Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:10870

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-08-2017
Datum publicatie
01-05-2018
Zaaknummer
10/661049-17 en 22/001351-14 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Twee keer poging tot zware mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummers: 10/661049-17 + 22/001351-14 (TUL)

Uitspraakdatum: 31 augustus 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel,
raadsman, mr. F.L. van der Eerden, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 17 augustus 2017.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding.

De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de primair onder 1 en 2 ten laste gelegde pogingen tot zware mishandeling. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte hiervoor zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, met een proeftijd van twee jaren, met daaraan gekoppeld de door Reclassering Nederland geadviseerde bijzondere voorwaarden.

4 Waardering van het bewijs

Bewezenverklaring

De rechtbank acht, op grond van de wettige bewijsmiddelen die in bijlage II zijn opgenomen en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 13 februari 2017 te Barendrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [naam slachtoffer 1]

- meermalen tegen/op zijn benen heeft geschopt/getrapt en

- meermalen in het gezicht en tegen het lichaam heeft gestompt en

- ( onder andere toen voornoemde [naam slachtoffer 1] op de grond lag) meermalen tegen zijn

hoofd en het lichaam heeft getrapt en/of geschopt

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

hij op 13 februari 2017 te Barendrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [naam slachtoffer 2]

- meermalen tegen het lichaam heeft geschopt en/of getrapt en

- vervolgens, toen voornoemde [naam slachtoffer 2] op de grond lag meermalen tegen zijn hoofd heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid van de feiten

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren op:

1 (primair)

Poging tot zware mishandeling;

2 (primair)

Poging tot zware mishandeling.

Beroep op noodweer

Standpunt van de verdediging

Verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de door hem gepleegde geweldshandelingen het onmiddellijk gevolg waren van de omstandigheid dat zijn vriendin door één van de aangevers was geslagen en dat zij hier enig fysiek letsel aan had overgehouden.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen beroep op noodweer toekomt omdat ten tijde van de ten laste gelegde feiten geen sprake was van een noodweersituatie.

Oordeel van de rechtbank

Voor zover verdachte met zijn opmerkingen ter terechtzitting heeft bedoeld te hebben gehandeld uit verdediging van zijn vriendin, kan hij hierin niet worden gevolgd.

In deze concrete zaak kan het beroep op noodweer in beginsel slechts dan slagen indien het door de verdachte gehanteerde geweld geboden was ter verdediging tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding jegens zijn vriendin.

Vast staat dat tussen de aangevers en de vriendin van verdachte voorafgaand aan de bewezen verklaarde feiten een incident heeft plaatsgevonden, waaraan de vriendin van verdachte enig fysiek letsel heeft overgehouden. Vast staat ook dat verdachte zich, nadat zijn vriendin hem telefonisch had ingelicht omtrent dit incident, direct heeft begeven naar de plaats van het incident en de confrontatie heeft opgezocht met de aangevers, die zich inmiddels hadden verplaatst, en dat de verdachte daaropvolgend geweldshandelingen heeft gepleegd jegens beide aangevers.

Hieruit volgt dat toen de verdachte de confrontatie opzocht met de beide aangevers, zij geen dreiging meer vormden voor zijn vriendin. Het “gevaar” was inmiddels geweken. Er was aldus geen sprake van een noodweersituatie. Dat maakt dat het gewelddadig optreden van de verdachte jegens hen op geen enkele wijze te rechtvaardigen was. Het beroep op noodweer wordt verworpen.

Ook overigens zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering straf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee pogingen tot zware mishandeling. Hij heeft fors geweld toegepast tegen twee mannen die kort daarvoor een aanvaring met zijn vriendin hadden gehad. De verdachte is verhaal gaan halen bij de mannen en zij hebben vervolgens vele schoppen tegen hun lichaam en vuistslagen in het gezicht en tegen hun hoofd gekregen. Een van de mannen is daarnaast meermalen met brute kracht tegen het hoofd geschopt, zelfs toen hij al op de grond lag. Er mag van geluk worden gesproken dat de uiteindelijke fysieke gevolgen voor beide mannen niet veel ernstiger zijn geweest. Uit de toelichting van de slachtoffers op hun vordering tot schadevergoeding komt naar voren dat het incident een grote impact op hen heeft gehad. Niet alleen hebben zij fysiek letsel opgelopen, maar ook ervaren zij nog steeds gevoelens van onbehagen, onrust en depressie. Verdachte heeft bij zijn verhoor bij de politie noch ter terechtzitting blijk heeft gegeven het laakbare van zijn handelen in te zien en heeft telkens de oorzaak van het geweld buiten zichzelf gelegd. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk. Daarnaast versterken dergelijke geweldsfeiten, gepleegd op de openbare weg, gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 25 juli 2017, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder voor geweldsmisdrijven is veroordeeld. Deze veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden te recidiveren. De rechtbank weegt deze omstandigheid ernstig ten nadele van verdachte mee bij de straftoemeting.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het over verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies gedateerd 21 februari 2017 van [naam] , reclasseringswerker bij Reclassering Nederland, waarin wordt geadviseerd een deels voorwaardelijke straf op te leggen, waarbij diverse bijzondere voorwaarden geïndiceerd zijn, waaronder een meldplicht, een behandelverplichting en een contactverbod met de slachtoffers.

