Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:10825

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-11-2017
Datum publicatie
05-03-2018
Zaaknummer
10/960153-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot voorhanden krijgen van een vuurwapen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/960153-17

Uitspraakdatum: 16 november 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

bijgestaan door mr. E.H. Bokhorst, advocaat te Veenendaal.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 2 november 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding.

De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. B.C. Niks heeft gerekwireerd tot

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht;

  • -

    verbeurdverklaring van het onder de verdachte in beslag genomen geldbedrag van € 1.700,-, alsmede de teruggave van het resterende, eveneens onder de verdachte in beslag genomen, geldbedrag van € 35,00 omschreven op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

4 Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Standpunt verdediging

Onjuiste voorstelling van zaken rondom start onderzoek

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Hij heeft daartoe aangevoerd dat in het dossier ten onrechte de suggestie wordt gewekt dat het onderzoek pas is gestart op 8 mei 2017 naar aanleiding van informatie uit Australië. Immers, uit het dossier blijkt dat de politie al eerder, in ieder geval al vanaf 3 mei 2017, gebruik maakte van het e-mailadres [naam e-mailadres] in dit onderzoek. Dit betekent dat de informatie uit Australië níet de startinformatie kan zijn geweest en het onderzoek daarvoor al liep. Uit het dossier blijkt evenwel niet op basis waarvan en hoe het onderzoek dan wel is gestart. Door het geven van deze onjuiste voorstelling van zaken is doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekortgedaan, zodat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aldus de raadsman.

Schending van het Tallon-criterium

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat de verdachte door het optreden van de politie is gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet reeds tevoren was gericht. De verdachte wilde slechts nagaan of het verkrijgen van een wapen via het internet daadwerkelijk zo makkelijk was als hij had gelezen in een spannend boek. Zulks werd hem echter zó gemakkelijk gemaakt dat hij zich steeds meer ging afvragen of het echt was, waardoor hij er steeds verder in is meegezogen. Zonder deze actie van de politie zou de conclusie van de verdachte zijn geweest dat het helemaal niet gemakkelijk is om via het internet een vuurwapen te kopen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de raadsman met betrekking tot de start van het onderzoek een onjuiste interpretatie heeft van het dossier en het verweer daarmee feitelijke grondslag mist. Immers, uit het dossier kan worden gedestilleerd dat de politie op 3 mei 2017 is benaderd door de Australian Federal Police en het onderzoek is gestart nadat de verdachte zélf het initiatief had genomen de gebruiker van het e-mailadres [naam e-mailadres] te benaderen. Dat de informatie van de Australische opsporingsautoriteiten pas op 8 mei 2017 is geverbaliseerd, zoals ook door de officier van justitie op zitting nog eens is toegelicht, maakt dit niet anders. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Het verweer omtrent de schending van het zogenaamde Tallon-criterium wordt eveneens verworpen. Het staat immers vast dat de verdachte zelf op 3 mei 2017, door middel van een geëncrypt e-mailadres, initiatief heeft genomen contact te leggen met de informant over de aanschaf van een wapen en dit contact nagenoeg een maand heeft onderhouden. Ter terechtzitting heeft de verdachte voorts verklaard dat zijn wil en opzet was gericht op het bemachtigen van een vuurwapen via het “dark web”: hij stelde dermate geïntrigeerd te zijn dat hij steeds verder ging. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt reeds hieruit dat het opzet van de verdachte van meet af aan was gericht op de koop van een wapen. Daarnaast is op geen enkele wijze gebleken dat hij door het optreden van de undercover politieagent is bewogen tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet reeds was gericht.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte geen opzet had op het verkrijgen van een vuurwapen. Zijn opzet was slechts daarin gelegen dat hij wilde nagaan of het daadwerkelijk zo gemakkelijk was om via het internet een vuurwapen aan te schaffen.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Vaststaat dat de verdachte op 3 mei 2017 contact heeft opgenomen met de informant over de aanschaf van een vuurwapen met bijbehorende munitie. De verdachte is met de informant een geldbedrag van € 1.700,- overeengekomen als aankoopbedrag voor het vuurwapen en heeft op 31 mei 2017 afgesproken in het Van der Valk-hotel te Vianen voor de overdracht. Ook staat vast dat de verdachte op 31 mei 2017 daadwerkelijk is verschenen op de afspraak, met het afgesproken geldbedrag, bestaande uit 34 briefjes van € 50,-, op zak.

Naar het oordeel van de rechtbank leveren deze gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm een begin van uitvoering op, gericht op de voltooiing van het voorhanden krijgen van een vuurwapen.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot voorhanden krijgen van een vuurwapen.

