Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:1088

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
10-02-2017
Zaaknummer
C/10/498859 / HA ZA 16-345
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. Internationale bevoegdheid. Artikelen 1, 2, 17, 31, 41 CMR; artikelen 4, 7, 25, 29 lid 1 Brussel Ibis-Vo. Internationale bevoegdheid rechtbank Rotterdam ter discussie ten aanzien van vervoer van luiers van Duitsland naar Griekenland, vervoer van kaas van Tilburg naar Griekenland en vervoer van tape van Griekenland naar Engeland. Ambtshalve toetsen. CMR wel/niet van toepassing? Forumkeuzebeding in algemene voorwaarden. Vraag of sprake is van een “asset that might be detained or frozen” in de zin van beding wanneer vervoerder een vordering heeft op afzender tot betaling van vracht, op welke vordering door afzender tot zekerheid van haar vordering op vervoerder in Nederland (eigen)beslag kan worden gelegd. Vraag bevestigend beantwoord. Beding geldig omdat het voldoende nauwkeurige objectieve elementen bevat om de bevoegdheid te kunnen bepalen (HvJ 9 november 2000; C-387/98 Coreck Maritime/Handelsveem). Dat vermogensbestanddelen van vervoerder in verschillende landen kunnen liggen en daardoor meerdere rechtbanken bevoegd kunnen zijn, maakt element niet subjectief of onnauwkeurig. Rechtbank gaat er op grond van de normale betekenis van de betreffende woorden in het forumkeuzebeding, mede gelet op de juridische context en strekking van dat beding, van uit dat bedoeld is een forum te scheppen daar waar beslaglegging mogelijk is (“might be detained or frozen” vertaald als “kan worden beslagen”) en niet daar waar beslaglegging mocht hebben plaatsgevonden (“might be detained or frozen” vertaald als “mocht zijn beslagen”). Beroep op litispendentie verworpen. Procedure in Griekenland betreft niet hetzelfde onderwerp en berust niet op dezelfde oorzaak. Onrechtmatige daad. Schadebrengende feiten hebben zich in Griekenland voorgedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2017, afl. 2, p. 92
NTHR 2017, afl. 3, p. 155
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/498859 / HA ZA 16-345

Vonnis in incident van 8 februari 2017

in de zaak van

1. de rechtspersoon naar vreemd recht

P&O FERRYMASTERS N.V.,

kantoorhoudende te Brugge, België,

2. de rechtspersoon naar vreemd recht

P&O FERRYMASTERS LIMITED,

kantoorhoudende te Larne, Verenigd Koninkrijk, tevens kantoorhoudende te Europoort-Rotterdam,

eiseressen in de hoofdzaak,

verweersters in het incident,

advocaat mr. T. van der Valk te Rotterdam,

tegen

1. de rechtspersoon naar vreemd recht

ALMATRANS S.A. OF INTERNATIONAL ROAD TRANSPORTS AND LOGISTICS,

kantoorhoudende te Aspropyrgos, Griekenland,

2. de rechtspersoon naar vreemd recht

ALMATRANS INTERNATIONAL S.A. OF FORWARDING - INTERNATIONAL TRANSPORTS, LOGISTICS AND SHIP’S OPERATIONS,

kantoorhoudende te Aspropyrgos, Griekenland,

3. de rechtspersoon naar vreemd recht

INTERNATIONAL LOGISTIX GMBH, voorheen handelend onder de naam Almatrans GmbH,

kantoorhoudende te Lenningen, Duitsland,

gedaagden in de hoofdzaak,

eiseressen in het incident,

advocaat mr. H.T. Kernkamp te Rotterdam.

Eiseressen zullen hierna gezamenlijk POFM en afzonderlijk POFM N.V. en POFM Ltd. worden genoemd. Gedaagden zullen gezamenlijk Almatrans en afzonderlijk Almatrans S.A., Almatrans International S.A. respectievelijk International Logistix worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaardingen van 10 februari 2016

  • -

    de akte overlegging producties (P1 tot en met P21) zijdens POFM

  • -

    de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid zijdens Almatrans

  • -

    de antwoordconclusie (in het incident) met producties (P22 tot en met P24) zijdens POFM

  • -

    de producties 5 tot en met 9 van Almatrans (zij had in haar inventaris van het procesdossier de bovengenoemde processtukken genummerd als 1 tot en met 4)

  • -

    het proces-verbaal van het pleidooi, gehouden op 21 november 2016

  • -

    de pleitnota van Almatrans

  • -

    de pleitaantekeningen van POFM.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De vaststaande feiten in het incident

2.1.

