Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:1067

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-01-2017
Datum publicatie
10-02-2017
Zaaknummer
16/678
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurlijke boete opgelegd wegens overtreding van artikel 5:58, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Wet op het financieel toezicht (marktmanipulatie). Schijnhandel. Eiser heeft via de beurs tien participaties verkocht tegen door een ander gedicteerde, steeds oplopende limieten, terwijl de beurstransacties niet leidden tot een feitelijke wijziging van de positie van eiser. Daarnaast was sprake van intentioneel handelen met het oog op het houden of brengen van de koers op een kunstmatig niveau. Overschrijding van de redelijke termijn. Het beroep is gegrond voor zover het is gericht tegen de hoogte van de aan eiser opgelegde boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 16/678

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 januari 2017 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. P.W. Tubbergen,

en

Stichting Autoriteit Financiële Markten, verweerster (AFM),

gemachtigde: mr. F.E. de Bruijn.

Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2014 (het boetebesluit) heeft de AFM eiser een bestuurlijke boete van

€ 15.000,- opgelegd wegens overtreding van artikel 5:58, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet op het financieel toezicht (Wft). De AFM heeft voorts besloten het bestreden besluit openbaar te maken door publicatie daarvan (het publicatiebesluit).

Bij uitspraak van 17 oktober 2014 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek om voorlopige voorziening van eiser gedeeltelijk toegewezen en de AFM opgedragen in het te publiceren boetebesluit en overige publicaties de persoonlijke gegevens van eiser onleesbaar te maken.

Bij besluit van 28 december 2015 (het bestreden besluit) heeft de AFM het boetebesluit in stand gelaten en is in zoverre het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Het publicatiebesluit heeft de AFM herroepen voor zover daaruit voortvloeit dat het boetebesluit integraal, met persoonsgegevens van eiser, is gepubliceerd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De AFM heeft een verweerschrift ingediend.

De AFM heeft twee stukken overgelegd en de rechtbank op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) medegedeeld dat uitsluitend zij kennis zal mogen nemen van deze stukken. Op 25 november 2016 heeft de rechter-commissaris beslist dat beperking van de kennisneming van de betreffende stukken gerechtvaardigd is.

Eiser heeft de rechtbank geen toestemming gegeven mede op de grondslag van deze stukken uitspraak te doen. De rechtbank heeft de stukken vervolgens aan de AFM terug gestuurd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Eiser heeft als getuige de heer [A 1] ([A 2]) meegebracht. De AFM heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, die werd vergezeld door mr. A.J. Boorsma en [B] (toezichthouder).

Overwegingen

Feitenoverzicht

1.1. [

C 1] ([C 2]) was een closed-end fonds dat in 2010 via een zogenaamde reverse take over een beursgang aan de NYSE Euronext Amsterdam (Euronext) heeft gemaakt. Het totaal aantal uitgegeven participaties [C 2] bedroeg 621 met een koers tussen 2010 en begin 2012 van circa € 55.000 per participatie. De participaties [C 2] waren zogenoemde illiquide participaties, hetgeen betekent dat er niet veel handel in de participaties plaatsvond. In 2010 vonden drie transacties van [C 2] op Euronext plaats, in 2011 geen. In de periode tussen januari 2012 tot en met april 2012 werden 214 participaties [C 2] op de beurs verhandeld. Daarbij liet de koers van de participaties een opvallend sterke stijging zien. In de periode tussen 10 januari 2012 en 3 april 2012 is de koers van de participaties [C 2] gestegen van € 55.000,- per participatie naar € 161.750,- per participatie. Op 28 maart 2012 zijn de participaties omgedoopt tot [D] en met ingang van 4 april 2012 zijn de participaties gesplitst in een verhouding van 1:25.000. Eind 2012 is [D] ontbonden.

1.2. [

A 2] was enig aandeelhouder en bestuurder van [E] en grootparticipant van [C 2]. Begin 2012 werd bekend dat [A 2] voornemens was de [F] (in Nederland) en [G] (in België) over te nemen, om als beleggingen aan het fonds [D] toe te voegen. De financiering zou geschieden door de verkoop van de participaties [C 2] door [A 2].

1.3.

Eiser is oud-ondernemer. Het bedrijf dat hij samen met zijn vader had is in 2008 verkocht. In 2010 heeft eiser één participatie [C 2] gekocht voor een bedrag van € 62.500,-.