5.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan op die wijze dat:

hij in de periode van 1 mei 2017 tot en met 31 mei 2017 te Hilversum en Vianen,

ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om een vuurwapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten een Glock 17 en munitie (behorend bij de Glock 17) als bedoeld in artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet Wapens en Munitie, voorhanden te krijgen

het navolgende heeft gedaan

- e-mailberichten gestuurd over de afname van het wapen en de munitie, en

- met de verkoper een afspraak gemaakt over de aankoop en/of verkoop van het wapen en de munitie, en

- met de verkoper per e-mail een afspraak gemaakt om voor 1700 euro een

wapen te kopen en- op de afgesproken plek is verschenen met het afgesproken bedrag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

6 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen feit levert op:

poging tot handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en munitie van categorie II.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

7 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering van de straf

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan, alsmede de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van de Wet wapens en munitie door te trachten een vuurwapen aan te schaffen via het zogenoemde “dark web”. Hij had daartoe veelvuldig contact met een persoon waarvan hij dacht dat het een wapenleverancier was. Dat bleek echter een undercoveragent te zijn. Direct na de ontmoeting bij een hotel met deze “leverancier” werd de verdachte dan ook aangehouden.

Dit is een ernstig strafbaar feit: hij had zich moeten realiseren dat het ongecontroleerd bezit van een vuurwapen een onaanvaardbaar gevaar voor de veiligheid van anderen in het leven roept. De ervaring leert namelijk dat het bezit hiervan al te gemakkelijk leidt tot het gebruik ervan, en dat het daarnaast ook kan leiden tot ongevallen met ernstige gevolgen.

Dit brengt de rechtbank ertoe bij de straftoemeting allereerst te letten op de normhandhaving en de generale preventie.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 17 oktober 2017, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het over de verdachte uitgebrachte (beknopte) reclasseringsadvies gedateerd op 2 juni 2017 van [naam medewerker reclassering] , reclasseringsmedewerker bij Reclassering Nederland, waaruit onder meer blijkt dat de reclassering geen begeleidingsmogelijkheden of –behoeften ziet.

Gelet op de ernst van het gepleegde feit, kan naar het oordeel van de rechtbank in beginsel niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Evenals de officier van justitie voorstaat, zal daar in dit geval van worden afgezien. De verdachte heeft zijn leven goed op orde en het lijkt om een incident te gaan. De rechtbank zal de verdachte derhalve een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen als ernstige waarschuwing aan de verdachte dat hij zich dient te onthouden van het plegen van soortgelijke (en andere) strafbare feiten.

Daarnaast acht de rechtbank de oplegging van een onvoorwaardelijke taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid passend en geboden.

9 In beslag genomen voorwerpen

9.1.

Verbeurdverklaring

Het onder de verdachte in beslag genomen geldbedrag van € 1.700,-, zoals vermeld en omschreven op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen die als bijlage III aan dit vonnis is gehecht, zal conform de eis van de officier van justitie verbeurd worden verklaard. Het geldbedrag behoort immers de verdachte toe en het was bestemd voor het begaan van het bewezen feit.

9.2.

Teruggave aan de verdachte

Ten aanzien van het eveneens onder de verdachte in beslag genomen en op voornoemde lijst vermelde andere twee geldbedragen van in totaal € 35,00 zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen

14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a en 45 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede

26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand;

bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 114 (honderdveertien) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 57 dagen;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- gelast de teruggave aan de verdachte van het op voornoemde lijst onder 2 en 3 vermeld geldbedrag van (in totaal) € 35,00.

-verklaart verbeurd als bijkomende straf het onder 1 vermelde geldbedrag van € 1.700,-;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.M. Koevoets, voorzitter,

mr. F.W. van Lottum en mr. J.C. Tijink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Ince, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 november 2017.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2017 tot en met 31 mei 2017 te Hilversum en/of Vianen, althans in Nederland

ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om een vuurwapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten een Glock 17 en/of munitie (behorend bij de Glock 17) als bedoeld in artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet Wapens en Munitie, voorhanden te krijgen

het navolgende heeft gedaan

- een of meer e-mailbericht(en) gestuurd over de afname van het wapen en de munitie, en/of

- met de verkoper een afspraak gemaakt over de aankoop en/of verkoop van het wapen en de munitie, en/of

- met de verkoper per e-mail een afspraak gemaakt om voor ongeveer 1700 euro een

wapen te kopen en/of

- op de afgesproken plek verschenen met het afgesproken bedrag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.