POFM Ltd. heeft transportopdrachten verstrekt ter zake van het vervoer van luiers van Duitsland naar Griekenland (transport 1), het vervoer van kaas van Tilburg naar Griekenland (transport 2) en het vervoer van tape van Griekenland naar Engeland (transport 3). Voor deze transporten zijn CMR-vrachtbrieven afgegeven.

2.2.

In de “Subcontracting Conditions” die op deze transportopdrachten van toepassing zijn is in artikel 12.1 een forumkeuzebeding (hierna: het forumkeuzebeding) opgenomen dat luidt:

“All claims or disputes shall be submitted to the jurisdiction of the English Courts, or at the Company’s sole option, either (a) to the jurisdiction of the Courts of the country of the principal domicile of the Sub-Contractor or (b) to the jurisdiction of the Courts of the country in which any asset (including any Transport Unit or bank account) of the Sub-Contractor is or might at the instigation of the Company be detained or frozen.”

2.3.

In de hoofdzaak vordert POFM van Almatrans - kort gezegd - vergoeding van schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van gebeurtenissen bij voornoemde drie transporten.

2.4.

In Griekenland is een procedure aanhangig waarin Almatrans van POFM betaling van vracht vordert in het kader van andere (dan voornoemde drie) transporten.

3 Het geschil in het incident

3.1.

Almatrans vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van de vordering van POFM kennis te nemen, met veroordeling van POFM bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van het geding, met bepaling dat de wettelijke rente over de proceskosten is verschuldigd vanaf de vijftiende dag na de datum van het vonnis.

3.2.

POFM voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in het incident

4.1.

Er is sprake van een internationale zaak, nu alle partijen buiten Nederland zijn gevestigd en het grensoverschrijdend goederenvervoer betreft.

De rechtbank is ambtshalve gehouden om te onderzoeken of zij internationaal bevoegd is ten aanzien van de verschillende vorderingen van iedere eiseres tegen iedere gedaagde.

4.2.

Ter gelegenheid van de pleidooien heeft POFM haar vordering jegens International Logistix ingetrokken en haar stelling verlaten dat POFM N.V. contractspartij is bij de hier relevante vervoerovereenkomsten.

Partijen hebben ter zitting eenstemmig verklaard dat (alleen) in het kader van dit bevoegdheidsincident, inclusief het beroep van Almatrans op litispendentie, het onderscheid tussen Almatrans S.A. en Almatrans International S.A. buiten beschouwing kan blijven.

4.3.

Aldus blijft ter beoordeling over of deze rechtbank internationaal bevoegd is om kennis te nemen enerzijds van de vorderingen van POFM Ltd. tegen Almatrans S.A. en Almatrans International S.A. (hierna gezamenlijk Almatrans) uit hoofde van de vervoerovereenkomsten en uit hoofde van onrechtmatige daad en anderzijds van de vorderingen van POFM N.V. tegen Almatrans uit hoofde van onrechtmatige daad.

de vorderingen van POFM Ltd.

4.4.

POFM Ltd. grondt haar vorderingen onder de vervoerovereenkomsten op artikel 17 CMR en betoogt dat aan deze rechtbank bevoegdheid toekomt, omdat zij in het beding, aangehaald onder 2.2., als bevoegd gerecht is aangewezen als bedoeld in artikel 31 CMR.

4.5.

Almatrans betwist niet dat de CMR van toepassing is op de relevante transporten, maar betwist dat de CMR en de daarin neergelegde bevoegdheidsregeling dwingendrechtelijk van toepassing zijn. Zij heeft daartoe - voor het eerst bij pleidooi - aangevoerd dat uit de vrachtbrieven valt af te leiden dat de vervoerovereenkomsten niet strekten tot het vervoer over de weg als bedoeld in artikel 1 CMR dan wel stapelvervoer als bestreken door artikel 2 CMR, maar ook strekten tot spoorvervoer, terwijl Almatrans bovendien stelt - samengevat - slechts bij het wegvervoer binnen Griekenland betrokken te zijn geweest.

