Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:10854

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-11-2017
Datum publicatie
06-08-2018
Zaaknummer
C/10/538075 / KG ZA 17-1204
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil over dwangsomveroordeling. Onvoldoende aannemelijk geworden dat volledig aan de veroordeling is voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/538075 / KG ZA 17-1204

Vonnis in kort geding van 14 november 2017

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

YLVAS B.V.,

statutair gevestigd te Ede, kantoorhoudende te Wijchen,

2. [gedaagde],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. T.J.C.M. Broekman te Utrecht,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TRANSVISION B.V.,

statutair gevestigd te Gorinchem, kantoorhoudende te Capelle aan den IJssel,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TREVVEL B.V., voorheen handelend onder de naam LOREM FOCUS B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CETORHINUS MAXIMUS B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagden,

advocaat mr. J.L.G.M. Verwiel te Breda.

Eisers zullen hierna afzonderlijk Ylvas en [gedaagde] genoemd worden. Gezamenlijk zullen zij [gedaagden] genoemd worden. Gedaagden zullen hierna Transvision c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 31 oktober 2017, met producties 1 tot en met 6;

  • -

    de aanvullende producties 7 en 8;

  • -

    de producties 1 en 2 van Transvision c.s.;

  • -

    de mondelinge behandeling op 7 november 2017;

  • -

    de pleitnota van [gedaagden] ;

  • -

    de pleitnota van Transvision c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Transvision c.s. houdt zich bezig met het organiseren en uitvoeren van onder andere kleinschalig personenvervoer en aanvullend openbaar vervoer en maakt deel uit van de Bios-groep.

2.2.

Ylvas houdt zich onder meer bezig met het voeren van de directie over andere ondernemingen en het uitlenen van personeel.

2.3.

[gedaagde] is aandeelhouder geweest van gedaagde sub 1 (Transvision). Hij is medebestuurder van Ylvas. Ylvas heeft diverse opdrachten voor Transvision c.s. uitgevoerd. In de overeenkomsten van opdracht waren steeds geheimhoudingsbedingen opgenomen.

2.4.

[gedaagde] bekleedt sinds 15 juli 2017 een functie bij Connexxion Taxi Services B.V. (hierna: Connexxion), welk bedrijf concurreert met Transvision c.s. , onder meer in het kader van nu actuele aanbestedingen met een groot financieel belang.

2.5.

In een door Transvision c.s. bij de rechtbank Gelderland aanhangig gemaakte kort gedingprocedure heeft de voorzieningenrechter van die rechtbank bij vonnis van 20 oktober 2017 onder meer het volgende overwogen:

Deze verklaringen roepen eerder de verdenking op dat [gedaagde] met betrekking tot de informatie waarover hij beschikte en/of nog beschikt iets te verbergen heeft in verband met zijn verplichting tot geheimhouding. Dit doet zodanige twijfel rijzen omtrent de verklaring van [gedaagde] dat hijzelf vrijwillig en Ylvas vanwege haar contractuele verplichting ook zonder nadere veroordeling daartoe geheimhouding zullen betrachten, dat een veroordeling tot geheimhouding verzwaard met een dwangsom op zijn plaats wordt geacht. Deze vordering zat jegens Transvision en Lorem Focus dan ook ten aanzien van zowel Ylvas als [gedaagde] worden toegewezen.

(…)

4.10.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat voldoende grond bestaat voor

