijfel aan de juistheid van de conclusie die de AIVD trekt uit de in het IAB genoemde feiten en omstandigheden. Bovendien maakt een vrijspraak in een strafproces voor bepaalde strafbare feiten nog niet dat die persoon niet meer als een gevaar voor de nationale veiligheid zou kunnen worden beschouwd. Daar komt bij dat de indicaties waar eiser op doelt in hoger beroep bij het Gerechtshof niet tot (volledige) vrijspraak hebben geleid. In dat kader is door het Gerechtshof onder meer overwogen: “Het verweer dat de inhoud van zijn chatgesprekken niet serieus genomen moet worden en zijn uitlatingen over jihadisme en IS moeten worden geplaatst in de categorie “grapjes maken en dollen” en berustten op fantasie en grootspraak en enkel zijn gedaan om indruk te maken en “als een krachtig en groot man" over te komen om daarmee aandacht van meisjes te trekken, wordt tenslotte door het hof, gelet met name op het stelselmatige radicale karakter van de vele voor het bewijs gebezigde chatgesprekken en de (relatief) lange periode waarin die gesprekken zijn gevoerd, als volstrekt onaannemelijk terzijde geschoven, nog daargelaten dat het één (indruk maken) het ander (deelname aan de gewapende strijd als jihadstrijder) niet uitsluit.”

10.3.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft verweerder evenmin aanleiding hoeven zien om de onderliggende stukken van het IAB van de AIVD in te zien.

11. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser door zijn persoonlijk gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast en verwijst daarbij naar het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 11 juni 2015 inzake Z.Zh en I.O. (C-554/13).

11.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd waarom eiser een actuele en ernstige bedreiging voor de nationale veiligheid vormt. Verweerder heeft in dit kader niet alleen gewezen op de strafrechtelijke veroordeling van eiser vanwege een terroristisch misdrijf, maar ook op het IAB van de AIVD waarin wordt geconcludeerd dat eiser een gevaar is voor de nationale veiligheid. Zoals uit het voorgaande volgt, mag verweerder zijn besluit op de conclusies in dit IAB baseren. Dat geen sprake is van een actuele bedreiging nu de feiten hebben plaatsgevonden in 2014, zoals eiser heeft betoogd, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft sinds oktober 2014 in strafrechtelijk dan wel vreemdelingrechtelijke detentie verbleven. Bovendien is van belang dat (zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 12 september 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BF1415) de dreiging die van betrokkenheid bij terroristische daden uitgaat lang tot zeer lang actueel blijft.

11.2.

Nu verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser een ernstig en actueel gevaar vormt voor de nationale veiligheid, heeft verweerder, gelet op artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 en artikel 6.5a, zesde lid, van het Vb 2000, mogen bepalen dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten en dat aan hem een inreisverbod voor de duur van twintig jaren wordt opgelegd. Eiser heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan verweerder in dit specifieke geval wel tot een vertrektermijn had moeten besluiten dan wel tot een kortere duur van het inreisverbod. Bij dit laatste betrekt de rechtbank dat eiser het overgrote deel van zijn leven in Marokko heeft doorgebracht, dat hij in Nederland nooit in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning en dat de in het IAB van de AIVD vermelde feiten niet wijzen op een positieve verbondenheid met de Nederlandse samenleving.

12. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Nooijen, voorzitter, en mr. W.M.P.M. Weerdesteijn en mr. B. van Velzen, leden, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.