4.6.

Aan het bezwaar van POFM Ltd. dat dit gewijzigde standpunt bij pleidooi strijd oplevert met de goede procesorde gaat de rechtbank voorbij, omdat de rechtbank de vraag naar haar internationale bevoegdheid ambtshalve moet beantwoorden en daartoe in dit geval in beginsel ook de toepasselijkheid van de bevoegdheidsregeling in de CMR moet toetsen.

4.7.

Op grond van de vrachtbrieven en expertiserapporten is inderdaad onzeker of sprake is van vervoer waarop de CMR dwingendrechtelijk van toepassing is dan wel van grensoverschrijdend multimodaal vervoer - over weg, zee en spoorstaven - en in hoeverre Almatrans zich heeft verbonden tot meer dan alleen (binnenlands) wegvervoer in Griekenland.

Binnen dit bevoegdheidsincident behoeft een en ander echter niet nader te worden onderzocht. Zowel ingeval de bevoegdheidsregeling van de CMR (dwingendrechtelijk) toepasselijk is als ingeval deze niet toepasselijk is, moet de rechtbank beoordelen of zij als gekozen gerecht bevoegdheid kan ontlenen aan het forumkeuzebeding. Andere bevoegdheidsgronden zijn immers gesteld noch gebleken.

Het antwoord op de vraag of - bij dwingende toepasselijkheid van de CMR - deze rechtbank als ‘bij beding tussen partijen aangewezen gerecht’ geldt in de zin van artikel 31 CMR, moet naar dezelfde maatstaven worden beoordeeld als de vraag of - zonder dwingende toepasselijkheid van de CMR - deze rechtbank een ‘door partijen aangewezen bevoegd gerecht’ is in de zin van artikel 25 Brussel Ibis-Vo (Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken).

4.8.

Deze rechtbank kan aan het forumkeuzebeding slechts bevoegdheid ontlenen in het daarin bedoelde geval (b), dat zij geldt als (een van) “the Courts of the country in which any asset (…) of the Sub-Contractor is or might at the instigation of the Company be detained or frozen”.

Dat zich één van de gevallen bestreken door de aanhef van de bepaling of onder (a) voordoet is gesteld noch gebleken.

4.9.

POFM Ltd. heeft ter zitting haar stelling verlaten dat het door haar op een bankrekening van POFM Ltd. gesepareerde bedrag - bestemd om aan Almatrans nog verschuldigde vracht te betalen - als vermogensbestanddeel/‘asset’ van Almatrans in deze zin van het forumkeuzebeding moet worden beschouwd.

4.10.

Volgens POFM Ltd. is sprake van een “asset that might be detained or frozen” in de zin van het beding, nu Almatrans een vordering heeft op POFM Ltd. tot betaling van vracht, op welke vordering door POFM Ltd. tot zekerheid van haar vordering op Almatrans in Nederland (eigen)beslag kan worden gelegd.

4.11.

In dit incident is voldoende aannemelijk geworden dat het centrum van de bedrijfs- en bestuursactiviteiten en het hoofdbestuur van POFM Ltd. zich in Rozenburg (gemeente Rotterdam) bevinden, en dat Almatrans haar facturen ook steeds aan POFM Ltd. in Rozenburg richtte. Niet in geschil is dat POFM Ltd. een aantal facturen van Almatrans (nog) niet heeft betaald.

Onder deze omstandigheden kan POFM Ltd. inderdaad, zoals zij stelt, (eigen)beslag leggen op de vordering die Almatrans op POFM Ltd. heeft. Daarmee is aan de eisen voor bevoegdheid van deze rechtbank naar de letter van het forumkeuzebeding voldaan.

4.12.