toewijzing van de gevorderde afgifte. In dat verband is in de eerste plaats van belang dat het op basis van de stellingen van partijen aannemelijk is dat [gedaagde] in ieder geval op 11 juli 2017 beschikte over informatie van Transvision c.s. die ook voor de nieuwe Valys-aanbesteding van belang kan zijn voor CTS (zie hierna). Daarbij komt dat met het binnen halen van de Valys-opdracht een enorm financieel belang is gemoeid. Dat betekent dat de concurrentiestrijd hevig is en er voor Transvision c.s. een heel groot belang mee is gemoeid dat vertrouwelijke informatie betreffende haar bedrijfsvoering en met betrekking tot haar inschrijving op de Valys-opdracht niet in handen van CTS komt en omgekeerd voor CTS om daarover juist wel te kunnen beschikken. Daarbij komt dat de verklaringen van [gedaagde] over de vernietiging van de digitale en papieren informatie waarover hij beschikte niet geloofwaardig zijn, zoals in rechtsoverweging 4.5. overwogen. Tegen deze achtergrond kan niet zonder meer worden aangenomen dat [gedaagde] en Ylvas tot vernietiging van alle informatie zijn overgegaan en zonder overzicht te hebben van wat zij hadden en hebben vernietigd. In het kader van hun geheimhoudingsplicht kan in de gegeven omstandigheden van [gedaagde] en Ylvas worden gevergd dat zij hierover openheid van zaken geven aan Transvision c.s. Hoewel op dit moment niet kan worden vastgesteld dat [gedaagde] en Ylvas nog over bedrijfsvertrouwelijke informatie van Transvision c.s. beschikken, is het in ieder geval niet zonder meer aannemelijk dat [gedaagde] en Ylvas dat in het geheel niet meer doen. Daarmee bestaat de kans dat de vertrouwelijke informatie nog bij [gedaagde] en Ylvas aanwezig is. Afgezien daarvan is de voorzieningenrechter van oordeel dat ook in het geval de informatie wel volledig zou zijn vernietigd, [gedaagde] in redelijkheid moet worden geacht (achteraf) te kunnen opgeven welke stukken dit dan betrof. Dit leidt tot de slotsom dat de op Ylvas en [gedaagde] rustende (contractuele) geheimhoudingsverplichting onder deze omstandigheden ook de verplichting voor hen meebrengt om opgave te doen van de bedrijfsvertrouwe1ijke informatie van Transvision c.s. waarover zij op 15 juli 2017 beschikten en afgifte te bewerkstelligen van zodanige informatie, voor zover Ylvas en

[gedaagde] die informatie thans nog onder zich hebben. De vordering strekkende daartoe zal

daarom worden toegewezen.

4.11.

Ook de vorderingen strekkende tot inzage en afgifte van kopieën van alle digitale bedrijfsinformatie zal op basis van voornoemde overwegingen worden toegewezen ten aanzien van Transvision c.s., met dien verstande dat deze vordering van Transvision c.s. niet ziet op de digitale informatie die Ylvas en [gedaagde] op 15 juli 2017 onder zich hadden, maar op de informatie waarover zij op dit moment (nog) beschikken. (…)

En op grond daarvan beslist:

5.8.

veroordeelt Ylvas en [gedaagde] hoofdelijk om binnen vier dagen na betekening van dit vonnis inzage te geven in en vervolgens een kopie af te geven van alle digitale bedrijfsinformatie (bescheiden, document en e-mails) zelf, die zij op hun computers,

mobiele telefoon en/of externe harde schijven, dan wel andere gegevensdragers hebben van

Transvision, de relaties van Transvision en de aanbestedingstrajecten waarbij Transvision

direct of indirect, nu of in het verleden betrokken is (geweest) en tenslotte die gegevens in

aanwezigheid van een IT-deskundige en deurwaarder van die gegevensdragers te

verwijderen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000,00 per dag indien en voor zover niet aan deze veroordeling wordt voldaan, tot een maximum van € 1.000.000.00

is bereikt,

5.9.

veroordeelt Ylvas en [gedaagde] hoofdelijk om binnen vier dagen na betekening van dit vonnis inzage te geven in en vervolgens een kopie af te geven van alle digitale

bedrijfsinformatie (bescheiden. document en e-mails) zelf, die zij op hun computers,

mobiele telefoon en/of externe harde schijven, dan wel andere gegevensdragers hebben van

Lorem Focus, de relaties van Lorem focus en de aanbestedingstrajecten waarbij Lorem