1.4.

Op 11 januari 2012 heeft eiser door middel van een overboeking om niet tien participaties [C 2] van [I] ontvangen. Op vrijdag 17 februari 2012 heeft eiser op verzoek van [A 2] opdracht gegeven aan de bank om de tien participaties [C 2] met spoed terug te boeken naar de rekening van [I].

Als stuk 11 is overgelegd de overboeking logging. Daarin staat dat de overboeking naar [I] Holding van tien participaties [C 1] is geautoriseerd op 20 februari 2012 om 9:32 uur.

Als stuk 14 is een mail van de bank overgelegd met onder meer de volgende tekst:

‘(…) 17-feb Belde de heer [J], hij wilde een 10 stuks van de aandelen [C 1] effectenoverboeking doen richting [I] Holding. Nagebeld of fit (rechtbank: dit) mogelijk was en vervolgens papieren in orde gamaakt (rechtbank: gemaakt) zodat hij deze maandagochtend direct kon (rechtbank: onleesbaar woord). Maandag zou ik zelf niet aanwezig zijn.

In de ochtend belde de heer [J] weer omdat hij via internetbankieren zijn effecten [C 1] niet kon verkopen. Een andere collega heeft de heer te woord gestaan en verteld dat de transactie niet kon worden gedaan omdat deze in de wacht staan om goedgekeurd te worden voor overheveling naar de portefeuille van [I] Holding zoals vrijdag gesproken. De heer [J] wilde ze perse tijdens de opening van de koers verkopen en wilde de overboeking annuleren.

Een leidinggevende werd ingeschakeld om de transactie die op vrijdag waren ingevoerd te annuleren. In eerste instantie werd het verkeerd begrepen en zijn de transacties goedgekeurd die was niet de bedoeling dus is er een afdeling gebeld om deze transactie weer terug te boeken. Vervolgens kon de heer [J] 1,5 uur later dan gepland de transactie via internetbankieren uitvoeren.(…)’

1.5.

Eiser heeft tussen 10:35:36 uur en 10:43:13 uur zes verkooporders ingelegd voor in totaal tien participaties [C 2]. De participaties zijn gekocht door [A 2] en zijn voormalige echtgenote [K]. De bruto opbrengst van de verkoop bedraagt € 814.750,-. Op 21 februari 2012 heeft eiser € 800.000,- gestort op de rekening van [A 2]. De omschrijving van de overboeking luidt ‘overboeking 10 participaties minus beheer en transactiekosten volgens afspraak’. Eiser heeft de participatie die hij al in bezit had diezelfde ochtend om 8:42:38 uur ingelegd met een verkooporder met een limiet van € 84.500,-. Deze participatie werd door [K] gekocht voor het genoemde bedrag. De slotkoers van de vorige dag was € 79.800,-.

1.6.

Forse koersstijgingen sinds 10 januari 2012 van participaties van [C 2] waren aanleiding voor de AFM om begin 2012 een onderzoek te starten naar [C 2]. Het onderzoek was gericht op de vraag of [A 2] in samenwerking met anderen het verbod op marktmanipulatie heeft overtreden. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport van 11 september 2013. Het onderzoek heeft ertoe geleid dat de AFM onder meer aan eiser een bestuurlijke boete heeft opgelegd wegens overtreding van artikel 5:58, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wft.

1.7.

Als stuk 24 is overgelegd een transactiedetail. De bank schrijft op 8 mei 2012 een bedrag van € 742,46 over naar de rekening van eiser onder vermelding van: ‘boeking inzake debetrentevergoeding zoals besproken’. [L] van het filiaal [M] heeft daarop handgeschreven aangegeven ‘transactie 20 febr. 2012 !’

Bestreden besluit

2.1.

Aan de boeteoplegging, die bij het bestreden besluit is gehandhaafd, heeft de AFM ten grondslag gelegd dat eiser op 20 februari 2012 artikel 5:58, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, Wft heeft overtreden door via de beurs tien participaties [C 2] aan [A 2] te verkopen tegen door [A 2] gedicteerde, steeds oplopende limieten, terwijl de beurstransacties niet leidden tot een feitelijke wijziging van de positie van eiser in [C 2].

2.2.

