Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:10402

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-08-2017
Datum publicatie
13-02-2018
Zaaknummer
10/083390-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor belaging, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en mishandeling van zijn ex-vriendin.

Verdachte krijgt een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden en een taakstraf voor de duur van 120 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Sector straf

Parketnummer: 10-083390-17

Proces-verbaal van de openbare terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Rotterdam op 25 augustus 2017.

Tegenwoordig als:

politierechter mr. G.P. van de Beek,

officier van justitie mr. R.P.L. van Loon,

griffier K.P.S. Bindraban.

De zaak tegen na te noemen verdachte wordt uitgeroepen.

De verdachte, op de terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de politierechter te zijn genaamd

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] .

De politierechter heeft door deze ondervraging de identiteit van de verdachte vastgesteld.

Als raadsman van de verdachte is aanwezig mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht.

In dit proces-verbaal zijn verklaringen en mededelingen steeds zakelijk weergegeven.

De politierechter vermaant de verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en deelt hem mede, dat hij niet tot antwoorden is verplicht.

De raadsman voert het preliminaire verweer dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in de vervolging van het onder 1 ten laste gelegde feit. Hij deelt mede dat er geen klacht in het dossier zit.

De officier van justitie merkt op dat er wel een klacht is ingediend. Hij overhandigt een afschrift van de klacht aan de raadsman en de politierechter en deelt mede dat de termijn van drie maanden is overschreden.

De raadsman deelt mede:

Ik zie dat er een klacht is ontvangen op 17 augustus 2017. Er is op een bepaald moment aangifte gedaan. Er is niet voldaan aan de klachttermijn uit artikel 66 van het Wetboek van Strafrecht. Ik stem in met het voorstel van de politierechter om het preliminaire verweer pas tijdens het pleidooi verder toe te lichten.

De officier van justitie draagt de zaak voor.

De politierechter deelt mede de korte inhoud van het dossier.

De verdachte verklaart:

Betreffende de mishandeling: Het was een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Ze zat bij mij in de auto en we waren in gesprek. Ik heb haar toen daar bij haar arm gepakt. Zij heeft zich met volle kracht weggetrokken. Ik bood haar aan de jas te vergoeden maar ze zei ‘nee laat maar het is toch een oude jas’. We zijn daarna nog een gesprek aangegaan. Ik snap niet dat er een tenlastelegging is gekomen.

Betreffende de bedreiging: Daar klopt niets van. Ik heb de getuigenverklaringen gelezen. Er wordt door de getuigen een dubieus beeld omschreven. Ik had haar gezien. Ik had haar broer aan de telefoon. Hij vroeg mij om achter haar aan te rijden om te laten zien waar ze zou zijn. Ik heb een verkorte route via de stoep genomen om te kunnen zien waar ze was en waar ze naartoe reed. Ik heb niet op haar ingereden. Ik heb ook geen schade of iets dergelijks waaruit zou blijken dat ik haar zou hebben geraakt. Ik ben haar achterna gereden en later weer weggegaan, dat was het. Het was niet met een hoge snelheid. Dat kon ook niet want er waren stoepranden, mijn auto heeft ook geen schade daarvan. Ik snap niet hoe getuigen in een flits, vanaf het terras, alles hebben kunnen zien.

Betreffende de belaging: Ik heb [naam slachtoffer] vaak gesproken, dat is over en weer gegaan. De helft kwam van haar kant. Ik ben nooit uit mezelf naar haar werk gereden. Er waren schulden, dat heb ik eerder ook aangegeven. De ene keer is ze aardig en meegaand, de andere keer scheldt ze me uit met ‘je kan de kanker krijgen’. Het loopt heel erg uiteen, het komt van twee kanten. Ik vind niet dat zij of ik de volledige schuld op zich moet nemen. We waren van plan om te trouwen.

De politierechter deelt mede: U heeft na het verbreken van de relatie vaak met haar contact gezocht. Dat ging via WhatsApp-berichten, sms-berichten en telefonisch. U heeft haar opgezocht bij een tankstation.

De verdachte verklaart:

Dat zijn afspraken die zij met mij maakt, als in: ‘kom naar het tankstation, kom hier naartoe en dergelijke’. Ik heb daar ook bewijzen van. U zegt me dat er vaak staat ‘laat me met rust’. Dat klopt, dan is het op dat moment voor haar even teveel. Ik heb haar niet met rust gelaten omdat ze nog schulden bij me had. De afspraak was dat ze een vrij groot bedrag zou terugbetalen nadat de relatie was beëindigd. Ik heb een vrij groot bedrag voor de borg voor de verhuizing betaald. 2000 euro is wat haar vader heeft betaald aan mij, maar wat haar vader niet weet is dat het in totaal 4000 euro was. Ik zou dus nog 2000 euro krijgen. Ik heb WhatsApp-screenshots waarin ze zegt dat ze dat zal betalen, maar elke keer als het haar weer even teveel wordt zegt ze ‘laat me met rust’. Ik wilde gewoon het geld terugkrijgen. Als dat was gebeurd dan had ik haar allang met rust gelaten. Ik heb sinds december een vaste relatie. Dat is de relatie waarover wordt gesproken in het reclasseringsrapport.