Focus direct of indirect, nu of in het verleden betrokken is (geweest) en tenslotte die

gegevens in aanwezigheid van een IT-deskundige en deurwaarder van die gegevensdragers

te verwijderen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000.00 per dag indien

en voor zover niet aan deze veroordeling wordt voldaan, tot een maximum van

€ 1.000.000.00 is bereikt,

5.10.

veroordeelt Ylvas en [gedaagde] hoofdelijk om binnen vier dagen na betekening van dit vonnis inzage te geven in en vervolgens een kopie af te geven van alle digitale

bedrijfsinformatie (bescheiden, document en e-mails) zelf, die zij op hun computers, mobiele telefoon en/of externe harde schijven, dan wel andere gegevensdragers hebben van

CM, de relaties van CM en de aanbestedingstrajecten waarbij CM direct of indirect, nu of in het verleden betrokken is (geweest) en tenslotte die gegevens in aanwezigheid van een IT-deskundige en deurwaarder van die gegevensdragers te verwijderen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000,00 per dag indien en voor zover niet aan deze veroordeling wordt voldaan, tot een maximum van € 1 .000.000,00 is bereikt.

2.6.

Het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis (hierna: het vonnis ) is op 24 oktober 2017 aan [gedaagden] betekend.

2.7.

Bij brief van donderdag 26 oktober 2017 heeft (de advocaat van) Transvision c.s. [gedaagden] bericht dat inzage dient te worden gegeven aan Transvision c.s., dat dit vooralsnog niet is gebeurd, dat daardoor niet wordt voldaan aan het vonnis, dat dit betekent dat vanaf zondag (29 oktober 2017) dwangsommen zullen worden verbeurd, en dat Transvision c.s. via een eigen ICT-deskundige wenst te bezien op welke wijze het onderzoek wordt uitgevoerd en welke informatie boven water wordt gehaald en wordt geselecteerd.

2.8.

Bij e-mail van 27 oktober 2017 heeft Transvision c.s. [gedaagden] vier dagen extra tijd gegeven om alle bedrijfsinformatie van Transvision c.s. in kopie aan Transvision c.s. af te geven. Transvision c.s. heeft [gedaagden] bericht dat vanaf 3 november 2017 dwangsommen zullen worden verbeurd als de gegevensdragers van [gedaagden] niet worden doorzocht op alle door Transvision c.s. opgegeven zoektermen.

3 Het geschil

3.1.

[gedaagden] vordert – samengevat en zakelijk weergegeven – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. te oordelen dat naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter door [gedaagden] op juiste en volledige wijze uitvoering is gegeven aan de veroordelingen onder 5.8 tot en met 5.10 in het vonnis van 20 oktober 2017;

  2. de dwangsommen op te heffen per 29 oktober 2017, althans deze op te schorten dan wel te matigen tot nihil met ingang van deze datum;

  3. Transvision c.s. te verbieden de dwangsommen te innen, totdat onherroepelijk vaststaat dat a) [gedaagden] gehouden is tot het geven van uitvoering aan de veroordelingen 5.8 tot en met 5.10 en b) [gedaagden] dat niet op de juiste wijze heeft gedaan;

  4. te bepalen dat de dwangsommen worden opgeschort tot de rechtbank Gelderland uitspraak heeft gedaan in een artikel 611d Rv procedure (indien de voorzieningenrechter van oordeel is dat uitsluitend de rechter die de dwangsom heeft opgelegd, zijnde de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland, in dezen bevoegd is);

  5. Transvision c.s. hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

Transvision c.s. voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [gedaagden] in zijn vorderingen, althans onbevoegdverklaring door de voorzieningenrechter, dan wel afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling, hierna ingegaan.

4 De beoordeling

Ten aanzien van het spoedeisend belang

4.1.

Transvision c.s. stelt zich primair op het standpunt dat [gedaagden] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vorderingen, omdat geen sprake is van (een dreigende) inning van dwangsommen en het spoedeisend belang bij het treffen van voorlopige voorzieningen daardoor ontbreekt.

4.2.