De AFM stelt dat van de transacties op 20 februari 2012 een onjuist of misleidend signaal uit ging met betrekking tot het aanbod en de koers van participaties [C 2], althans dat dit was te duchten. De AFM stelt zich op het standpunt dat op zijn minst genomen sprake is van zogenoemde wash trades, waarbij afspraken worden gemaakt over het aangaan van koop- en verkoopovereenkomsten in financiële instrumenten waarbij geen sprake is van veranderingen in eigendom of marktrisico of waarbij deze worden overgedragen aan samenspannende personen. De AFM is van opvatting dat met betrekking tot deze tien participaties in het geheel geen handel heeft plaatsgevonden, omdat de beschikkingsmacht bij [A 2] is gebleven. Deze tien participaties zijn op 11 januari 2012 door [A 2] om niet naar eiser overgeboekt en onder controle van [A 2] gebleven. Door zowel als aanbiedende als vragende partij te hebben opgetreden, heeft in economische zin geen handel, maar slechts schijnhandel plaatsgevonden. Met de transacties suggereerde eiser een toename van het aanbod van de participaties [C 2] op de beurs en werd het handelsvolume vergroot. De beleggers wisten echter niet dat de controle over de participaties en het marktrisico van de participaties niet overging en dat er dus geen sprake was van een werkelijk (toegenomen) aanbod van participaties [C 2].

2.3.

Daarnaast is volgens de AFM sprake geweest van een intentioneel handelen met het oog op het houden of brengen van de desbetreffende koers op een kunstmatig niveau. Eiser heeft participaties ingelegd tegen door [A 2] gedicteerde limieten, terwijl hij wist althans kon weten dat [A 2] de participaties zou uitnemen en dit zou leiden tot een stijging van de koers van de participaties [C 2] die als kunstmatig moet worden aangemerkt. Hoewel dit in praktijk wel is gebeurd, is niet maatgevend of dit handelen daadwerkelijk heeft geleid tot een kunstmatig niveau. De koers was niet het resultaat van een integer proces van vraag en aanbod. Dat eiser niet wist of had moeten weten dat [A 2] de koper was van de participaties volgt de AFM niet.

Wettelijk kader

3. Op grond van artikel 5:58, eerste lid, van de Wft, voor zover hier van belang en zoals dit artikel destijds luidde, is het verboden om:

a. een transactie of handelsorder in financiële instrumenten te verrichten of te bewerkstelligen waarvan een onjuist of misleidend signaal uitgaat of te duchten is met betrekking tot het aanbod van, de vraag naar of de koers van die financiële instrumenten, tenzij degene die de transactie of handelsorder heeft verricht of bewerkstelligd, aantoont dat zijn beweegreden om de transactie of handelsorder te verrichten of te bewerkstelligen gerechtvaardigd is en dat de transactie of handelsorder in overeenstemming is met de gebruikelijke marktpraktijk op de desbetreffende gereglementeerde markt of de desbetreffende multilaterale handelsfaciliteit waarvoor de beleggingsonderneming een vergunning heeft als bedoeld in artikel 2:96;

b. een transactie of handelsorder in financiële instrumenten te verrichten of te bewerkstelligen teneinde de koers van die financiële instrumenten op een kunstmatig niveau te houden, tenzij degene die de transactie of handelsorder heeft verricht of bewerkstelligd, aantoont dat zijn beweegreden om de transactie of handelsorder te verrichten of te bewerkstelligen gerechtvaardigd is en dat de transactie of handelsorder in overeenstemming is met de gebruikelijke marktpraktijk op de desbetreffende gereglementeerde markt of de desbetreffende multilaterale handelsfaciliteit waarvoor de beleggingsonderneming een vergunning heeft als bedoeld in artikel 2:96.

Overtreding

4. Eiser voert als beroepsgrond aan dat geen sprake is van een overtreding van artikel 5:58 Wft.

4.1.

Volgens eiser zijn de participaties naar hem overgeboekt als borg, zodat hij zijn eigen participatie [C 2] niet zou verkopen. De tien participaties bleven eigendom van [A 2]. Tussen partijen is niet in geschil dat de tien participaties na 11 januari 2012 onder controle van [A 2] zijn gebleven en dat eiser deze na instructie van [A 2] met een opgave van steeds oplopende limieten heeft verkocht via de beurs. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij niet wist of had moeten weten dat [A 2] de participaties zelf kocht.

4.2.

