Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:10421

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-12-2017
Datum publicatie
19-02-2018
Zaaknummer
10/133508-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van brandstichting wegens het onvoldoende bewijs voor gemeen- of levensgevaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/133508-17

Datum uitspraak: 7 december 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte]

feitelijk verblijvende op het adres

[verblijfadres verdachte] , [verblijfplaats verdachte] ,

raadsman mr. G.R. Stolk, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 23 november 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. W.D. van den Berg heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 (alleen het aan de haren van het slachtoffer trekken) ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 217 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en met daaraan gekoppeld de algemene en bijzondere voorwaarden zoals voorgesteld door de reclassering in haar rapport van 17 oktober 2017;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf met een duur van 80 uren, te vervangen door 40 dagen jeugddetentie.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Vrijspraak feit 1 primair

4.2.1.

Standpunt van de verdediging

De verdachte moet worden vrijgesproken van de brandstichting die onder 1 primair ten laste is gelegd. Weliswaar erkent de verdachte dat zij brand heeft gesticht, maar niet kan worden bewezen dat daardoor op enig moment gemeen gevaar voor goederen of levensgevaar voor personen te duchten is geweest.

4.2.2.

Standpunt officier van justitie

De verdachte heeft in een ruimte die als magazijn van het restaurant diende brand gesticht doordat zij daar een theedoek en eierdozen in brand heeft gestoken. Hierdoor was te duchten dat door overslag van vuur gevaar voor de goederen die zich daar bevonden zou ontstaan, en ook levensgevaar voor personen in het restaurant.

4.2.3.

Beoordeling

Vast staat dat de verdachte op 14 juli 2017 opzettelijk brand heeft gesticht in een restaurant. Dat deed zij in een magazijn van dat restaurant. Zij heeft een aantal eierdozen en een doek in brand gestoken. Mogelijk heeft ze daarbij brandgel gebruikt.
Daarmee is nog niet gegeven dat er sprake was van de opzettelijke brandstichting zoals bedoeld in artikel 157 leden 1 en 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Daarvoor is vereist dat komt vast te staan dat door die brandstichting gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor anderen te duchten was. Dat is niet het geval. Uit het dossier kan namelijk niet worden afgeleid dat de door de verdachte gestichte brand daadwerkelijk gevaar voor andere goederen dan de zaken die in brand zijn gestoken, of levensgevaar voor personen had kunnen opleveren. Een onderzoek om die risico’s in kaart te brengen is niet gedaan. Zelfs de exacte plek in het magazijn waar de eierdozen en de theedoek in brand zijn gestoken kan niet worden bepaald en ook niet of er zich brandbare zaken bevonden binnen het bereik van het vuur dat de verdachte had aangestoken, waardoor het vuur zich verder zou hebben kunnen verspreiden.

Ook kan niet worden vastgesteld of de verdachte daadwerkelijk de brandgel waarvan zij een jerrycan in handen heeft gehad, of mogelijk een andere brandstof heeft gebruikt om een theedoek en eierdozen aan te steken.

4.2.4.

Conclusie

Het onder 1 primair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.3.

Bewijswaardering

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1 subsidiair

zij op of omstreeks 14 juli 2017 te Capelle aan den IJssel opzettelijk en

wederrechtelijk eierdozen en een (thee) doek, die aan [naam slachtoffer]

toebehoorden, heeft vernield door met een aansteker die eierdozen en(thee)doek aan te steken;

2.

zij op of omstreeks 14 juli 2017 te Capelle aan den IJssel

[naam slachtoffer] heeft mishandeld door haar aan de haren te trekken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1 subsidiair.

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoort vernielen

2.

mishandeling

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon, de persoonlijke omstandigheden en de draagkracht van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vernieling van een theedoek en eierdozen door deze aan te steken. Hierdoor heeft zij haar werkgever schade berokkend.

Tevens heeft de verdachte haar werkgever mishandeld door haar aan de haren te trekken toen zij er genoeg van had om langer vastgehouden te worden nadat het brandje was ontdekt. Hiermee heeft de verdachte niet alleen pijn veroorzaakt, maar ook inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 1 november 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

Psycholoog N. Boswinkel, GZ-psycholoog BIG, heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 5 oktober 2017. Beschreven wordt onder meer dat sprake is van forse scheefgroei in de persoonlijkheidsontwikkeling. Er is sprake van een borderline-persoonlijkheidsstoornis. Verdachte heeft laten zien in aanloop naar het haar ten laste gelegde weinig passende keuzes te maken (oppotten spanningen in de dagen voorafgaand aan het ten laste gelegde, nuttigen alcohol tijdens het werk) die een gerapporteerde black-out kunnen mede kunnen hebben veroorzaakt. Indien de feiten bewezen kunnen worden is er daarom sprake van een (fors) verminderde toerekenbaarheid.

De psycholoog adviseert op basis van de onderzoeksbevindingen om het jeugdstrafrecht toe te passen.

Psychiater dr. S.J. Roza heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 6 oktober 2017. Zij beschrijft dat er onder meer sprake is van een borderline-persoonlijkheidsstoornis, die met zich bracht dat de verdachte beperkt in haar handelen is geweest. Cognitief moet de verdachte echter in staat worden geacht om het moreel laakbare van haar handelen te kunnen overzien. Geadviseerd wordt om de verdachte het ten laste gelegde in een verminderde mate toe te rekenen. Ook de psychiater adviseert het jeugdstrafrecht toe te passen.