De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande het volgende.

Transvision c.s. heeft [gedaagden] bij brief van 26 oktober 2017 bericht dat vanaf 29 oktober 2017 dwangsommen door [gedaagden] zullen worden verbeurd, omdat [gedaagden] haars inziens niet voldoet aan de in het vonnis van 20 oktober 2017 onder 5.8 tot en met 5.10 weergegeven veroordelingen. Vervolgens heeft Transvision c.s. [gedaagden] bij e-mail van 27 oktober 2017 bericht dat vanaf 3 november 2017 dwangsommen zullen worden verbeurd als de gegevensdragers van [gedaagden] niet worden doorzocht op alle door Transvision c.s. opgegeven zoektermen, hetgeen niet is gebeurd. Daaruit volgt, niettegenstaande de verzekering ter zitting dat het Transvision c.s. niet om de dwangsommen gaat, dat Transvision c.s. het standpunt inneemt dat dwangsommen verbeurd zijn en nog worden. Daarmee is, mede gelet op de hoogte van de dwangsommen (zijnde € 50.000,00 per dag per niet nagekomen veroordeling) en de hoogte van het daaraan verbonden maximum (zijnde € 1.000.000,00 per niet nagekomen veroordeling), het spoedeisend belang bij het gevorderde voldoende gegeven, met uitzondering van het onder 3 sub b gevorderde, waarop onder 4.19 wordt teruggekomen. Daaraan doet niet af dat thans nog geen executiemaatregelen – zoals beslag – genomen zijn.

Ten aanzien van het onder 1 gevorderde

4.3.

Gevorderd wordt te oordelen dat naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter door [gedaagden] op juiste en volledige wijze uitvoering is gegeven aan de veroordelingen onder 5.8 tot en met 5.10 in het vonnis van 20 oktober 2017.

4.4.

Vooropgesteld wordt het volgende.

Ingevolge het bepaalde in artikel 254 Rv is de voorzieningenrechter in alle spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd deze te geven. De voorzieningenrechter is niet bevoegd om een verklaring voor recht te geven, omdat deze zich naar haar aard niet verdraagt met een voorlopige voorziening. Of aan een veroordeling is voldaan, kan dus uitsluitend in een bodemprocedure worden vastgesteld.

4.5.

Voor zover niet bedoeld is een verklaring voor recht te verkrijgen en slechts bedoeld is om in het kader van een executiegeschil als bedoeld in artikel 438 lid 2 Rv een voorlopig oordeel te verkrijgen – ondanks dat Transvision c.s. vooralsnog geen executiemaatregelen heeft getroffen jegens [gedaagden] en de dwangsomveroordeling dus (nog) niet feitelijk ten uitvoer wordt gelegd – overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

4.6.

De voorzieningenrechter kan de tenuitvoerlegging van een dwangsomveroordeling schorsen (totdat in een bodemprocedure is vastgesteld of de veroordeelde heeft voldaan aan de veroordeling) indien aannemelijk is geworden dat de veroordeelde aan de veroordeling heeft voldaan. Bij de beoordeling van een geschil dat is gerezen in verband met de tenuitvoerlegging van een veroordeling die is versterkt met een dwangsom, meer in het bijzonder bij beantwoording van de vraag of de veroordeelde al dan niet aan de veroordeling heeft voldaan en of in verband daarmee dwangsommen zijn verbeurd, dient de rechter zich te beperken tot het toetsen van de ter uitvoering van het vonnis verrichte handelingen aan de inhoud van de hoofdveroordeling zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dienen doel en strekking van de veroordeling tot richtsnoer te worden genomen, in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel noodzakelijk is (HR 20 mei 1994, NJ 1994, 652). De draagwijdte van een gegeven verbod of gebod dient mitsdien niet ruimer dan nodig is voor dat doel te worden uitgelegd, waarbij aan de bewoordingen in de context van het vonnis grote betekenis toekomt.

4.7.