De politierechter deelt mede: Een van de verwijten is dat u haar continu opzocht bij haar werk, zelfs zo vaak dat ze daardoor ontslag heeft genomen.

De verdachte verklaart:

Ze heeft tegen mij gezegd dat ze ontslagen is omdat ze vaak ziek is. Ik heb nu een woning in Rotterdam omdat ik uit mijn huis ben weggejaagd door de grote dreiging van haar vader en broers. Ik zag toevallig een woning in Rotterdam Oost, ver weg van haar. Over [naam bedrijf] : Ze had met me afgesproken dat ik naar haar werk toe zou komen. Ze had gezegd dat ik daar moest komen of bij een tankstation, omdat haar broers en vader veel grip op haar hadden.

De politierechter deelt mede: Na dat werk was ze bij de [naam instelling] gaan werken. U had haar gevraagd om gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie voor persoonsgegevens (GBA).

De verdachte verklaart:

Ja dat had ze zelf aangeboden en dat heb ik later gevraagd, dat klopt. U vraagt me of ik heb gedreigd. Zij wist dat ik geen woon- of verblijfadres had, ze wilde niet vertellen hoe ze dat wist. Ik wist dat ze bij de Gemeente werkte en dat ze dat dus op die manier had opgezocht. Ik vind niet dat ze daar moet werken als ze dat doet. Ik heb de Gemeente toen gebeld en dat doorgegeven. Volgens mij aan mevrouw [naam 1] .

U zegt dat de vader van [naam slachtoffer] ook bij de politie is geweest. Ik heb zijn verklaring gelezen. Ik heb hem in totaal twee keer gezien. Verder heb ik niets met hem te maken. Hij verklaart dat ik hem heb klemgereden. Zoiets gebeurt alleen in actiefilms. Het lijkt me sterk dat een volwassen persoon dat over zich heen laat komen. Als iemand mij zou klemrijden zou ik gelijk 112 bellen. Opeens wordt er aangifte gedaan en volgt die verklaring. Ik vind het een vrij radicaal beeld, daar klopt niets van.

U zegt dat er een filmpje en foto’s zijn gemaakt, en dat [naam slachtoffer] bang is dat die aan haar vader zijn gegeven. Ik heb geen seksueel filmpje van haar. Ik heb alleen een filmpje van dat ik in haar straat ben geweest. Dat zijn de enige filmpjes waar ik van weet. Er is geen filmpje waarmee ik haar bedreig.

U zegt dat er enorm veel sms-berichten en e-mailberichten zijn overhandigd. Ik vind het heel jammer dat ik mijn deel niet meer heb. U vraagt me of al de overhandigde e-mailberichten en sms-berichten door mij zijn verstuurd. Ja, maar ik heb ze niet allemaal gelezen, daar heb ik geen tijd voor gehad. Een groot gedeelte van de reden dat ik die berichten heb verstuurd is de betaling, maar een ander gedeelte is ook liefde. Ze zei ook een keer tijdens de vermeende pleegperiode van belaging dat ze de relatie opnieuw een kans zou geven. Ik vind het nu wel vreemd dat daar belaging uit komt; als reactie op dat ik aangifte heb gedaan van de mishandeling door haar broers. Er is een hele periode waarin wij in het geheel geen contact hebben gehad: december 2016 tot januari 2017. Er is een tijd geen contact geweest, ook was er geen aangifte gedaan. Daarna kwam de mishandeling, waarop ik aangifte deed. Daarna deed zij opeens ook aangifte. Dat gebeurde letterlijk een dag na mijn aangifte. Dat is haar recht, maar ze zou geen aangifte hebben gedaan als ik dat niet eerst had gedaan.

Ik overhandig u een afschrift van een whatsapp gesprek dat ik met [naam slachtoffer] heb gevoerd via haar nieuwe telefoonnummer.

De politierechter deelt mede: Het telefoonnummer is [mobiel nummer] , dat is het nummer van aangeefster. Op een screenshot van 21 augustus 2016 staat het volgende: “Dit is mijn nummer”, waarop de verdachte antwoordt “Hoi, wie ben jij?”, ik zie blauwe vinkjes, gevolgd door “ [naam slachtoffer] ”, de verdachte zegt “oke, zag het al en dacht het aan de foto, thanks, hoor je wel later”, zij antwoordt “oke graag gedaan” gevolgd door een x-teken.

