Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:10822

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-11-2017
Datum publicatie
05-03-2018
Zaaknummer
10/960043-17 en 05/150382-13 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk telen van hennep en het voorhanden krijgen van een verboden wapen, munitie en geluidsdemper.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/960043-17 + 05/150382-13 (TUL)

Uitspraakdatum: 16 november 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Grave,

bijgestaan door mr. G.F. Schadd, advocaat te Arnhem.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 2 november 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding.

De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis van de officier van justitie

De officier van justitie mr. B.C. Niks heeft gerekwireerd tot

  • -

    bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten, met een partiële vrijspraak voor het “medeplegen” van de onder 4 en 5 ten laste gelegde feiten;

  • -

    veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht;

  • -

    verbeurdverklaring van de onder de verdachte in beslag genomen geldbedragen.

4 Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde feit. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat blijkens de ‘Aanwijzing Opiumwet van het College van procureurs-generaal’ het openbaar ministerie niet tot vervolging overgaat indien sprake is van het voorhanden hebben van minder dan 0,5 gram harddrugs. Nu de in de tenlastelegging genoemde hoeveelheid slechts 0,4 gram betreft, is er gehandeld in strijd met voornoemde aanwijzing.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat de aanwijzing waar de raadsman op doelt, slechts van toepassing in de gevallen waarin het voorhanden hebben van minder dan 0,5 gram harddrugs op zichzelf staat en niet in verband kan worden gebracht met andere (soortgelijke) strafbare feiten. In onderhavige zaak maakt het feit deel uit van een groter feitencomplex: de opsporing en vervolging zijn niet afzonderlijk gericht op het voorhanden hebben van de heroïne. De rechtbank verwerpt aldus het verweer van de raadsman.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Beroep op bewijsuitsluiting

De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het onderzoek onrechtmatig heeft plaatsgevonden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het afgegeven bevel ziet op stelselmatige informatie-inwinning als bedoeld in artikel 126j van het Wetboek van Strafvordering (Sv), terwijl in onderhavige zaak sprake is van een pseudokoop en daarvoor een bevel als bedoeld in artikel 126i Sv nodig was. Daarmee is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv, waarbij een inbreuk is gemaakt op het grondrecht van artikel 8 EVRM. Het door dit vormverzuim verkregen bewijsmateriaal mag niet bijdragen aan het bewijs van de ten laste gelegde poging tot voorhanden krijgen van een vuurwapen. Bij die stand van zaken resteert onvoldoende bewijs om tot een bewezenverklaring te komen en dient de verdachte te worden vrijgesproken van de hem onder 1 verweten gedraging, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

De verdachte had zich op internet gepresenteerd als koper van een vuurwapen. De “verkoper” met wie hij vervolgens tot verkoop strekkende afspraken had gemaakt bleek echter een politie-informant te zijn, hetgeen de verdachte pas na zijn aanhouding besefte.

Uit het dossier is komen vast te staan dat deze politie-informant nooit de intentie heeft gehad, blijkende ook uit de instructie van zijn leidinggevende, om daadwerkelijk tot verkoop van een vuurwapen over te gaan. Uit het arrest van de Hoge Raad van 30 september 20031 volgt dat in dergelijke gevallen óók geen sprake is van pseudo(ver)koop in de zin van artikel 126i Sv, zodat geen bevel tot pseudo(ver)koop nodig was.

Van enig vormverzuim is daarom geen sprake. Het verweer wordt verworpen.

5.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.

hij in de periode van 12 januari 2017 tot en met 7 februari 2017 te Arnhem en Duiven,

ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om

een wapen, als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie II onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet, van het merk Smith & Wesson, model 2213, en

munitie, in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet van de categorie II, te weten 500 patronen bestemd voor een Smith & Wesson, model 2213, en

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie I onder 3 van de Wet wapens en munitie, te weten een geluiddemper

voorhanden te krijgen,

het navolgende heeft gedaan:

- e-mailberichten gestuurd over de afname van vuurwapens en munitie en een geluiddemper, en

- met de verkoper een afspraak gemaakt over de aankoop van een vuurwapen en munitie en een geluiddemper, en

- met de verkoper per e-mail een overeenkomst gesloten om voor 2100 euro een vuurwapen en munitie en geluiddemper te kopen, en

- ter overdracht van het vuurwapen en munitie en een geluiddemper op 7 februari 2017 verschenen op een afspraak met de verkoper

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

hij in de periode van 1 oktober 2016 tot en met 8 februari 2017 te Arnhem in een pand aan de [adres delict]

tezamen en vereniging met een ander

opzettelijk een grote hoeveelheid van (ongeveer) 282 hennepplanten zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt.

3.

hij in de periode van 1 oktober 2016 tot en met 8 februari 2017 te Arnhem in een pand aan de [adres delict]

tezamen en in vereniging met een ander

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam netbeheerder] ,

waarbij verdachte en/of zijn mededader het weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van verbreking.

4.

hij op 7 februari 2017 te Arnhem in zijn woning aan de [adres verdachte]

opzettelijk een hoeveelheid van 533,3 gram hennep , zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IIaanwezig heeft gehad.