Almatrans bestrijdt echter de geldigheid van het beding. Het primaire standpunt van Almatrans komt erop neer dat het beding niet voldoende nauwkeurige objectieve elementen bevat om de bevoegdheid te kunnen bepalen, zoals vereist door het Hof van Justitie van de Europese Unie in het arrest van 9 november 2000 (C-387/98 Coreck Maritime/ Handelsveem):

“Voor de geldigheid van een dergelijk beding is strikt genomen niet vereist dat de forumkeuze zodanig is geformuleerd dat louter op grond van de bewoordingen ervan reeds kan worden bepaald welk gerecht bevoegd is. Voldoende is dat de forumkeuze de objectieve elementen bevat op grond waarvan partijen overeenstemming hebben bereikt over de keuze van het gerecht. Die elementen, die voldoende nauwkeurig moeten zijn om de aangezochte rechter in staat te stellen om te bepalen of hij bevoegd is, kunnen eventueel worden geconcretiseerd door de omstandigheden van het geval.”

4.13.

Dit verweer wordt verworpen. De bewoordingen van het beding maken duidelijk dat (alternatieve) bevoegdheid toekomt aan de gerechten van het land waarin zich vermogensbestanddelen bevinden van Almatrans waarop door POFM Ltd. beslag is of kan worden gelegd. In verbinding met de omstandigheden genoemd in r.o. 4.11 leidt dit in dit geval tot bevoegdheid van de rechtbank Rotterdam. De rechtbank heeft aldus voldoende nauwkeurige objectieve elementen om te kunnen bepalen of zij bevoegd is. Dat vermogensbestanddelen van Almatrans in verschillende landen kunnen liggen en daardoor meerdere rechtbanken bevoegd kunnen zijn, maakt dit element niet subjectief of onnauwkeurig.

De rechtbank ziet onvoldoende gelijkenis met de door Almatrans aangehaalde uitspraak van deze rechtbank van 5 oktober 2000 (ECLI:NL:RBROT:2000:AK4360) om tot een ander oordeel te komen.

4.14.

Ook verworpen wordt het subsidiaire verweer dat het in strijd is met artikel 31 CMR dat POFM Ltd. volgens het forumkeuzebeding vorderingen naar keuze aan diverse gerechten kan voorleggen, zodat het beding ingevolge artikel 41 CMR nietig is.

Zou de CMR al dwingendrechtelijk van toepassing zijn, dan nog is de omstandigheid dat meerdere gerechten bevoegd kunnen zijn niet in strijd met artikel 31 CMR, tenzij door het beding als bevoegd gerecht het gerecht van een land wordt aangewezen dat geen partij is bij dit verdrag. Dat is hier echter niet aan de orde.

4.15.

Het meer subsidiaire standpunt dat geen sprake is van vermogensbestanddelen van de opdrachtnemer, zoals een vervoermiddel of een bankrekening, waarop beslag is gelegd of kan worden gelegd, als in het forumkeuzebeding bedoeld, strandt op grond van hetgeen in r.o. 4.11 is vastgesteld.

Ter zitting heeft Almatrans nog aangevoerd, in afwijking van haar stelling in 2.10 van haar incidentele conclusie, dat uit de woorden “might be detained or frozen” volgt dat er daadwerkelijk sprake moet zijn van een gelegd beslag.

De rechtbank volgt Almatrans hierin niet. Zij gaat er op grond van de normale betekenis van de betreffende woorden in het forumkeuzebeding, mede gelet op de juridische context en strekking van dat beding, van uit dat bedoeld is een forum te scheppen daar waar beslaglegging mogelijk is (“might be detained or frozen” vertaald als “kan worden beslagen”) en niet daar waar beslaglegging mocht hebben plaatsgevonden (“might be detained or frozen” vertaald als “mocht zijn beslagen”).

4.16.

De betreffende vorderingen van Almatrans zijn niet door verrekening teniet gegaan, zoals Almatrans nog heeft aangevoerd. POFM Ltd. beroept zich in de onderhavige procedure niet op verrekening en in de Griekse procedure - waarover nog onduidelijkheid bestaat - heeft POFM Ltd. nog geen verweer gevoerd.

4.17.

De conclusie van het voorgaande is dat de rechtbank zich bevoegd acht om van de vorderingen van POFM Ltd. tegen Almatrans uit hoofde van de vervoerovereenkomsten kennis te nemen.