Gelet op de ernst van de feiten en het gegeven dat de verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsmisdrijven, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van langere duur dan door de officier van justitie gevorderd passend en geboden is. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan nieuwe strafbare feiten. Daarnaast acht de rechtbank met het oog op het terugdringen van het recidiverisico verplichte begeleiding door de reclassering noodzakelijk. Een dergelijke verplichting zal als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden, evenals de verplichting om mee te werken aan een agressieregulatie behandeling. Tot slot acht de rechtbank een contactverbod met aangevers [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] noodzakelijk. Deze verboden zullen eveneens als bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijk op te leggen straf worden verbonden. Gelet op het gepleegde geweld en de omstandigheid dat de verdachte eerder, gelijk hierboven vermeld, is veroordeeld terzake geweldsmisdrijven dient naar het oordeel van de rechtbank er ernstig rekening mee te worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Derhalve zal het voormelde toezicht dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

8 Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

8.1.

[naam benadeelde 1]

De benadeelde partij [naam benadeelde 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.890,55 ingediend wegens materiële (€ 890,55) en immateriële (€ 1.000,00) schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gevorderde materiële schade bestaat uit reiskosten (€ 45,00), eigen risico zorgverzekering (€ 344,92), tandartskosten (€ 400,73) en beschadigde kleding
(€ 99,90).

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde ‘tandartskosten’ afgewezen dient te worden nu de gestelde materiële schade niet rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit.

Met betrekking tot de post ‘beschadigde kleding’ heeft de raadsman toewijzing van ten hoogste € 50,00 bepleit. Tot slot heeft de raadsman matiging van de post immateriële schade verzocht.

De rechtbank is van oordeel dat de bedragen die in de toelichting op de vordering onder de posten ‘tandartskosten’ en ‘beschadigde kleding’ zijn opgevoerd, gelet op het onder 1 bewezen verklaarde handelen van verdachte, aannemelijk zijn en als rechtstreekse materiële schade kunnen worden aangemerkt. De rechtbank zal deze onderdelen van de vordering, nu deze genoegzaam is onderbouwd, ondanks de betwisting door de verdediging, toewijzen.

De onder de posten ‘reiskosten’ en ‘eigen risico zorgverzekering’ opgevoerde kosten, waartegen geen verweer is gevoerd, acht de rechtbank eveneens als rechtstreeks uit het bewezen verklaarde feit voortvloeiende schade toewijsbaar.

Wat betreft de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank het volgende. Niet in geschil is dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit immateriële schade heeft geleden. Dit is door de benadeelde partij uitvoerig toegelicht in de schriftelijke toelichting op de vordering. Daaruit blijkt dat de psychische gevolgen voor de benadeelde enorm zijn. Gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting komt de rechtbank vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,00 billijk voor. De rechtbank zal dit bedrag dan ook toewijzen.

Verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 1] aldus een schadevergoeding betalen van (in totaal) € 1.890,55, vermeerderd met de wettelijke rente. Nu de vordering van
zal worden toegewezen, zal de verdachte tevens worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.2.

[naam benadeelde 2]

De benadeelde partij [naam benadeelde 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van

€ 2.771,00 ingediend wegens materiële (€ 1.771,00) en immateriële (€ 1.000,00) schade die hij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gevorderde materiële schade bestaat uit eigen risico zorgverzekering (€ 385,00) en revalidatie- /ziekenhuisdaggeldvergoeding (1.386,00).

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in zijn vordering uit hoofde van ‘revalidatie-/ziekenhuisdaggeldvergoeding’ nu de benadeelde partij reeds eerder opgenomen is geweest in Delta Psychiatrisch Centrum en het causale verband tussen het bewezen verklaarde feit en zijn opname van 28 maart 2017 niet kan worden aangetoond. Tot slot heeft de raadsman matiging van de post immateriële schade verzocht.

De rechtbank is van oordeel dat het bedrag dat in de toelichting op de vordering onder de post ‘revalidatie-/ziekenhuisdaggeldvergoeding’ is opgevoerd, gelet op de onder 2 bewezen verklaarde handelen van verdachte, als rechtstreekse materiële schade kan worden aangemerkt nu uit de bijgesloten medische verklaring blijkt dat het psychisch lijden en de daaruit voortvloeiende opname van de benadeelde partij hun directe oorzaak vinden in het handelen van verdachte. De rechtbank zal derhalve dit onderdeel van de vordering, nu deze genoegzaam is onderbouwd, ondanks de betwisting door de verdediging, toewijzen.