Uit de overwegingen waarop de veroordelingen steunen (zie met name 4.10 van het vonnis) blijkt dat hiermee wordt beoogd dat alle (digitale) vertrouwelijke bedrijfsinformatie van Transvision c.s. waarover [gedaagden] ten tijde van het vonnis van 20 oktober 2017 beschikte wordt teruggegeven aan Transvision c.s., teneinde te voorkomen dat vertrouwelijke informatie van Transvision c.s. in handen komt van haar concurrent Connexxion (de huidige werkgever van [gedaagde] ), die een groot (financieel) belang heeft bij het kunnen beschikken over bepaalde bedrijfsinformatie van Transvision c.s. Daarnaast werd beoogd dat [gedaagden] opgave zou doen van alle bedrijfsvertrouwelijke informatie, ook die hij, naar eigen zeggen, tevoren al had vernietigd.

4.8.

[gedaagden] stelt aan de veroordelingen onder 5.8 tot en met 5.10 te hebben voldaan. [gedaagden] stelt – samengevat – dat een deurwaarder en een ICT-deskundige alle, zich op gegevensdragers van [gedaagden] bevindende, data met speciale software (aan de hand van relevante zoektermen) hebben onderzocht, een overzicht hebben gemaakt van bestanden van Transvision c.s., en dit overzicht alsook een kopie van de bestanden hebben verstrekt aan Transvision c.s. [gedaagden] stelt daarnaast afstand te hebben gedaan van zijn ‘hele digitale historie’, met uitzondering van een beperkt aantal bestanden. Deze bestanden zijn eveneens doorzocht op bedrijfsinformatie van Transvision c.s., aldus [gedaagden] is vooralsnog niet overgegaan tot het door de ICT-deskundige laten verwijderen van de bedrijfsinformatie van Transvision c.s., omdat Transvision c.s. hem heeft gesommeerd dat niet te doen.

4.9.

Transvision c.s. betwist, bij gebrek aan de mogelijkheid om door een door haar in te schakelen ICT-deskundige te laten controleren of [gedaagden] inzage heeft gegeven in en een kopie heeft afgegeven van alle bedrijfsinformatie van Transvision c.s., dat [gedaagden] aan de veroordelingen heeft voldaan.

Tussen partijen staat overigens kennelijk wel vast dat de vernietiging, waartoe [gedaagden] mede is veroordeeld, (nog) niet plaats diende te vinden, zodat het achterwege laten daarvan niet is aan te merken als handelen in strijd met de veroordeling; op die grond zijn dus in elk geval tot dusver geen dwangsommen verbeurd.

Het geschil spitst zich dus toe op de vraag of de veroordeling van 5.8 tot en met 5.10 is nageleefd voor zover het gaat om het verschaffen van inzage en vervolgens afgeven van een kopie.

4.10.

Opgemerkt wordt allereerst het volgende.