De officier van justitie vraagt aan de verdachte of hij het gesprek op zijn mobiele telefoon kan laten zien. De verdachte zoekt samen met zijn raadsman het betreffende gesprek op. De raadsman deelt mede: “Ik zie dat er een heel gesprek in oktober 2016 is”. De verdachte overhandigt zijn mobiele telefoon aan de officier van justitie. De officier van justitie scrolt door de berichten en deelt mede: “Ik zie een bericht van 21 augustus 2016, ik zie een bericht van 22 augustus 2016.”. De officier van justitie vraagt aan de verdachte waarom hij de aangeefster had opgezocht bij de bioscoop.

De verdachte verklaart:

Het klopt niet dat die Nederlandse vriendin ook in de bioscoop was. Een half jaar na het afbreken van het huwelijk hadden [naam slachtoffer] en ik nog goed contact, zij gaf aan dat ze de relatie nog een kans zou geven. Ik had nog haar inloggegevens van de Pathé. Ik ben rond het offerfeest in 2015 naar haar toe gegaan om te kijken of ze met een andere jongen was, terwijl ze nog met mij verder zou gaan. Zij was zelf naar mij toe gelopen, haar vriendin was daar. Ik vroeg haar wat ze daar deed, ze vertelde me dat ze met een vriendin naar de bioscoop ging. We zijn toen ons eigen weg gegaan. Ze gaf me aan dat er nog een relatiekans was.

Ik heb geen liefdeswens meer en ik heb geen contact meer met haar. Sinds december 2016 wil ik alleen maar dat ze het geld teruggeeft. Ik heb geprobeerd om het mondeling met haar uit te spreken. Ik ben sinds kort werkloos en heb op dit moment geen inkomen. Ik heb nog wat spaargeld. Ik heb een studieschuld en nog wat kleine schulden.

De officier van justitie houdt zijn requisitoir en deelt het volgende mede.

Ten aanzien van feit 3: Op het moment dat de aangifte werd gedaan zou het feit 14 maanden eerder hebben plaatsgevonden. De verdachte verklaart dat hij aan de mouw van de aangeefster heeft getrokken en dat de jas toen kapot is gegaan. Getuige [naam getuige 1] zegt dat de verdachte één keer aan de jas van [naam slachtoffer] heeft getrokken toen zij wilde instappen. We weten dat er een jas kapot is getrokken. Dat is vernieling, geen mishandeling. Althans: dat weten we niet als er geen ondersteunend bewijs voor pijn of letsel is. Ik vorder dat de verdachte voor feit 3 wordt vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2: De aangeefster verklaart dat ze met [naam 2] en [naam 3] naar de parkeergarage liep. Vervolgens verklaart ze “Ik zag dat [naam verdachte] heel hard recht op mij inreed. [naam 2] en [naam 3] konden mij net op tijd voor de auto wegtrekken.” De verdachte ontkent dat, hij verklaart wel dat hij op de stoep tegen het verkeer in heeft gereden. Een andere getuige verklaart dat de aanleiding iets anders is. Die heeft het erover dat de aangeefster bijna werd aangereden door haar voormalige partner. Er zitten verschillen tussen de verklaringen, en die verschillen zijn substantieel. De aangeefster zegt dat ze voor de auto is weggetrokken. [naam 2] heeft het daar helemaal niet over. Hij zegt dat de aangeefster bijna is geschampt, daarna is ze weggesprongen en achter een auto gaan huilen. Er zit teveel verschil tussen de verklaringen. [naam 3] was er ook bij. Uit het proces verbaal van bevindingen blijkt dat er daarnaast mogelijk nog twee getuigen bij waren. [naam getuige 2] verklaart dat zij geen getuigenverklaring willen afleggen. Dat geeft aan dat er wel iets is gebeurd, maar wat ten laste is gelegd kan niet voldoende overtuigend worden bewezen. Ik vorder dat de verdachte voor feit 2 wordt vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 1: Er is verweer gevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk is. Ik heb de klacht vandaag overlegd. Het klopt dat die niet binnen de drie maanden die de wet voorschrijft is ontvangen. Dat is een verzuim dat hersteld kan worden. Zeker wanneer die fout te wijten is aan de politie. De aangeefster heeft vervolging gewenst. Ik verzoek u het verweer te verwerpen en om het openbaar ministerie ontvankelijk te verklaren. Uit het dossier kan ik opmaken dat de verdachte dwingend gedrag heeft vertoond richting de aangeefster. Aanvankelijk wilde ik vorderen dat het feit wettig en overtuigend bewezen wordt verklaard. Hier op zitting kregen wij echter berichten te lezen waarin een normale conversatie tussen twee personen is te zien. Dat is niet een conversatie die past bij een langdurig relationeel conflict waarbij de ene partner nadrukkelijk tegen de andere partner heeft gezegd ‘Ik wil deze relatie niet meer’. De verdachte heeft wel bepaalde dingen gedaan die niet horen, zoals de controle bij de bioscoop en wat zich afspeelde bij de parkeergarage. Je hoort ook niet veelvuldig te blijven bellen. Maar als ik zie dat er in augustus 2016 gewoon op een normale manier intensief whatsapp contact is tussen de verdachte en de aangeefster vind ik het lastig om wederrechtelijkheid vast te stellen. Ik vorder dat de verdachte voor feit 1 wordt vrijgesproken.