De onder de post ‘eigen risico zorgverzekering’ opgevoerde kosten, waartegen geen verweer is gevoerd, acht de rechtbank eveneens als rechtstreeks uit het bewezen verklaarde feit voortvloeiende schade toewijsbaar.

Wat betreft de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank het volgende. Niet in geschil is dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit immateriële schade heeft geleden. Dit is door de benadeelde partij uitvoerig toegelicht in de schriftelijke toelichting op de vordering. Daaruit blijkt dat de psychische gevolgen voor de benadeelde enorm zijn. Gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting komt de rechtbank vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,00 billijk voor. De rechtbank zal dit bedrag dan ook toewijzen.

Verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 2] aldus een schadevergoeding betalen van € 2.771,00, vermeerderd met de wettelijke rente. Nu de vordering van [naam benadeelde 2] zal worden toegewezen, zal de verdachte tevens worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.3.

Schadevergoedingsmaatregel

Tevens wordt ten aanzien van beide benadeelde partijen oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Vordering tenuitvoerlegging

Bij arrest van 9 juni 2015 in de zaak met parketnummer 22/001351-14 heeft het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan een gedeelte groot 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 24 juni 2015. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

9.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging zal afwijzen.

9.2.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De hierboven onder 4. bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van genoemd arrest en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft verdachte de aan het arrest verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd. In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Er worden evenwel termen aanwezig geacht die last niet te geven nu de proeftijd van genoemd arrest inmiddels is verstreken en het daaraan verbonden toezicht voorspoedig is verlopen. De rechtbank zal mitsdien de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 302 van het Wetboek van Strafrecht zijn van toepassing.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat verdachte de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4. weergegeven;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde de hiervoor onder 5. vermelde strafbare feiten oplevert;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden;

met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaar bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

stelt als algemene voorwaarden dat veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

- zich houdt aan de aanwijzingen die Reclassering Nederland hem geeft en zich daar gedurende de proeftijd te blijven melden, zolang en zo frequent als de reclassering dit nodig acht;

- zijn medewerking verleent aan een individuele behandeling gericht op zijn

agressieproblematiek. Veroordeelde dient zich te houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van de behandeling door of namens Reclassering Nederland zullen worden gegeven;

- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen of zoeken met
[naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] ;

beveelt dat voormelde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn;

geeft aan Reclassering Nederland opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [naam benadeelde 1] geleden schade tot een bedrag van € 1.890,55, bestaande uit materiële en immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 februari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [naam benadeelde 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

veroordeelt verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam benadeelde 1] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [naam slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.890,55, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 februari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 28 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [naam benadeelde 2] geleden schade tot een bedrag van € 2.771,00 bestaande uit materiële en immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 februari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [naam benadeelde 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam benadeelde 2] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [naam benadeelde 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.771,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 februari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 37 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij arrest van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage in de zaak met parketnummer 22/001351-14 aan veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. van der Groen, voorzitter,

mrs. F.W. van Lottum en L. Amperse, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. E.L. Vedder en D.A.S. Ince, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 augustus 2017.

De griffier, mr. Ince, is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 13 februari 2017 te Barendrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [naam slachtoffer 1]

- meermalen tegen/op zijn benen heeft geschopt/getrapt en/of

- meermalen tegen/op/in het gezicht, althans het hoofd, en/of het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of

- ( onder andere toen voornoemde [naam slachtoffer 1] op de grond lag) meermalen tegen zijn

hoofd en/of het lichaam heeft getrapt en/of geschopt terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 13 februari 2017 te Barendrecht [naam slachtoffer 1] heeft mishandeld door hem

- meermalen tegen/op zijn benen te schoppen en/of te trappen en/of

- meermalen tegen/op/in het gezicht, althans het hoofd, en/of het lichaam te slaan en/of te stompen en/of

- ( onder andere toen voornoemde [naam slachtoffer 1] op de grond lag) meermalen tegen zijn

hoofd en/of het lichaam te trappen en/of te schoppen.

2.

hij op of omstreeks 13 februari 2017 te Barendrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [naam slachtoffer 2]

- meermalen tegen zijn schouder, althans het lichaam heeft geschopt en/of getrapt en/of

- ( vervolgens, toen voornoemde [naam slachtoffer 2] op de grond lag) meermalen tegen zijn hoofd, althans het lichaam heeft geslagen en/of gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 13 februari 2017 te Barendrecht [naam slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem

- meermalen tegen zijn schouder, althans het lichaam te schoppen en/of te trappen en/of

- ( vervolgens, toen voornoemde [naam slachtoffer 2] op de grond lag) meermalen tegen zijn

hoofd, althans het lichaam te slaan en/of te stompen.