5.

hij op 7 februari 2017 te Arnhem in zijn woning aan de [adres verdachte]

opzettelijk een hoeveelheid van 0,4 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, aanwezig heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen feiten leveren op:

ten aanzien van feit 1:

poging tot handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II

en

poging tot handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

en

poging tot handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

ten aanzien van feit 2:

het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

ten aanzien van feit 3:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

ten aanzien van feit 4:

het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

ten aanzien van feit 5:

het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

7 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering van de straf

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, alsmede de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de overtreding van de Wet wapens en munitie door te trachten een vuurwapen met een geluiddemper en munitie aan te schaffen via het zogenoemde “Darkweb”. Hij had daartoe veelvuldig contact met een persoon waarvan hij dacht dat het een wapenleverancier was. Dat bleek echter een politie-informant te zijn. Direct na de ontmoeting bij een hotel met deze “leverancier” werd de verdachte dan ook aangehouden. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het telen en het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid hennep. De rechtbank kan zich, gelet op de combinatie van deze strafbare feiten, niet aan de indruk onttrekken dat de verdachte het vuurwapen mogelijkerwijs in het criminele circuit wilde gebruiken. Dit brengt de rechtbank ertoe bij de straftoemeting allereerst te letten op de normhandhaving en de generale preventie.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op een uittreksel justitiële documentatie van 6 oktober 2017, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder voor overtreding van de Opiumwet is veroordeeld. Deze veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden te recidiveren. De rechtbank weegt deze omstandigheid ernstig ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies gedateerd 7 april 2017 van [naam medewerker reclassering] , reclasseringswerker bij Reclassering Nederland, waarin wordt geadviseerd een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarbij diverse bijzondere voorwaarden geïndiceerd zijn, waaronder een meldplicht, een locatiegebod en de verplichting zich in te spannen om legale inkomsten en een betaalde baan te behouden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op de ernst van de gepleegde feiten niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie jaren, opdat verdachte er hopelijk van zal worden weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan nieuwe strafbare feiten. Daarnaast acht de rechtbank met het oog op het terugdringen van het recidiverisico verplichte begeleiding door de reclassering noodzakelijk. Een dergelijke verplichting zal als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden. De rechtbank ziet geen aanleiding tot het opleggen van de overige door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

9 In beslag genomen voorwerpen

9.1.

Verbeurdverklaring

Het onder de verdachte in beslag genomen geldbedrag van € 2.100,-, zoals vermeld en omschreven op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, zal conform de eis van de officier van justitie verbeurd worden verklaard. Het bedrag behoort immers de verdachte toe en was bestemd voor het begaan van het onder 1 bewezen feit.

9.2.

Teruggave aan de verdachte

Ten aanzien van de eveneens onder de verdachte in beslag genomen en op voornoemde lijst vermelde geldbedragen van (in totaal) € 3.040,70 zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte. Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om vast te stellen dat dit geld is verkregen door middel van strafbare feiten of dat het ervoor bestemd is geweest.

10 Vordering tenuitvoerlegging

10.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 24 juli 2014 van de politierechter in de rechtbank Gelderland is de verdachte in de zaak met parketnummer 05/150382-13 veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, waarvan een gedeelte groot 40 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De proeftijd is ingegaan op 9 februari 2016.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijk gedeelte van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde straf.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen

14a, 14b, 14c, 33, 33a, 45, 47, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede

2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet,

en 13, 26, 55 van de Wet wapens en munitie.

12 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

13 Beslissing

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden, bepaalt dat een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 3 jaren, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

  • -

    de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

  • -

    de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal melden

bij en houden aan de aanwijzingen te geven door Reclassering Nederland, zo lang en

frequent als de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van

de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart verbeurd als bijkomende straf het geldbedrag van € 2.100,-

- gelast de teruggave aan de verdachte van het geldbedrag van € 3.040,70;

heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte;

gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland in de zaak met parketnummer 05/150382-13 aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 40 uren.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.M. Koevoets, voorzitter,

mr. F.W. van Lottum en mr. W.H.S. Duinkerke, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Ince, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 november 2017.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 12 januari 2017 tot en met 7 februari 2017 te Arnhem en/of Duiven, althans in Nederland

ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om

een wapen, als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie II onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet, van het merk Smith & Wesson, model 2213, en/of

munitie, in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet van de categorie II, te weten 500 patronen bestemd voor een Smith & Wesson, model 2213, en/of

munitie, in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet van de categorie II, te weten 500 patronen bestemd voor een Smith & Wesson, model 2213, en/of

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie I onder 3 van de Wet wapens en munitie, te weten een geluiddemper

voorhanden te krijgen,

het navolgende heeft gedaan:

- een of meer e-mailbericht(en) gestuurd over de afname van (een) (vuur)wapen(s) en/of munitie en/of geluiddemper, en/of

- met de verkoper een afspraak gemaakt over de aankoop van (een) (vuur)wapen(s) en/of munitie en/of geluiddemper, en/of

- met de verkoper per e-mail een overeenkomst gesloten om voor 2100 euro een (vuur)wapens en/of munitie en/of geluiddemper te kopen, en/of

- ter overdracht van het (vuur)wapen en/of munitie en/of geluiddemper op 7 februari 2017 verschenen op een afspraak met de verkoper

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2016 tot en met 8 februari 2017 te Arnhem in een pand aan de [adres delict]

tezamen en vereniging met een ander of ander(en), althans alleen

opzettelijk een (grote) hoeveelheid van (ongeveer) 282 hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad.

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2016 tot en met 8 februari 2017 te Arnhem in een pand aan de [adres delict]

tezamen en in vereniging met een ander(en), althans alleen

(telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam netbeheerder] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of het weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.

4.

hij op of omstreeks 7 februari 2017 te Arnhem in zijn woning aan de [adres verdachte]

tezamen en vereniging met een ander of anderen, althans alleen

opzettelijk een hoeveelheid van 533,3 gram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, aanwezig gehad.

5.

hij op of omstreeks 7 februari 2017 te Arnhem in zijn woning aan de [adres verdachte]

tezamen en vereniging met een ander of anderen, althans alleen

opzettelijk een hoeveelheid van 0,4 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, aanwezig gehad.

1 HR 30 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7331.