Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:1087

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
10-02-2017
Zaaknummer
C/10/483788 / HA ZA 15-904
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Testament waarin curator van meerderjarige primair zich zelf als erfgenaam laat benoemen. Art. 500 BW (oud). Geschil tussen erfgenamen en mede tegen executeur. Afwijking van het petitum voor zover het om verdeling van gemeenschap gaat. HR 17 april 1998, NJ 1999, 550. Vonnis vervangt medewerking deelgenoot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2017-0038

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/483788 / HA ZA 15-904

Vonnis van 8 februari 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. R.A.J. Zomer te Oosterhout,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats] ,

4. [gedaagde sub 4],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. J.C.A.M. Huntjens te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] , [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] worden genoemd. Gedaagden zullen gezamenlijk worden aangeduid als: de overige kinderen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de 4 dagvaardingen van 24 augustus 2015

  • -

    de door partijen overgelegde producties

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van partijen van 24 februari 2016, waarin is opgenomen. een tussen partijen tot stand gekomen regeling

  • -

    de brief van de advocaat van de overige kinderen van 20 september 2016, met het verzoek om de zaak weer op te brengen omdat partijen er niet in slagen om tot afwikkeling van de nalatenschap te komen, met als bijlage een concept van een notariële akte van partiële verdeling van de nalatenschap

  • -

    de akte van gedaagden (brief van 20 september 2016)

  • -

    de akte houdende uitlatingen, van [eiser]

  • -

    de antwoordakte en akte wijziging eis in reconventie, van de overige kinderen.

1.2.

De rechtbank heeft partijen op de voet van HR 31 oktober 2014 ECLI:NL:HR:2014:3076 bij brief gevraagd of bezwaar bestaat tegen het wijzen van onderhavig vonnis door een andere rechter dan de rechter die in onderhavige procedure de zitting heeft geleid (comparitie van partijen). Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn kenbaar gemaakt dit bezwaar te hebben, zodat dit vonnis door een andere rechter wordt gewezen.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

1.4.

De advocaat van [eiser] heeft zich onttrokken vanaf het moment dat onderhavig vonnis wordt uitgesproken.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn elkaars broers en zusters.

2.2.

Op 24 november 2005 is te [woonplaats] overleden [erflaatster] (hierna te noemen: erflaatster). Erflaatster was geboren op 17 oktober 1930. Erflaatster had geen kinderen, wel een zuster. Erflaatster was een achternicht van partijen.

2.3.

Erflaatster was in 1955 onder curatele gesteld wegens een geestelijke stoornis, met benoeming van haar vader als curator, tot diens overlijden. In 1975 is de vader van partijen (die een neef was van de vader van erflaatster) de nieuwe curator van erflaatster geworden.

2.4.

Erflaatster heeft bij testament van 23 augustus 1976 beschikt over haar nalatenschap. Volgens dit testament zijn partijen -omdat hun vader inmiddels was overleden- de gezamenlijke erfgenamen in de nalatenschap van erflaatster.

2.5.

Vader is overleden op 14 januari 2001. Op 21 september 2001 is [gedaagde sub 1] de nieuwe curator van erflaatster geworden.

2.6.

Erflaatster heeft haar curator, [gedaagde sub 1] , bij codicil van 16 december 2002 benoemd tot executeur-testamentair.

2.7.

Notaris [notaris] heeft op 6 februari 2006 een verklaring van erfrecht opgesteld.

2.8.

De zuster van erflaatster heeft op 17 maart 2006 bij de rechtbank Rotterdam een procedure aanhangig gemaakt tegen de onderhavige procespartijen met als vordering nietigverklaring van het testament, bij toewijzing waarvan deze zuster enig erfgenaam zou zijn. In die procedure is [eiser] niet verschenen en zijn de overige kinderen wel verschenen. Tussen de zuster van erflaatster en de overige kinderen is een schikking getroffen, luidende dat aan de zuster van erflaatster een bedrag van € 325.950,- zou worden betaald inclusief successierechten.