Naar tussen partijen op zich in confesso is, verplicht het vonnis [gedaagden] slechts om bij de verwijdering van de gegevens een ICT-deskundige en een deurwaarder in te schakelen. Voor het overige worden voor de wijze waarop [gedaagden] aan de veroordeling dient te voldoen in het dictum geen aanwijzingen gegeven. [gedaagden] heeft er klaarblijkelijk voor gekozen om het onderzoek naar de aanwezigheid van bedrijfsinformatie van Transvision c.s. op gegevensdragers van [gedaagden] uit te laten voeren zonder Transvision c.s. daarbij te betrekken. Er is mee volstaan Transvision c.s. in kennis te stellen van de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd en Transvision c.s. in de gelegenheid te stellen de door [gedaagden] opgestelde lijst met zoektermen aan de hand waarvan de bedrijfsinformatie kan worden gevonden aan te vullen. Transvision c.s. heeft [gedaagden] verzocht een door haar in te schakelen ICT-deskundige alsook haar advocaat bij het gehele onderzoek aanwezig te laten zijn. [gedaagden] heeft, om haar moverende redenen, (behoudens een geclausuleerd aanbod bij mail van 25 oktober 2017) geen gehoor gegeven aan dat verzoek. [gedaagden] was – naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter – daartoe strikt genomen ook niet gehouden; weliswaar is in de overwegingen (4.10) opgemerkt dat van [gedaagden] verwacht mag worden dat hij openheid van zaken geeft, doch dat is in de overwegingen noch het dictum zo verwoord dat Transvision c.s. er recht op heeft dat haar eigen deskundige (en/of advocaat) bij alle stadia van het onderzoek aanwezig is. In zoverre is juist de stelling van [gedaagden] dat het de verantwoordelijkheid van de veroordeelde is op welke wijze hij aan de veroordeling voldoet. Dat het betrekken van Transvision c.s. bij het onderzoek en de selectie zou passen bij de bedoeling van het vonnis, grote praktische voordelen zou hebben en per saldo in het eigen voordeel van [gedaagden] zou zijn brengt nog niet mede dat [gedaagden] daartoe verplicht is. Hij kan ervoor kiezen Transvision c.s. niet bij de selectie zelf te betrekken. Die keuze houdt echter ook in dat de geruststelling die [gedaagden] zoekt niet gegeven kan worden. Hij heeft immers aldus welbewust het risico genomen dat Transvision c.s. de stelling van [gedaagden] dat hij heeft voldaan aan de veroordelingen in twijfel trekt, dwangsommen aanzegt, en dat later blijkt dat hij inderdaad niet ten volle aan de veroordelingen heeft voldaan.

4.11.

In deze procedure is onvoldoende aannemelijk geworden dat [gedaagden] inzage heeft gegeven in en een kopie heeft afgegeven van alle, zich op gegevensdragers van [gedaagden] bevindende, digitale bedrijfsinformatie van Transvision c.s. Of [gedaagden] volledige inzage heeft gegeven en alle informatie in kopie heeft afgegeven, zal in een bodemprocedure moeten worden vastgesteld. Het door [gedaagden] in het geding gebrachte bewijsmateriaal vormt onvoldoende grond om thans op dit oordeel vooruit te kunnen lopen. Dit wordt als volgt nader toegelicht.

4.12.

Vaststaat dat (ondanks dat [gedaagde] eerder te kennen had gegeven alle digitale informatie waarover hij beschikte te hebben verwijderd) bedrijfsinformatie van Transvision c.s. is aangetroffen op gegevensdragers van [gedaagden] stelt niet langer toegang te hebben tot deze informatie, omdat hij in verband met de veroordeling afstand heeft gedaan van zijn ‘hele digitale historie’. Aldus is volgens [gedaagden] aan de bedoeling van de veroordeling voldaan. Daarmee miskent [gedaagden] naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter dat hij veroordeeld is tot het geven van inzage in en het afgeven van een kopie van alle bedrijfsinformatie van Transvision c.s.

Bovendien heeft [gedaagden] van een deel van de op de gegevensdragers opgeslagen bestanden geen afstand gedaan. [gedaagden] stelt dat deze bestanden door haar eigen ICT-deskundige zijn doorzocht en dat zich hiertussen geen bedrijfsinformatie van Transvision c.s. bevindt. Dit volgt echter enkel uit de stellingen van [gedaagden] , die onvoldoende onderbouwd zijn.

4.13.

De deurwaarder heeft op 4 november 2017 een proces-verbaal opgemaakt waarin hij verslag doet van de door hem verrichte werkzaamheden (productie 7 van [gedaagden] ). Het betreft een authentieke akte als bedoeld in artikel 156 lid 2 Rv. Op grond van het bepaalde in artikel 157 lid 1 Rv levert een authentieke akte dwingend bewijs op van hetgeen de ambtenaar binnen de kring van zijn bevoegdheid omtrent zijn waarnemingen en verrichtingen heeft verklaard. Dit brengt met zich dat de rechter, overeenkomstig het bepaalde in artikel 151 Rv, in beginsel verplicht is de inhoud van het proces-verbaal als waar aan te nemen. Dat geldt in elk geval voor de betekening door de deurwaarder op 28 oktober 2017 en wederom op 2 november 2017 van overzichten, CD-roms en USB-sticks aan de advocaat van Transvision c.s. Voor zover de deurwaarder heeft verklaard omtrent door hem verrichte werkzaamheden die niet bij of krachtens de wet aan hem zijn opgedragen, levert het proces-verbaal evenwel geen dwingend bewijs op.

