Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:10904

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-11-2017
Datum publicatie
10-07-2018
Zaaknummer
10/162092-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toepassing Jeugdstrafrecht - De verdachte heeft een geladen vuurwapen met munitie voorhanden gehad en is daarmee op 21 augustus 2017 de straat op gegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummer: 10/162092-17

Datum uitspraak: 30 november 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in

PI Krimpen aan den IJssel, Van der Hoopstraat 100, 2921 LD Krimpen aan den IJssel,

raadsvrouw: mr. L.A. Middelkoop, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 30 november 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. R.H.I. van Dongen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde;

  • -

    toepassing van het jeugdstrafrecht ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 20 weken met aftrek
    van voorarrest, waarvan 4 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich op door de reclassering te bepalen tijdstippen zal melden, zal meewerken aan een ambulante behandeling indien de reclassering dat noodzakelijk acht, zal meewerken aan een voorwaarde betreffende het gedrag en zal meewerken aan een locatiegebod met elektronisch toezicht;

  • -

    met opdracht aan de jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het onder 1 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit wordt zonder nadere bespreking bewezen verklaard.

4.2.

Bewijswaardering

4.2.1.

Standpunt verdediging ten aanzien van feiten 2 en 3

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde refereert de raadvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank. De verdachte stelt echter dat hij niet het oogmerk had om de jas/het vest te stelen en zich niet kan herinneren dat hij het kaartje van de jas/het vest heeft gehaald en heeft weggegooid. Het opzet op dit feit ontbreekt dan ook.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde brengt de raadsvrouw naar voren dat de verdachte ontkent. Tegenover de ontkennende verklaring van de verdachte, en die van zijn medeverdachte, zijn door twee verbalisanten bezwarende verklaringen afgelegd. Indien de rechtbank aan alle verklaringen evenveel waarde hecht, zou er sprake zijn van onvoldoende wettig bewijs. De raadsvrouw refereert zich ten aanzien van die waardering aan het oordeel van de rechtbank.

4.2.2.

Beoordeling en conclusie

Ten aanzien van de tenlastegelegde diefstal kunnen de volgende feiten en omstandigheden op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. De verdachte was op 4 juli 2017 met een ander in de Primark te Rotterdam. De verdachte droeg een rode pet. Nadat de verdachte een aantal artikelen bij de kassa had afgerekend, heeft hij nog een blauwe jas of een blauw vest gepakt en is hij daarmee, zonder het artikel ter betaling aan te bieden bij de kassa, de Primark uitgelopen.

De stelling van de verdachte dat hij niet het oogmerk had om de jas/het vest te stelen wordt verworpen. Uit de aangifte volgt dat op camerabeelden te zien is dat de verdachte, die een rode pet droeg, het prijskaartje van een artikel, namelijk een blauwe jas/vest, lostrok en tussen het schap gooide. De jas/het vest lieten de verdachte en de mededader vervolgens achter in een schap op de herenafdeling. Nadat de verdachte de andere artikelen had afgerekend, is hij samen met de medeverdachte langs het schap op de herenafdeling gelopen, heeft hij de jas/het vest gepakt en heeft hij met de jas/het vest in zijn handen de Primark verlaten. In zijn verklaring bij de politie heeft de verdachte erkend dat hij het prijskaartje van het artikel had afgehaald. Onder deze omstandigheden gaat de rechtbank ervanuit dat de verdachte wist, of in ieder geval had moeten weten, dat de jas, of het vest zoals de verdachte ter zitting heeft verklaard, niet was betaald. Zodoende is in ieder geval sprake van voorwaardelijk opzet. De ter zitting afgelegde verklaring van de verdachte acht de rechtbank in het licht van het voorgaande ongeloofwaardig.

Ten aanzien van de tenlastegelegde belediging overweegt de rechtbank dat er twee verbalisanten, namelijk [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] , in een ambtsedig proces-verbaal hebben verklaard dat de verdachte luidkeels en herhaaldelijk tegen hen heeft geroepen “Kankermongolen, lafaard, racisten en lul”. Daartegenover staan de ontkennende verklaringen van de verdachte en de medeverdachte.

De rechtbank hecht meer waarde aan de op ambtseed opgemaakte verklaringen van de verbalisanten en is ervan overtuigd dat de verdachte de voornoemde uitlatingen heeft gedaan. Daarmee acht de rechtbank het onder 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.

hij op 21 augustus 2017 te Rotterdam

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten

een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet in de vorm van een pistool, nl een pistool van het merk FN, model GP-35, kaliber 9mm Parabellum en

munitie in de zin van artikel 1 onder 4°, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 6, bij het vuurwapen behorende, kogelpatronen van het kaliber 9 mm LUGER, voorhanden heeft gehad;

2.

hij op 04 juli 2017 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkel

heeft weggenomen

een jas/vest, toebehorende aan Primark,

3.

hij op 04 juli 2017 te Rotterdam

opzettelijk een ambtenaar, te weten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] (brigadier en hoofdagent van politie Eenheid Rotterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd,

door hem/haar de woorden toe te voegen: "Kankermongolen, lafaard, racisten en lul.";

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie

2 diefstal door twee of meer verenigde personen

3. eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft een geladen vuurwapen met munitie voorhanden gehad en is daarmee op

21 augustus 2017 de straat op gegaan. Die dag wilde de politie de verdachte staande houden, omdat hij aan het bellen was terwijl hij een scooter aan het besturen was. De verdachte is daarop gevlucht en heeft tijdens zijn vlucht het geladen vuurwapen in een voor hem onbekende voortuin gegooid. De verdachte stelt dat hij het vuurwapen en de munitie van een kennis had gekregen om het voor hem te bewaren.

De rechtbank rekent de verdachte dit ernstige feit zeer aan. Het gevaar van het voorhanden hebben van een dergelijk wapen en bijbehorende munitie bestaat eruit dat het wapen gemakkelijk daadwerkelijk kan worden gebruikt, door ermee te dreigen of zelfs te schieten. Dat de verdachte het geladen vuurwapen tijdens zijn vlucht in een voortuin heeft gegooid, waar anderen, zelfs kinderen, het wapen hadden kunnen vinden, maakt het feit bijzonder gevaarzettend. Daarnaast zorgt reeds het enkele bezit van een wapen in de samenleving niet alleen voor gevoelens van angst en onveiligheid, maar wordt dit ook als schokkend ervaren en daardoor ten sterkste afgekeurd.

Op 4 juli 2017 heeft de verdachte een jas of vest gestolen uit de Primark en vervolgens, na zijn aanhouding, een brigadier en hoofdagent van de politie beledigd. Winkeldiefstal is een ergerlijke vorm van criminaliteit die voor winkeliers veel hinder en schade oplevert. Met de belediging heeft de verdachte de verbalisanten in hun goede naam en eer aangetast.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

8 november 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportage

De rechtbank heeft acht geslagen op de rapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 22 november 2017, die over de verdachte is opgesteld. Deze rapportage houdt het volgende in.

De verdachte functioneert niet op een leeftijdsadequaat niveau en heeft gedragsmatige problematiek. Begeleiding en aansturing accepteert hij niet. Er bestaan vermoedens van een negatief sociaal netwerk. De kans op recidive wordt als gemiddeld ingeschat.

Geadviseerd wordt om een voorwaardelijke straf op te leggen onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

  • -

    zich gedurende een door de reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de reclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

  • -

    wordt verplicht om zich te laten onderzoeken/begeleiden/behandelen door een forensische instelling zoals Humanitas Homerun DMH en/of forensische psychiatrische polikliniek De Waag of een soortgelijke instelling;

  • -

    zich inspant om een zinvolle dagbesteding te vinden en te behouden in de vorm van (betaalde) arbeid en/of het volgen van een opleiding;

  • -

    op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het verblijfadres, gecontroleerd met een elektronisch controlemiddel.

Reclassering Nederland adviseert om het volwassenstrafrecht toe te passen, omdat er geen pedagogische mogelijkheden zijn, de verdachte een negatieve invloed heeft op andere jongens in de jeugdinrichting en omdat de verdachte antisociaal gedrag vertoont.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Toepassing van het jeugdstrafrecht

Krachtens artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, kan de rechtbank – ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren doch niet die van 23 jaren heeft bereikt – recht doen overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van dat wetboek, indien de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of in de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

De raadsvrouw van de verdachte, en de officier van justitie, hebben de rechtbank verzocht om toepassing te geven aan het strafrecht voor jeugdigen ingevolge artikel . 77c van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte het onder 1 bewezenverklaarde heeft gepleegd toen hij de leeftijd van 18 jaren had bereikt. Gelet op de inhoud van de genoemde rapportage en de geschetste persoonlijkheid van de verdachte, past de rechtbank ten aanzien van dit bewezenverklaarde feit op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht het jeugdstrafrecht toe. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat de verdachte thuis woont en naar school gaat.

Straf

Gezien de ernst van het eerste feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd en rekening gehouden met het feit dat de verdachte meerderjarig was ten tijde van het eerste, en naar het oordeel van de rechtbank zeer ernstige feit, waar de straf voornamelijk op is gebaseerd.

De rechtbank acht het met de officier van justitie en de raadsvrouw van de verdachte, noodzakelijk dat de verdachte begeleid gaat worden door de jeugdreclassering en dat er bijzondere voorwaarden worden opgelegd. Daarom legt de rechtbank een deel van de voorgenomen jeugddetentie voorwaardelijk op, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Anders dan is geadviseerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om de verdachte te verplichten zich te houden aan een locatiegebod met elektronisch toezicht. Gelet op het feit dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten acht de rechtbank een dergelijke beperking van zijn vrijheid niet passend.

Algemene afsluiting

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 77a, 77c, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77gg, 267 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 55 en 56 van de Wet wapens en munitie.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van vijf maanden,

bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot één maand, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd vast op twee jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de reclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich gedurende een door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna de jeugdreclassering) te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen melden bij de jeugdreclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

  • -

    zijn medewerking zal verlenen aan onderzoek/begeleiding/behandeling door een forensische instelling zoals Humanitas Homerun DMH en/of forensische psychiatrische polikliniek De Waag, of een soortgelijke instelling, indien en zolang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;

  • -

    zich zal inspannen om een zinvolle dagbesteding te vinden en te behouden, indien en zolang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht.

geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.J.M. Marseille, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. C.N. Melkert en S. Woudman-Bijl, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. T. van Loef, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 november 2017.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 21 augustus 2017 te Rotterdam

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten

een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet in de vorm van een pistool, nl een pistool van het merk FN, model GP-35, kaliber 9mm Parabellum en/of

munitie in de zin van artikel 1 onder 4°, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 6, bij het vuurwapen behorende, kogelpatronen van het kaliber 9 mm LUGER, voorhanden heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 04 juli 2017 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkel

heeft weggenomen

een jas/vest, althans een kledingstuk, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan Primark (gevestigd aan het Zuiderterras),

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,

waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats

van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen

jas/vest, althans een kledingstuk, in elk geval enig goed, onder zijn/haar/hun braak en/of verbreking;

3.

hij op of omstreeks 04 juli 2017 te Rotterdam

opzettelijk een ambtenaar, te weten [naam verbalisant 1] en/of [naam verbalisant 2] (brigadier en hoofdagent van politie Eenheid Rotterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd,

door hem/haar de woorden toe te voegen: "Kankermongolen, lafaard, racisten en lul.", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.