2.9.

[eiser] heeft op 18 juni 2008 bij de kantonrechter te Brielle een procedure aanhangig gemaakt tegen [gedaagde sub 1] over het door [gedaagde sub 1] gevoerde beheer als curator. Deze procedure is geëindigd in een schikking, getroffen ter zitting van 29 juni 2010. De schikking houdt onder meer in dat [gedaagde sub 1] € 50.000,- moet betalen aan [eiser] .

2.10.

De rechtbank Breda heeft bij vonnis van 2 september 2009 [eiser] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 75.512,22 (gevorderd was: € 73.512,22) aan de overige kinderen gezamenlijk, als zijnde het aandeel van [eiser] in het onder 2.8 genoemde schikkingsbedrag van € 325.950,-. In dat vonnis staat onder meer dat buiten redelijke twijfel is dat de zuster van erflaatster in de door haar ingestelde procedure in het gelijk zou zijn gesteld omdat onder het toepasselijke artikel 500 BW (oud) rechtshandelingen van een onder curatele gestelde persoon van rechtswege nietig zijn. Het tegen dit vonnis aangetekende hoger beroep is doorgehaald als onderdeel van de onder 2.9 genoemde schikking.

3 Het geschil in conventie en reconventie en de beoordeling

3.1.

De vordering in conventie strekt met name tot vaststelling van de verdeling van de nalatenschap van erflaatster. In dit verband wordt mede gevorderd dat de overige kinderen, met name [gedaagde sub 1] , de informatie verschaffen die nodig is om de boedel inzichtelijk te maken en een beslissing van de rechtbank mogelijk maken. Daarnaast vordert [eiser] veroordeling van [gedaagde sub 1] om rekening en verantwoording af te leggen van zijn werkzaamheden als executeur en veroordeling van [gedaagde sub 1] als executeur/beheerder om de rechtshandelingen te verrichten die nodig zijn om tot verdeling van de gemeenschap te komen.

3.2.

Het verweer in conventie strekt tot afwijzing van het gevorderde.

3.3.

De (oorspronkelijke) vordering in reconventie strekt eveneens tot vaststelling van de verdeling. Voorts wordt in reconventie gevorderd om aan [eiser] een verbod op te leggen om contact te (laten) zoeken met de pachter van grond die tot de nalatenschap van erflaatster behoort, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

3.4.

Het verweer in reconventie strekt tot afwijzing van het gevorderde.

3.5.

Partijen hebben ter comparitie van 24 februari 2016 een overeenkomst gesloten, die is vastgelegd in het proces-verbaal. Daarin staat:

Met het oog op de beëindiging van de onderhavige procedure in conventie en in reconventie zijn partijen het volgende overeengekomen:

1) Beide partijen zullen een beëdigd makelaar en taxateur aanwijzen, die tezamen een derde beëdigd makelaar en taxateur zullen aanwijzen, voor een bindende taxatie van de onroerende zaken die thans nog tot de onverdeelde gemeenschap tussen partijen behoren. De kosten van de taxatie door deze drie taxateurs zullen ten laste van de nalatenschap worden gebracht. De raadslieden van partijen zullen binnen 14 dagen na heden aan elkaar de naam van de door hun cliënt(en) te benoemen taxateur meedelen, waarop aan beide taxateurs de opdracht zal worden gegeven om eveneens binnen een termijn van 14 dagen de derde taxateur te benoemen.

2) De door de taxateurs vast te stellen waarde van de hiervoor genoemde onroerende zaken zal bepalend zijn voor een partiële verdeling van de genoemde onroerende zaken tussen enerzijds partij [eiser] en anderzijds partijen [gedaagden] , die binnen een redelijke termijn na de taxatie zal hebben plaats te vinden.