Gelet op de formulering van het beding vallen onder de reikwijdte daarvan ook vorderingen uit hoofde van onrechtmatige daad, zodat de rechtbank ook te dien aanzien bevoegd is.

het beroep op litispendentie

4.18.

Voor het geval de rechtbank bevoegdheid zou aannemen, heeft Almatrans een beroep gedaan op litispendentie als bedoeld in artikel 29 lid 1 Brussel Ibis-Vo en artikel 31 lid 2 CMR.

4.19.

Van litispendentie in bedoelde zin is geen sprake. Ter zitting is tussen partijen vast komen te staan dat de procedure die in Griekenland wordt gevoerd, niet hetzelfde onderwerp betreft en niet berust op dezelfde oorzaak. De onderhavige procedure strekt tot vergoeding van tijdens de transporten 1, 2 en 3 ontstane schade (zie onder 2.1 en 2.3) en de vordering van Almatrans bij de Griekse rechter betreft betaling van vracht voor andere transporten. POFM heeft in die procedure nog geen conclusie van antwoord genomen.

De rechtbank ziet, anders dan Almatrans kennelijk voorstaat, geen aanleiding om bij de beoordeling van het beroep op litispendentie vooruit te lopen op de mogelijkheid dat POFM in de Griekse procedure een beroep zal doen op verrekening met de in de onderhavige procedure voorliggende vorderingen.

4.20.

Het beroep op litispendentie wordt verworpen.

de vorderingen van POFM N.V.

4.21.

Nu ter zitting het standpunt is verlaten dat POFM N.V. de overeenkomsten met Almatrans heeft gesloten, resteren wat POFM N.V. betreft vorderingen tegen Almatrans uit hoofde van onrechtmatige daad.

4.22.

De tussen POFM Ltd. en Almatrans gedane forumkeuze werkt in beginsel alleen tussen de partijen door wie het forumkeuzebeding tot stand is gebracht. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die aanleiding geven om in dit geval van deze regel af te wijken. Deze rechtbank kan aan het forumkeuzebeding dus geen bevoegdheid ontlenen om van de vorderingen van POFM N.V. kennis te nemen.

4.23.

Bij gebreke van een forumkeuze heeft deze rechtbank geen bevoegdheid om kennis te nemen van de onderhavige vorderingen. In het bijzonder kan zij deze niet ontlenen aan artikel 4 Brussel Ibis-Vo, nu Almatrans geen woonplaats heeft in Nederland, of aan artikel 7 aanhef en onder (2) Brussel Ibis-Vo, nu partijen het erover eens zijn dat de schadebrengende feiten als bedoeld in die bepaling zich in Griekenland hebben voorgedaan.

4.24.

De conclusie is dat deze rechtbank zich onbevoegd zal verklaren om van de vorderingen van POFM N.V. kennis te nemen.

proceskosten

4.25.

Almatrans zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident aan de zijde van POFM Ltd. worden veroordeeld. Deze worden begroot op € 904,00 (2 punten à € 452,00).

4.26.

Nu het debat zich hoofdzakelijk op de contractuele vorderingen van POFM Ltd. tegen Almatrans heeft geconcentreerd, ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om tot een aparte proceskostenveroordeling ten gunste of nadele van de overige procespartijen te komen.

5 De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak tussen POFM Ltd. en POFM N.V. tegen International Logistix GmbH

5.1.

verstaat dat de vorderingen zijn ingetrokken,

in het incident tussen POFM N.V. en Almatrans S.A. en Almatrans International S.A.

5.2.

verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen,

in het incident tussen POFM Ltd. en Almatrans S.A. en Almatrans International S.A.

5.3.

wijst het gevorderde af,

5.4.

veroordeelt Almatrans S.A. en Almatrans International S.A. in de kosten van het incident, aan de zijde van POFM tot op heden begroot op € 904,00,

5.5.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak tussen POFM Ltd. en Almatrans S.A. en Almatrans International S.A.

5.6.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 8 maart 2017 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Santema, mr. C. Sikkel en mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2017.

615/32/1573/1885