Dat neemt niet weg dat ook voor buitenwettelijke werkzaamheden geldt, dat aan het proces-verbaal betekenis toekomt. In dit geval komt daarbij dat een deel van de mededelingen in het proces-verbaal niet werkelijk betwist wordt. Dat betekent, dat als vaststaand kan worden aangenomen dat aan de deurwaarder gegevensdragers zijn afgestaan (I-pad, I-phone, Macbook, laptop), dat hij, samen met de ICT-deskundige, die gegevens heeft doorzocht en dat de ICT-deskundige bepaalde zoektermen heeft gebruikt om de gegevensdragers te doorzoeken, in tweede instantie ook een deel van de door Transvision c.s. opgegeven termen.

Op basis van die gegevens is aannemelijk dat [gedaagden] in ieder geval een serieuze poging heeft gedaan om aan het vonnis te voldoen.

Daaruit volgt echter niet dat alle bedrijfsinformatie als in het vonnis bedoeld ter inzage is gegeven en dat daarvan een kopie is verstrekt. Transvision c.s. heeft gewezen op een aantal onduidelijke elementen in het proces-verbaal van de deurwaarder. Vast staat dat in elk geval een aantal gegevens als privé is aangemerkt en dus niet op de aan Transvision c.s. afgegeven CD-roms/ USB-sticks is opgenomen, dat niet op alle door Transvision c.s. opgegeven zoektermen is gezocht en dat [gedaagden] aan Transvision c.s. geen rechtstreekse inzage in al het beschikbare materiaal wil geven. Dat brengt, in aanmerking nemend dat de juistheid van de stellingen van [gedaagden] aangaande de door haar gemaakte selectie door de voorzieningenrechter niet nader valt vast te stellen bij gebreke van inzage in de betreffende gegevens, mee dat op grond van de thans beschikbare gegevens niet – ook niet bij wijze van voorlopig oordeel – kan worden geconcludeerd dat [gedaagden] inzage heeft gegeven in alle, zich op gegevensdragers van [gedaagden] bevindende, digitale bedrijfsinformatie van Transvision c.s. en voorts alle informatie in kopie heeft afgegeven aan Transvision c.s.

Bij het voorgaande is buiten beschouwing gebleven de wens van Transvision c.s. om duidelijkheid te krijgen over het gebruik en/of doorgeven van de bedrijfsgevoelige informatie door [gedaagden] . Naar tussen partijen vast staat ziet het vonnis daarop niet.

4.14.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering moet worden afgewezen.

Ten aanzien van het onder 2 gevorderde

4.15.

Ingevolge het bepaalde in artikel 611d Rv kan de rechter die een dwangsom heeft opgelegd op vordering van de veroordeelde de dwangsom opheffen, de looptijd ervan opschorten gedurende de door hem te bepalen termijn of de dwangsom verminderen in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen.

4.16.

Het onder 2 gevorderde strekt tot opheffing, opschorting dan wel matiging van de dwangsommen. Deze dwangsommen zijn opgelegd door de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland. Het bepaalde in artikel 611d Rv brengt met zich dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland als enige bevoegd is om kennis te nemen van deze vordering. De voorzieningenrechter zal zich daarom onbevoegd verklaren om van deze vordering kennis te nemen.

Ten aanzien van het onder 3 gevorderde

4.17.

[gedaagden] vordert onder 3 Transvision c.s. te verbieden de dwangsommen te innen, totdat onherroepelijk vaststaat dat a) [gedaagden] gehouden is tot het geven van uitvoering aan de veroordelingen 5.8 tot en met 5.10 en b) [gedaagden] dat niet op de juiste wijze heeft gedaan.