3) Tegelijkertijd met de hiervoor onder 2 genoemde partiële verdeling van de onroerende zaken zal tussen partijen een partiële verdeling plaats hebben van de saldi van de boedelrekeningen, die ten gunste van de erven worden aangehouden, zulks na aftrek van een alsdan in onderling overleg vast te stellen te reserveren bedrag voor de kosten van de afwikkeling van de nalatenschap.

4) [gedaagde sub 1] zal binnen 14 dagen na heden aan [eiser] informatie verstrekken over de inkomsten en uitgaven ten behoeve van de nalatenschap met ingang van 1 januari 2006, zulks gesaldeerd per kalenderjaar, in afwachting van een volledige rekening en verantwoording bij de eindafwikkeling van de nalatenschap.

5) Partijen [gedaagden] zullen de helft van het bedrag van € 8.322,20, dat door [eiser] wordt gevorderd uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking aan hem betalen ter finale kwijting van dit onderdeel van de vordering van [eiser] ; betaling zal plaatsvinden ter gelegenheid van de tussen partijen hiervoor overeengekomen partiële verdelingen.

6) [gedaagde sub 1] zal aan [eiser] rekening en verantwoording afleggen betreffende het in een e-mail van 24 januari 2011 van [eiser] aan [persoon] (productie 16 bij dagvaarding) genoemde bedrag van € 8.500 ter gelegenheid van de definitieve rekening en verantwoording. Indien zal blijken dat het genoemde bedrag nog betrekking heeft op het financiële beheer voor de erflaatster [erflaatster] gedurende haar

curatele, zullen partijen een eventueel geschil hierover laten rusten; indien zal blijken dat dit bedrag betrekking heeft op het beheer van de nalatenschap, ook voor de datum van 1 januari 2006, zullen partijen nader in overleg treden over een minnelijke oplossing voor eventuele geschillen hierover.

7) Partijen zullen trachten in onderling overleg, buiten de rechter om, het bovenstaande uit te voeren en vervolgens hun vorderingen over en weer in conventie en reconventie intrekken, op basis ieder eigen kosten.”

3.6.

Blijkens hun nadere stellingname zijn partijen er niet geheel in geslaagd om hun geschilpunten te regelen.

3.7.

De rechtbank zal over hetgeen partijen blijkens hun nadere stellingname nog verdeeld houdt een beslissing nemen, met dien verstande dat geen beslissing zal worden genomen die afwijkt van hetgeen partijen zijn overeengekomen ter comparitie. Hetgeen partijen ter comparitie hebben afgesproken kwalificeert als een vaststellingsovereenkomst, tot nakoming waarvan partijen gehouden zijn. Een vaststellingsovereenkomst is (zelfs) geldig als deze in strijd mocht zijn met dwingend recht. Het proces-verbaal waarin de vaststellingsovereenkomst is vastgelegd, vormt overigens een executoriale titel op dezelfde wijze als een vonnis.

3.8.

In hun hoedanigheid van erfgenamen zijn partijen deelgenoten in een gemeenschap. Indien de deelgenoten in een gemeenschap geen overeenstemming over de verdeling van een gemeenschap kunnen bereiken kan de rechter de verdeling daarvan op de voet van art. 3:185 lid 1 BW vaststellen. Daarbij dient, zoals in dat artikel is bepaald, naar billijkheid rekening te worden gehouden met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechter die de verdeling vaststelt, geniet een mate van vrijheid en is niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en hij behoeft niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren. (HR 17 april 1998, NJ 1999, 550).

3.9.

Blijkens diens nadere stellingname heeft [eiser] nog de navolgende vier bezwaren.

3.10.