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 17 oktober 2017. Dit rapport houdt het volgende in.

Geadviseerd wordt de meerderjarige recht te doen conform het jeugdstrafrecht.

De reclassering adviseert de meerderjarige een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen

met verplicht reclasseringstoezicht met als bijzondere voorwaarden:

- begeleiding door jeugdreclassering

- ambulante behandeling

- begeleid wonen of maatschappelijke opvang

- verplichte dagbesteding.

De rechtbank heeft acht geslagen op voormelde rapportages.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

De verdachte was ten tijde van de bewezenverklaarde feiten 19 jaar oud en dus meerderjarig. Uitgangspunt is dat zij als jongvolwassen verdachte volgens het volwassenenstrafrecht moet worden berecht. De rechtbank zal echter het jeugdstrafrecht zoals bedoeld in artikel 77c Sr toepassen. De persoonlijkheid van de verdachte geeft daartoe aanleiding. De conclusies van de psychiater, psycholoog en de Reclassering zijn op dit punt eensluidend. De rechtbank neemt deze conclusies over. Dat geldt ook voor de gelijkluidende conclusies van de psychiater en de psycholoog dat de verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten verminderd toerekeningsvatbaar was omdat bij haar op dat moment sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De juistheid van die conclusies wordt ondersteund door hetgeen op de terechtzitting is gebleken.

De rechtbank zal een fors lagere straf opleggen dan geëist. Er is weliswaar sprake geweest van een zorgwekkende vernieling en van een mishandeling, maar de verdachte wordt vrijgesproken van de strafbare vorm van opzettelijke brandstichting en dat was veruit het meest ernstige feit op de dagvaarding.

Daarnaast is van belang dat de gedragsdeskundigen en de reclassering het dringend noodzakelijk achten dat met toepassing van het jeugdstrafrecht het al aangevangen reclasseringstoezicht en de daarmee gepaard gaande behandeling wordt voorgezet.

Al met al zal daarom worden volstaan met een geheel voorwaardelijke geldboete met verplicht reclasseringstoezicht onder toepassing van de geadviseerde bijzondere voorwaarden. De voorwaardelijke straf dient er ook toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 77c, 77g, 77h, 77l, 77x, 77y, 77z, 77gg, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 10 dagen jeugddetentie;

bepaalt dat deze geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

  • -

    de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

  • -

    de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

  • -

    de veroordeelde zal medewerking verlenen aan (jeugd)reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, afdeling jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, zolang en frequent als die (jeugd) reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt; de veroordeelde dient zich te houden aan de aanwijzingen van deze instelling;

2. de veroordeelde zal zich onder ambulante behandeling stellen voor haar problematiek bij Forensische Polikliniek Het Dok of een soortgelijke instelling voor jeugdigen, gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering in overleg met deze instantie verantwoord vindt;

3. de veroordeelde verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, of een soortgelijke instelling te bepalen door de jeugdreclassering, indien en zolang door de reclassering noodzakelijk wordt geacht. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de jeugdreclassering voor haar heeft opgesteld;

4. de veroordeelde werkt mee aan het vinden en behouden van zinvolle dagbesteding;

geeft aan Reclassering Nederland, afdeling jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden; (instantiecode = AST 102 en verantwoordelijke gemeente is Rotterdam);

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.J.P. van Essen, voorzitter,

en mrs. F.W. van Lottum en J.C. Tijink, rechters,

in tegenwoordigheid van J. Nederlof, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 december 2017.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1

zij op of omstreeks 14 juli 2017 te Capelle aan den IJssel, opzettelijk brand

heeft gesticht in een bedrijfspand (te weten: Restaurant [naam restaurant] aan de

[adres delict] ), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een

hoeveelheid brandpasta op/over (een)eierdoos/eierdozen en/of een

(thee)doek gegoten en/of gegooid en/of (vervolgens) met een aansteker die

brandpasta en/of die eierdoos/eierdozen en/of (thee)doek aangestoken, in

elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met voornoemd(e)

goed(eren), althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan

brand is ontstaan en/of die eierdoos/eierdozen en/of die (thee)doek geheel

of gedeeltelijk is/zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die

eierdoos/eierdozen en/of die (thee)doek en/of voor alle goederen in de

keuken van het restaurant en/of het restaurant zelf, in elk geval gemeen

gevaar voor goederen, en/of levensgevaar voor de in het restaurant

aanwezige personen, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen,

te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 14 juli 2017 te Capelle aan den IJssel opzettelijk en

wederrechtelijk (een) eierdoos/eierdozen en/of een (thee) doek, in elk geval

enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [naam slachtoffer]

toebehoorde, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door een

hoeveelheid brandpasta op/over (een)eierdoos/eierdozen en/of een

(thee)doek te gooien en/of te gieten en/of (vervolgens) met een aansteker

die brandpasta en/of die eierdoos/eierdozen en/of (thee)doek aan te steken;

(art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

2

zij op of omstreeks 14 juli 2017 te Capelle aan den Ijssel

[naam slachtoffer] heeft mishandeld door deze te slaan in/op/tegen het gezicht en/of

aan de haren te trekken;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht)