Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:10880

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-10-2017
Datum publicatie
15-05-2018
Zaaknummer
C/10/535598/ JE RK 17-3083 C/10/533461/ JE RK 17-2714
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2018:1117, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Gezagsbeëindiging noodzakelijk in het belang van de minderjarige bij elf jaar verblijf in pleeggezin en opgroeiperspectief aldaar. Verblijfmogelijkheid van de moeder in Nederland niet meer afhankelijk van gezag over minderjarige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/535598 / JE RK 17-3083 en C/10/533461 / JE RK 17-2714

datum uitspraak: 27 oktober 2017

beschikking

in de zaak van

de gecertificeerde instelling NIDOS Jeugdbescherming voor vluchtelingen,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Utrecht,

betreffende

[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2006 te [geboorteplaats minderjarige] ,

hierna te noemen [voornaam minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] , hierna te noemen de moeder,

wonende te Dordrecht,

[naam pleegvader] , hierna te noemen de pleegvader,

wonende te Barendrecht,

[naam pleegmoeder] , hierna te noemen de pleegmoeder,

wonende te Barendrecht,

en in de zaak van

Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht, hierna te noemen de Raad,

gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2006 te [geboorteplaats minderjarige] ,

hierna te noemen [voornaam minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

De gecertificeerde instelling Nidos Jeugdbescherming voor vluchtelingen,

hierna te noemen de GI, gevestgd te Utrecht,

[naam moeder] , hierna te noemen de moeder,

wonende te Dordrecht,

[naam pleegvader] , hierna te noemen de pleegvader,

wonende te Barendrecht,

[naam pleegmoeder] , hierna te noemen de pleegmoeder,

wonende te Barendrecht.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 14 augustus 2017, ingekomen bij de griffie op 17 augustus 2017;

- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 8 september 2017, ingekomen bij de griffie op 20 september 2017;

- het advies van de Raad van 11 september 2017, ingekomen bij de griffie op 14 september 2017;

- het verweerschrift met bijlagen van de advocaat van de moeder, mr. E.J. van Pelt, van

4 oktober 2017, ingekomen bij de griffie op 5 oktober 2017

Op 9 oktober 2017 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. Van Pelt voornoemd,

- de pleegouders,

- een vertegenwoordiger van de Raad, de heer [naam vertegenwoordiger] ,

- vertegenwoordigsters van de GI mevrouw [naam vertegenwoordigster 1] en mevrouw [naam vertegenwoordigster 2] .


De feiten

Het ouderlijk gezag over [naam minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder. [naam minderjarige] verblijft in een voorziening voor pleegzorg.

Bij beschikking van de kinderrechter van 23 november 2006 is de ondertoezichtstelling van [naam minderjarige] uitgesproken. Sinds 23 november 2006 is [naam minderjarige] met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst. Sinds 17 januari 2007 verblijft [naam minderjarige] in het huidige, perspectief biedende pleeggezin. Deze maatregelen duren nog steeds voort.

De GI heeft zich bij brief van 23 november 2006 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.

Verzoek tot gezagsbeëindiging

Het verzoek

De Raad heeft verzocht het gezag van de moeder te beëindigen en de GI tot voogd over [naam minderjarige] te benoemen.

De Raad heeft het verzoek ter zitting als volgt toegelicht. [naam minderjarige] is uit huis geplaatst toen zij vier maanden was. Momenteel verblijft [naam minderjarige] al bijna elf jaar in het huidige pleeggezin. In 2008 is geprobeerd het contact tussen [naam minderjarige] en de moeder te intensiveren. Gedurende dit traject vertoonde [naam minderjarige] verontrustend gedrag waarna de situatie is teruggedraaid en is beslist niet meer aan te sturen op een thuisplaatsing. Er zijn verschillende onderzoeken verricht en het is reeds lange tijd duidelijk dat [naam minderjarige] niet meer bij de moeder kan worden teruggeplaatst. Het doel van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing is dan ook al geruime tijd niet meer aan de orde. Wanneer een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing worden uitgesproken, dient immers te worden gewerkt aan doelen die zicht geven op terugplaatsing. In 2011 wilde de GI overgaan tot een verzoek tot gezagsbeëindiging. Het verzoek tot onderzoek aan de Raad is echter ingetrokken, omdat de verblijfsstatus van de moeder was gekoppeld aan die van [naam minderjarige] . Maar de moeder heeft inmiddels ook andere kinderen met de Nederlandse nationaliteit.

Uit de Jeugdwet blijkt dat de huidige maatregelen niet langer dan nodig moeten voortduren. [naam minderjarige] ontwikkelt zich goed bij de pleegouders en is aan hen gehecht. Zij dreigt echter in een loyaliteitsconflict te geraken. Gedurende een lange periode konden de moeder en de pleegouders goed tot afspraken komen en konden de bezoeken met [naam minderjarige] bij elkaar thuis plaatsvinden. De relatie tussen de moeder en de pleegmoeder is echter verstoord geraakt. Dit lijkt het gevolg te zijn geweest van een conflict tussen de moeder en de GI waarbij de pleegouders zijn betrokken. Het heeft ertoe geleid dat er geen contact meer is tussen [naam minderjarige] en de moeder. [naam minderjarige] wil dat de pleegmoeder bij de bezoeken aanwezig is, maar de moeder wil dit niet. [naam minderjarige] heeft thans duidelijkheid nodig en zij moet weten dat ze bij de pleegouders mag opgroeien. Het belang van [naam minderjarige] prevaleert hierbij boven het belang van de moeder. Een gezagsbeëindigende maatregel is daarom noodzakelijk.

Wel zou, zo mogelijk, het contact tussen [naam minderjarige] en de moeder moeten worden hersteld. De Raad verzoekt mede daarom de voogdij bij een neutrale instelling te beleggen.

Het standpunt van de GI

De GI heeft zich aangesloten bij het verzoek van de Raad. Zij hebben daaraan toegevoegd dat er geen doelen meer zijn voor de ondertoezichtstelling. Het toekomstperspectief van [naam minderjarige] moet duidelijk worden omdat ze nu veel last heeft van de onduidelijkheid hieromtrent. Aan [naam minderjarige] wordt verteld dat zij bij de pleegouders mag opgroeien, maar in de periode van de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing is [naam minderjarige] toch zenuwachtig en angstig.

De moeder kan op grond van family life met haar andere kinderen een verzoek doen om op grond daarvan verblijfsrecht te krijgen waardoor haar verblijf niet meer afhankelijk is van dat van [naam minderjarige] .

Als de GI de juridische verantwoordelijkheid krijgt over [naam minderjarige] , zullen zij alle informatie omtrent [naam minderjarige] aan de moeder verstrekken en haar blijven betrekken bij [naam minderjarige] . Ook heeft de GI benadrukt dat zij het belangrijk vindt dat er omgang plaatsvindt tussen de moeder en [naam minderjarige] . Er zijn met [naam minderjarige] al gesprekken gevoerd om tot contactherstel te kunnen komen. Wellicht kan hierbij een neutrale instantie worden ingezet.

Het standpunt van de belanghebbenden

Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzochte. Allereerst is aangegeven dat de verblijfsvergunningen van de moeder en het broertje van [naam minderjarige] nog steeds samenhangen met [naam minderjarige] . Dit maakt dat de situatie ten opzichte van 2011 niet is veranderd. De andere kinderen van de moeder hebben wel de Nederlandse nationaliteit. De verblijfsvergunning kan wellicht worden gekoppeld aan de andere kinderen, maar dat hangt af van de IND.

Voorts is verwezen naar een uitspraak van het Hof Den Haag d.d. 19 juli 2017 (ECLI:NL:GHDHA:2017:2170). Volgens het Hof dient voorzichtig te worden omgegaan met de band die tussen moeder en kind bestaat. Het gezag mag niet worden beëindigd op het moment dat de minderjarige niet wordt beschadigd als de ouders het gezag behouden.

De moeder is bang dat zij door een gezagsbeëindigende maatregel nog verder buiten spel komt te staan. Bovendien zal een gezagsbeëindigende maatregel geen verandering brengen in de huidige situatie. De rechtbank heeft in november 2016 al aangegeven dat contact tussen de moeder en [naam minderjarige] moet worden bewerkstelligd. Vanaf deze periode is er echter niets gebeurd en zijn de bezoeken in februari 2017 zelfs stopgezet. In mei 2017 is mediation opgestart voor het contactherstel, maar deze zag enkel op het contact tussen de moeder en de pleegmoeder. Met de mediation wilde de moeder niet doorgaan, omdat haar een verwijt werd gemaakt door de pleegmoeder. Volgens de moeder zou er tijdens de bezoeken aan [naam minderjarige] een neutraal persoon aanwezig moeten zijn in plaats van de pleegmoeder.

De moeder maakt geen bezwaar tegen verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, omdat zij ziet dat [naam minderjarige] gehecht is in het pleeggezin en zij van mening is dat [naam minderjarige] hier dient op te groeien. De afgelopen jaren hebben ook geen zittingen plaatsgevonden rondom de verlenging van deze maatregelen, omdat de moeder steeds haar akkoord gaf. Enkel in 2016, toen de moeder zich buiten spel gezet voelde door de jeugdbeschermer, heeft de moeder bezwaar gemaakt.

Omdat de moeder het verblijf van [naam minderjarige] bij de pleegouders accepteert, zij op zichzelf in staat zou zijn de zorg over [naam minderjarige] te dragen en zij geen misbruik maakt van haar gezag is er geen grond voor een gezagsbeëindigende maatregel. Een gezagsbeëindigende maatregel is volgens de moeder ook niet in het belang van [naam minderjarige] .

De pleegouders hebben geen verweer gevoerd tegen het verzochte. Door de pleegmoeder is aangegeven dat er al een jaar geen bezoeken plaatsvinden tussen de moeder en [naam minderjarige] .

De moeder had problemen met de jeugdbeschermer. Dit leidde tot vijandigheid van de moeder naar de pleegmoeder. [naam minderjarige] wilde dat de pleegmoeder aanwezig was bij de bezoekmomenten en de moeder wilde dit niet meer. Er ontstond een patstelling.

De pleegmoeder hoopt dat deze situatie verbetert.

Verzoek verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

Het verzoek

De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [naam minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Tevens is verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De GI heeft het verzoek als volgt toegelicht. Vanwege de kwetsbaar verlopen hechtingsontwikkeling van [naam minderjarige] is zij gebaat bij een gezinssituatie waarin ze tot haar volwassenheid kan blijven wonen en waarin haar hechtingsmogelijkheden worden geboden. Hiervan is sprake in het huidige pleeggezin. [naam minderjarige] is gehecht aan de pleegouders en heeft groot vertrouwen in hen. Haar ontwikkeling verloopt in positieve lijn.

Het standpunt van de belanghebbenden

Door en namens de moeder is geen verweer gevoerd tegen het verzochte.

De pleegouders hebben geen verweer gevoerd tegen het verzochte.

De beoordeling

Verzoek tot gezagsbeëindiging

De rechtbank overweegt, dat zij op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) het gezag van een ouder kan beëindigen, indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [naam minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [naam minderjarige] verblijft al bijna elf jaar in het huidige pleeggezin, is hier ingegroeid en ontwikkelt zich hier goed. Het is in haar belang dat zij op blijft groeien bij haar pleegouders. Zij dreigt echter in een loyaliteitsconflict te geraken door de thans verstoorde relatie tussen de moeder en de pleegmoeder. Van belang is dat wordt ingezet op contactherstel tussen [naam minderjarige] en de moeder. Hierbij kan een neutrale instantie worden ingezet.

Het toekomstperspectief van [naam minderjarige] ligt echter in het pleeggezin en daarover moet duidelijkheid bestaan. De momenteel aanwezige onduidelijkheid is een te zware belasting voor [naam minderjarige] . Voor de moeder is het duidelijk dat thuisplaatsing van [naam minderjarige] niet meer aan de orde is. Voor een minderjarige met de leeftijd van [naam minderjarige] is het echter lastig te begrijpen dat zij bij de pleegouders kan opgroeien maar dat hierover toch telkens opnieuw verlengingsbeslissingen moeten worden genomen door de rechter. In de periode van de verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing vertoont [naam minderjarige] dan ook zenuwachtig en angstig gedrag. De situatie verschilt van de casus die speelde bij het Hof Den Haag d.d. 19 juli 2017 (ECLI:NL:GHDHA:2017:2170).

De aanvaardbare termijn om nog langer onduidelijkheid te hebben over haar opgroeiperspectief is voor [naam minderjarige] reeds lang verstreken. Nu het verblijfsrecht van de moeder kan worden gekoppeld aan haar andere kinderen vormt dit geen beletsel meer voor een gezagsbeëindigende maatregel. Daarnaast wordt de GI belast met de plicht om de moeder informatie omtrent [naam minderjarige] te verstrekken waardoor de moeder niet buiten spel zal komen te staan.

Een gezagsbeëindigende maatregel zal de rust creëren waardoor [naam minderjarige] zich beter kan ontwikkelen.

De rechtbank is gelet op al het voorstaande van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, sub a BW is voldaan en zal het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder toewijzen.

Omdat de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe zal leiden, dat een gezagsvoorziening over [naam minderjarige] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid BW een voogd over haar te benoemen. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.

Om te kunnen werken aan contactherstel tussen de moeder en [naam minderjarige] , is de rechtbank met de Raad van oordeel dat de voogdij bij een neutrale instelling, te weten de GI, belegd dient te worden.

De GI heeft zich bereid verklaard de voogdij op zich te nemen.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de gecertificeerde instelling Nidos Jeugdbescherming voor vluchtelingen moet worden belast met de voogdij.

Op grond van het bepaalde in artikel 1:276 lid 1 van het BW worden de ouders van wie het gezag is beëindigd, ervan uitgaande dat zij het bewind voeren over het vermogen van de minderjarige, veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording daarover aan de opvolger in dit bewind.

Verzoek verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

De kinderrechter stelt vast dat, nu de rechtbank van oordeel is dat een gezagsbeëindiging van de moeder noodzakelijk is, verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing niet meer noodzakelijk is. De kinderrechter zal daarom het verzoek van de GI afwijzen.

De beslissing

C/10/533416 / JE RK 17-2714

De rechtbank:

beëindigt het ouderlijk gezag van [naam moeder] , geboren op [geboortedatum moeder] te [geboorteplaats moeder] ( [geboorteland moeder] ) over [naam minderjarige] ;

benoemt tot voogd over genoemde minderjarige de gecertificeerde instelling Nidos Jeugdbescherming voor vluchtelingen;

veroordeelt de moeder aan de voogd rekening en verantwoording van het gevoerde bewind over het vermogen van [naam minderjarige] te doen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

C/10/535598 / JE RK 17-3083

De kinderrechter:

wijst het verzoek van GI af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. de Geus, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. V. de Roo als griffier en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2017.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.