[eiser] is pas bereid zijn aandeel in de betreffende onroerende zaak over te dragen nadat alles is afgehandeld, dit om geen open eindjes te laten bestaan die tot nieuwe discussies kunnen leiden. De rechtbank gaat aan dit bezwaar voorbij omdat partijen ter comparitie een regeling hebben getroffen waarin deze voorwaarde niet is terug te vinden. In dit oordeel wordt meegewogen dat de vaststellingsovereenkomst zelf al voorziet in de nodige termijnen waarbinnen één en ander moet worden verricht, zodat niet zonder meer valt in te zien dat sprake is van een leemte in deze overeenkomst. [eiser] kan niet eenzijdig de inhoud van de vaststellingsovereenkomst wijzigen.

3.11.

[eiser] kan zich niet vinden in het beding in de conceptakte, luidende dat van de liquide middelen van erflaatster 5 keer (want: er zijn 5 erfgenamen) een bedrag van

€ 7.500,- wordt gereserveerd voor de kosten van de executeur. [eiser] meent dat zijn bijdrage in de kosten gering/ nihil zou moeten zijn nu hij uit de gemeenschap stapt.

3.12.

De overige kinderen voeren aan dat het voorstel slechts (1 maal) € 7.500,- inhoudt en niet 5 maal € 7.500,- en voorts dat het een redelijk voorstel is nu immers het honorarium van de notaris en de wettelijke beloning van de executeur voldaan zullen moeten worden.

3.13.

Voor zover de rechtbank, en niet de kantonrechter, bevoegd is om te oordelen over de bezwaren van [eiser] tegen [gedaagde sub 1] (die bezwaren lijken de hoedanigheid van [gedaagde sub 1] als executeur te betreffen), heeft het volgende te gelden.

De rechtbank begrijpt dat partijen doelen op hoofdstuk 6, sub 1, van de overgelegde conceptakte “partiële verdeling nalatenschap” (verdeling tussen [eiser] enerzijds en de overige kinderen anderzijds). In de conceptakte staat dat de liquide middelen van de nalatenschap € 55.715,56 bedragen en dat daarvan € 7.500,- onder beheer van de executeur ( [gedaagde sub 1] ) dient te blijven ter betaling van kosten van boedelafwikkeling. Waarom [eiser] mag menen dat het om 5 maal € 7.500,- zou gaan, in plaats van € 7.500,- in totaal, acht de rechtbank niet begrijpelijk. De tekst van de conceptakte biedt geen steun voor deze aanname. [eiser] beroept zich ook niet op - buiten de conceptakte gelegen - verklaringen of gedragingen die een ander licht op de zaak zouden kunnen werpen.

De omstandigheid dat [eiser] uit de gemeenschap stapt betekent - vanzelfsprekend - niet dat er geen kosten gemaakt zijn. [eiser] is als deelgenoot in de gemeenschap rechtens gehouden om naar rato van zijn aandeel in de gemeenschapskosten bij te dragen.

3.14.

Volgens [eiser] dienen de inkomsten en de uitgaven van de nalatenschap te worden geactualiseerd tot ultimo 2016, zodat bijvoorbeeld ook de pachtinkomsten over 2016 duidelijk zijn. Ook de bankafschriften moeten worden overgelegd volgens [eiser] (de rechtbank begrijpt: eveneens tot ultimo 2016).

3.15.

De overige kinderen leggen, in reactie op dit bezwaar van [eiser] , in hun laatste processtuk een aantal van de door [eiser] in dit verband verlangde bescheiden over.

3.16.

De rechtbank zal geen kennis nemen van de onder 3.15 genoemde producties, nu [eiser] daarop niet heeft kunnen reageren. Dan zou het beginsel van hoor en wederhoor geschonden worden.

Dit oordeel kan [eiser] overigens niet baten. Volgens de vaststellingsovereenkomst dient [gedaagde sub 1] (slechts) twee keer rekening en verantwoording af te leggen: de eerste keer over de periode van 1 januari 2006 tot twee weken na de datum van de comparitie en de tweede keer bij de finale afwikkeling van de nalatenschap. Een derde maal rekening en verantwoording afleggen is niet afgesproken. [eiser] kan, zoals gezegd, niet eenzijdig de inhoud van de vaststellingsovereenkomst wijzigen.