De rechtbank is van oordeel dat de AFM zich terecht op het standpunt stelt dat eiser wist of had moeten weten dat [A 2] de koper was van deze tien participaties [C 2] die hij op 20 februari 2012 heeft verkocht. Dit kan uit de volgende verklaringen worden afgeleid.

Tijdens het zienswijzegesprek van 1 oktober 2013 heeft eiser verklaard:

“Op vrijdag 17 februari 2012 wilde de heer [A 2] de participaties ineens terug hebben in verband met een financiering. Om welke financiering het ging, weet ik niet. Toen het door een fout van de bank niet lukte om de tien participaties tijdig terug te boeken, heb ik ze op maandagochtend 20 februari 2012 via de beurs moeten verkopen. Het kon volgens de heer [A 2] niet langer wachten, hij was echt hyper en moest en zou de stukken die ochtend terug krijgen. [A 2] heeft op 20 februari 2012 gezegd dat “ik ze anders maar moest verkopen omdat hij ([A 2]) ze echt moest hebben”.

Ook in eisers verklaring (aantekeningen [J] t.b.v. mondelinge zienswijze) staat:

“Dhr. B. [A 2] belde mij al vroeg dat de participaties nog niet op zijn account stonden en ik ze anders maar moest verkopen omdat hij ze echt moest hebben (…). Dhr. [A 2] belde wederom aangezien hij een afspraak had staan en hij deze 10 participaties moest overleggen bij de afspraak die hij later op de dag had”.

In het verslag van de zienswijzezitting van 30 september 2013 van [A 2] staat vermeld:

“De heer [A 2] geeft aan dat hij en de heer [J] telefonisch afspraken de stukken dan maar via de beurs terug te leveren aan de heer [A 2]. De heer [A 2] vertelt nogmaals dat hij niet langer kon wachten, hij moest gewoon weer over die aandelen beschikken.”

Ook tijdens de zitting bij de rechtbank heeft [A 2] als getuige verklaard dat hij eiser meerdere malen om de participaties heeft verzocht en dat hij heeft vermeld dat hij de participaties nodig had. Voor eiser had duidelijk kunnen en moeten zijn dat [A 2] de participaties zelf terug wilde hebben en dat het inleggen van de verkooporders op Euronext als resultaat zou hebben dat [A 2] de participaties zou uitnemen. Dat [A 2] eventueel genoegen zou nemen met de financiële opbrengst van de verkoop van de participaties is gelet op voorgaande verklaringen onaannemelijk.

4.3.

De AFM acht het voorts terecht onaannemelijk dat [A 2], uitsluitend om eiser ertoe te bewegen zijn ene participatie [C 2] niet te verkopen, tien participaties met een totale waarde van destijds meer dan een half miljoen euro om niet naar eiser heeft overgeboekt. Dat [A 2] hiermee vertrouwen in [C 2] wilde uitstralen, overtuigt niet. Voorts ligt het niet in de rede dat [A 2] om niet tien participaties [C 2] naar eiser overboekt en eiser in verband hiermee een aanzienlijke beheersvergoeding verstrekt zonder dat daar een afspraak aan ten grondslag ligt over een tegenprestatie van eiser. Dat er (vooraf) geen andere afspraken waren tussen eiser en [A 2] dan over de prijslimieten heeft eiser niet aannemelijk kunnen maken. Dat de vergoeding van beheer- en transactiekosten pas na de verkoop via de beurs door eiser zou zijn bedongen, blijkt nergens uit. In tegenstelling tot wat eiser stelt kan dit niet worden afgeleid uit de overgelegde e-mail van 20 februari 2012. Daarop staat slechts handgeschreven ‘€ 800.000,- overboeken: [N] [A] [O] minus beheer-transactiekosten. Volgens afspraak!’. Hieruit volgt juist dat er een afspraak bestond. Het moment waarop de afspraak is gemaakt kan hiermee echter niet worden aangetoond. Dat eiser bij de betaling van de beursopbrengst aan [A 2] een bedrag voor beheer- en transactiekosten heeft afgetrokken duidt naar het oordeel van de rechtbank ook op (voorafgaande) wetenschap van de koop door [A 2].

4.4.

Dat eiser onder druk is gezet door [A 2] om aan deze handelwijze mee te werken dan wel dat hij dacht winst voor [A 2] te hebben gemaakt, kan aan het voorgaande niet af doen. Van [J] als ‘speler op de markt’ mag worden verwacht dat hij de regels kent en dat hij door aldus te handelen willens en wetens het risico heeft genomen dat de markt is gemanipuleerd, althans dat te duchten is dat de markt wordt gemanipuleerd.

4.5.

Eisers beroepsgrond slaagt niet.

5. Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat eiser, tegen een vergoeding van ruim € 14.000,-, samen met [A 2] de markt in participaties [C 2] heeft gemanipuleerd door in te stemmen met het terug verkopen van de participaties via de beurs door het inleggen van verkooporders met steeds hoger oplopende en door [A 2] gedicteerde limieten waardoor de koers van [C 2] verder kon stijgen. De verkooptransacties hebben feitelijk niet geleid tot een wijziging in de positie van eiser in [C 2] aangezien de participaties steeds onder controle zijn gebleven van [A 2], zodat de transacties niet het resultaat waren van een integer proces van vraag en aanbod. De orders op maandag 20 februari 2012 werden uitsluitend ingelegd om de koers te beïnvloeden. Door de transacties werd de illusie gecreëerd dat er veel handel was in het fonds en dat er, gezien de steeds verder oplopende koers, grote vraag naar de participaties was. Deze handelwijze van eiser levert een overtreding op van artikel 5:58, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wft. De AFM was dan ook op grond van artikel 1:80 van de Wft bevoegd aan eiser een bestuurlijke boete op te leggen vanwege deze overtreding.

Hoogte boete

6. Eiser voert als beroepsgrond aan dat de aan hem opgelegde boete (verder) dient te worden gematigd.

6.1.

Gelet op artikel 10 van het Boetebesluit financiële sector (Bbbfs) valt overtreding van artikel 5:58 van de Wft in boetecategorie 3. Voor deze categorie gold op grond van artikel 1:81 van de Wft, zoals dit artikel destijds luidde, het basisbedrag van € 2 miljoen.

6.2.

De AFM heeft in de mate van verwijtbaarheid van de overtreding aanleiding gezien de boete te verlagen met 25% ten opzichte van het basisbedrag. De AFM heeft in dit verband geconcludeerd dat het oorspronkelijk niet de intentie van eiser was om de om niet verkregen participaties aan [A 2] via de beurs terug te leveren en hij eerst heeft geprobeerd via de bank OTC te leveren. Voorts is rekening gehouden met de omstandigheid dat eiser onder druk is gezet door [A 2] om te handelen zoals gedaan. De AFM heeft niet met 50% gematigd, omdat het om een omvangrijke overtreding gaat en op eiser wel een eigen verantwoordelijkheid rustte om zich te houden aan de regels ter voorkoming van marktmisbruik. In de ernst en de duur van de overtreding heeft de AFM geen aanleiding gezien de boete te verhogen of te verlagen. Op grond van de draagkracht van eiser heeft de AFM de boete gematigd tot 5% (€ 75.000,-). Op grond van de evenredigheid, waarbij is meegewogen dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet was opgewassen tegen [A 2] en onnadenkend heeft gehandeld heeft de AFM gematigd tot € 15.000,-. Voor verdere matiging heeft de AFM geen aanleiding gezien. Gezien het beschikbare vermogen en het jaarlijkse inkomen van eiser acht de AFM eiser in staat deze boete te betalen.

6.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de AFM zich terecht op het standpunt gesteld dat voor verdere matiging van de boete op grond van verwijtbaarheid geen aanleiding bestond. Met de door eiser genoemde omstandigheid dat hij niet de intentie had om via de beurs terug te leveren heeft de AFM reeds rekening gehouden. Dat eiser niet wist of kon vermoeden dat [A 2] de participaties zou kopen wordt niet gevolgd, zoals hierboven reeds is overwogen. Voorts is de overtreding aanzienlijk van omvang en de impact van de handelingen op de markt niet beperkt te noemen, zodat op grond hiervan evenmin aanleiding bestond om de boete te matigen. Eiser heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat hij de opgelegde boete niet kan dragen. De verwijzing naar hoge ziektekosten, proceskosten, contante betalingen aan [A 2] en het noemen van geleden verlies is daartoe onvoldoende. De AFM heeft de boete reeds aanzienlijk verlaagd op grond van eisers jaarinkomen en eigen vermogen. Eiser heeft onvoldoende inzicht gegeven in zijn huidige financiële positie. Evenmin bestaat op grond van de evenredigheid aanleiding de boete te matigen. Een lagere boete doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de aard en ernst van de overtreding.