4.18.

De voorzieningenrechter vat onderdeel a van de vordering zo op dat wordt gevorderd de tenuitvoerlegging van de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde dwangsomveroordeling te schorsen totdat in een nog aanhangig te maken hoger beroepsprocedure eindvonnis is gewezen. Daartoe kunnen twee wegen worden bewandeld. Ingevolge het bepaalde in artikel 351 Rv kan in het geval reeds hoger beroep is ingesteld tegen een vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard door middel van het instellen van een incidentele vordering in hoger beroep schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis worden gevraagd. [gedaagden] dient zich daarvoor echter te wenden tot het gerechtshof. Daarnaast kan op de voet van het bepaalde in artikel 438 lid 2 Rv in kort geding schorsing van de tenuitvoerlegging van de dwangsomveroordeling worden gevorderd. De voorzieningenrechter kan de tenuitvoerlegging van een dwangsomveroordeling slechts schorsen indien hij van oordeel is dat de executant – mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad – geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van de dwangsomveroordeling over te gaan. Dat zal buiten het hiervoor besproken geval dat aan de veroordeling is voldaan het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. Dat hiervan sprake is, is gesteld noch gebleken. De vordering moet daarom op dit onderdeel worden afgewezen.

4.19.

Ten aanzien van onderdeel b wordt het volgende overwogen.

Transvision c.s. heeft ter zitting te kennen gegeven dat het haar niet is te doen om het geld en toegezegd de inning van de dwangsommen aan te houden totdat in een door [gedaagden] aanhangig te maken bodemprocedure is vastgesteld of [gedaagden] dwangsommen heeft verbeurd. Transvision c.s. had dat al eerder aangeboden en heeft tot op heden ook geen executiemaatregelen jegens [gedaagden] getroffen. Nu [gedaagden] , gelet hierop, geen

(spoedeisend) belang heeft bij dit onderdeel van het gevorderde, moet de vordering ook op dit onderdeel worden afgewezen.

Ten aanzien van het onder 4 gevorderde

4.20.

Het onder 4.15 overwogene brengt mee dat de vordering strekkende tot opschorting van de dwangsommen totdat de rechtbank Gelderland uitspraak heeft gedaan in een artikel 611d Rv procedure niet toewijsbaar is. De voorzieningenrechter kan, in zeer bijzondere gevallen, bij wijze van voorlopige voorziening de tenuitvoerlegging van de dwangsomveroordeling opschorten (zoals de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland heeft gedaan in de zaak waarnaar Transvision c.s. heeft verwezen (ECLI:NL:RBGEL:2016:2970)), maar niet – zoals gevorderd – de looptijd van de dwangsommen opschorten. De vordering zal daarom worden afgewezen.

Ten aanzien van de proceskosten

4.21.

[gedaagden] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Transvision c.s. worden begroot op:

- griffierecht € 618,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.434,00

Tot slot

4.22.

De voorzieningenrechter merkt nog het volgende op. Het is in het belang van Transvision c.s. om zo spoedig mogelijk over de gegevens te beschikken en zekerheid te hebben dat die compleet zijn. Het is in het belang van [gedaagden] om zekerheid te hebben dat geen dwangsommen verbeurd worden. Het is daarmee in beider belang als partijen afspraken maken die erop neerkomen dat een derde (die aan geheimhouding gebonden is) beslist of de gegevens die volgens [gedaagden] privé zijn inderdaad buiten de selectie dienen te vallen en of de gegevens die (de ICT-deskundige van) Transvision c.s. tot de selectie wenst te rekenen (nadat Transvision c.s. bij het selectieproces betrokken is) daarin thuis horen.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verklaart zich onbevoegd om van de tweede vordering kennis te nemen,

5.2.

wijst de overige vorderingen af,

5.3.

veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, aan de zijde van Transvision c.s. tot op heden begroot op € 1.434,00,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2017.2885/106