3.17.

[eiser] wijst er op dat [gedaagde sub 1] volgens de vaststellingsovereenkomst rekening en verantwoording moet afleggen na eindafwikkeling van de nalatenschap. Volgens [eiser] leggen de overige kinderen dit verkeerd uit, in die zin dat volgens hen rekening en verantwoording pas plaats hoeft te vinden in de verre toekomst, wanneer ooit de verpachte grond verkocht zal zijn, dit terwijl de pachter deze grond thans nog in gebruik heeft. [eiser] vreest dat het nog wel even kan duren voor de pachter er mee stopt. Daar wil [eiser] niet op wachten.

3.18.

De rechtbank gaat aan dit bezwaar voorbij reeds omdat de overige kinderen aanvoeren dat “uit niets, maar dan ook uit helemaal niets” blijkt dat zij het standpunt verkondigen dat het afleggen van rekening en verantwoording door [gedaagde sub 1] pas behoeft te geschieden nadat de verpachte grond verkocht zal zijn. Gelet op dit verweer had van [eiser] verwacht mogen worden dat hij had onderbouwd waarom hij (desalniettemin) mag menen dat de overige kinderen een standpunt zouden innemen als door [eiser] gesteld. Dit heeft [eiser] niet gedaan, zodat niet valt in te zien waarom [eiser] mag menen dat partijen hierover een geschil hebben. In het midden kan blijven of het bezwaar van [eiser] zich niet slechts tegen de executeur zou behoeven te richten.

3.19.

Slotsom is dat de bezwaren van [eiser] falen. [eiser] heeft geen steekhoudende bezwaren tegen de inhoud van de concept-takte van partiële verdeling. Daarom zal de rechtbank partijen gelasten om over te gaan tot verdeling van de gemeenschap overeenkomstig deze akte. De rechtbank doet dit als beslissing naar billijkheid en niet omdat de overige kinderen in hun laatste processtuk een eiswijziging van die strekking hebben ingediend. Op deze eiswijziging heeft [eiser] (formeel) niet kunnen reageren, zodat deze eiswijziging niet wordt toegelaten. Dit maakt voor de te nemen beslissing niet uit, nu de desbetreffende conceptakte al eerder in geding was gebracht en vervolgens ook onderwerp is geweest van partijdebat. Dat maakt dat de beslissing geen verrassingsbeslissing is.

3.20.

Ter voorkoming van executieproblemen zal de rechtbank bepalen dat het vonnis, zo nodig, in de plaats treedt van de medewerking van de eventueel onwillige deelgenoot, of deelgenoten, aan het verrichten van de rechtshandelingen die nodig zijn om tot (partiële) verdeling van de gemeenschap te komen. Duidelijkheidshalve zij aangetekend dat dit oordeel geen betrekking heeft op hetgeen wel in geschil is, maar buiten de verdeling van de gemeenschap valt. Dit zijn in ieder geval: de afspraken tot betaling van een bedrag wegens ongerechtvaardigde verrijking en de afspraken met betrekking tot het afleggen van rekening en verantwoording door de executeur ( [gedaagde sub 1] ). Te dien aanzien zal het vonnis dus niet in de plaats treden van de medewerking van een eventueel onwillige partij.

3.21.

De proceskosten tussen partijen zullen, gelet op hun familierelatie, worden gecompenseerd.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

gelast partijen om over te gaan tot verdeling van de gemeenschap (de nalatenschap van erflaatster) overeenkomstig de in geding gebrachte conceptakte “partiële verdeling nalatenschap,”

4.2.

bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking van de eventueel onwillige deelgenoot, of deelgenoten, aan het verrichten van de rechtshandelingen die nodig zijn om tot verdeling van de gemeenschap te komen,

4.3.

verklaart het vonnis tot zover zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

4.4.

bepaalt dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt,

4.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. van den Bergh en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2017.1

1 2517/2504