6.4.

Eisers beroepsgrond slaagt niet.

Overschrijding redelijke termijn

7. Voor zover eiser met zijn betoog dat de procedure te lang heeft geduurd een beroep doet op overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM), slaagt dat beroep. De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop een handeling is verricht waaraan betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een bestuurlijke boete zal worden opgelegd. (zie de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 9 april 2015, ECLI:NL:CBB:2015:121). De redelijke termijn is in deze zaak aangevangen op 12 september 2013, de datum waarop het voornemen tot boeteoplegging is meegedeeld en eiser het onderzoeksrapport is toegestuurd. In de voorliggende zaak zijn in tegenstelling tot wat de AFM betoogt geen bijzondere omstandigheden aan te wijzen die een langere behandeltermijn dan twee jaar rechtvaardigen. Dat marktmanipulatiezaken naar hun aard ingewikkeld kunnen zijn betekent niet automatisch dat verlenging van de termijn gerechtvaardigd is. De omstandigheid dat samenhang met andere overtreders bestaat aan wie een boete wegens marktmanipulatie is opgelegd wegens handel in participaties [C 2] is daarvoor onvoldoende, nu bij aanvang van de termijn het onderzoek al was afgerond.

In deze zaak wordt niet binnen twee jaar na het boetevoornemen uitspraak gedaan, de redelijke termijn is met meer dan één jaar overschreden. Volgens vaste rechtspraak van het CBb moet de opgelegde boete in dat geval worden gematigd met 10% van het boetebedrag, met een maximum van € 10.000,- per boete. De rechtbank zal de boete dan ook wegens overschrijding van de redelijke termijn matigen met € 1.500,-.

Publicatie

8. Bij de beslissing op bezwaar heeft verweerder op grond van het op dat moment geldende publicatieregime besloten vanwege de verminderde verwijtbaarheid van de overtreding en het gestelde ten aanzien van de evenredigheid van de boete het publicatiebesluit te herroepen en de overtreding anoniem gepubliceerd. Gelet op de conclusie van de rechtbank dat de bestuurlijke boete terecht is opgelegd en het bepaalde in artikel 1:97, eerste en vierde lid, van de Wft, zoals luidend ten tijde van het bestreden besluit, heeft de AFM terecht besloten de overtreding anoniem te publiceren. Eiser kan mitsdien niet gevolgd worden in zijn grond dat publicatie van de boete achterwege dient (of diende) te blijven.

8.1.

Voor zover eiser tevens heeft bedoeld dat de beslissing op bezwaar niet mocht worden gepubliceerd kan dat hier niet ter beoordeling staan. De AFM heeft apart beslist over de publicatie van het bestreden besluit en daartegen is geen rechtsmiddel ingesteld.

Conclusie

9. Gelet op het voorgaande is het beroep van eiser gegrond voor zover het is gericht tegen de hoogte van de aan hem opgelegde boete. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit in zoverre. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door het bezwaar van eiser gegrond te verklaren, het primaire besluit te herroepen voor zover daarbij de hoogte van de boete is vastgesteld op € 15.000,- en de hoogte van de aan eiser opgelegde boete vaststellen op € 13.500,- en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het

bestreden besluit.

10. Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat de AFM aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

11. De rechtbank veroordeelt de AFM in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand gemaakte kosten vast op € 990,-

(1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met -naar het tarief van 2017- een waarde per punt van € 495,- en wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond voor zover het is gericht tegen de hoogte van de aan eiser opgelegde boete,

  • -

    vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij de hoogte van de boete is vastgesteld op € 15.000,-;

  • -

    verklaart het bezwaar gegrond en herroept het primaire besluit in zoverre en bepaalt de hoogte van de aan eiser opgelegde boete op € 13.500,-;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit,

  • -

    bepaalt dat de AFM aan eiser het betaalde griffierecht van € 168,- vergoedt,

  • -

    veroordeelt de AFM in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van

€ 990,-,

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. Nifterick, voorzitter, en mr. E. Rutten en

mr. J.C.A.T. Frima, leden, in aanwezigheid van mr. E. Naaijen-van Kleunen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.