De officier legt de vorderingen over.

De raadsman voert aan:

Ten aanzien van feit 3: Ik verzoek u om cliënt vrij te spreken voor feit 3. Dat er een jas gescheurd is wil ik wel aannemen. Het gaat erom of er een mishandeling heeft plaatsgevonden. Het is de vraag of de aangeefster pijn aan haar arm heeft gekregen. Cliënt zegt dat hij haar bij de jas heeft gepakt, en niet bij haar arm. De verklaring van de getuige op bladzijde 203 heeft het ook over bij de jas vastpakken, niet zozeer bij de arm. Het sluit elkaar niet perse uit, maar het gaat erom of er voldoende wettig bewijs is. Dat de arm is vastgepakt, dat dit met geweld is gebeurd, en dat er pijn is, kan je alleen uit de aangifte halen: dat is te mager. Verder is er ook geen opzet op pijn geweest. Als er al een aanmerkelijke kans op pijn was, dan zou cliënt die niet hebben aanvaard. Er zijn dus meerdere redenen voor vrijspraak.

Ten aanzien van feit 2: De officier van justitie heeft al veel medegedeeld van wat ik wilde zeggen. Cliënt ontkent dat hij met hoge snelheid op aangeefster heeft ingereden. Er is een aangifte, daarin is de situatie zo nijpend dat aangeefster door andere mannen gered moet worden. Een van die mannen wordt als getuige gehoord, zie bladzijde 207. Hij verklaart dat hij alles van achteren heeft gezien. Dan kan hij haar dus nooit weggetrokken hebben. Zij zou aan de kant zijn gegaan. Dat zijn twee verschillende verklaringen die niet met elkaar te rijmen vallen. Daarbij komt ook nog dat de verdachte het feit ontkent. Er is daarom onvoldoende bewijs. Het gevolg is vrijspraak.

Ten aanzien van feit 1: Ik persisteer in mijn niet-ontvankelijkheidsverweer. Eerder heb ik dit verweer ook gevoerd in een zaak die werd behandeld door het Gerechtshof in Arnhem. De politierechter had die zaak toen aangehouden om de aangever alsnog in staat te stellen om een klacht in te dienen. Het Hof zei toen dat dit niet was toegestaan, de termijn is een harde termijn. Wel kan er uit de aangifte worden gehaald of iemand al vervolging wenste. In die zaak was dat niet het geval, net zoals dat nu ook niet kan. Ik zie de wens tot vervolging niet terug in de aangifte. De aangeefster wil eigenlijk dat er een contactverbod wordt opgelegd (bladzijde 8), niet dat er vervolgd wordt of dat er een straf wordt opgelegd. Ik ben van mening dat er onvoldoende is om zonder meer tot de conclusie te komen dat zij wil dat de verdachte wordt vervolgd en dat er strafvervolging volgt. Het gaat om mensen die partners van elkaar zijn. Daarnaast krijgen we een heel eenzijdig beeld over wat zich heeft afgespeeld. Zij doet aangifte en bepaalt wat in de stukken komt. Wat cliënt heeft gedaan is niet netjes, maar er zitten meerdere kanten aan het verhaal. Cliënt wilde steeds kijken of hij het geld nog kon verhalen. Natuurlijk zijn er heel veel whatsapp gesprekken in zijn telefoon, dat heeft hij laten zien. Cliënt heeft 60 kantjes met whatsapp gesprekken waarin er normaal wordt gesproken. Daar wordt met geen woord over gerept in dit dossier. Cliënt heeft ook video’s waarop zij uit haar dak gaat wanneer ze hem ziet, waarin te zien is dat zij de auto van cliënt blokkeert. Dat ga ik allemaal niet laten zien, daar is te weinig tijd voor. Ook zijn er whatsapp gesprekken tussen de aangeefster en haar broertje, waarin hij tegen haar zegt dat mijn cliënt haar niet meer gaat lastig vallen, waarna zij hem bedankt. Dan weet je wat er is gebeurd: mishandeling. Een dag later doet zij aangifte, dat heeft ze gedaan om op te komen voor haar broertje. Feit 1 kan niet worden bewezen. Ik verzoek u om cliënt vrij te spreken voor feit 1.

De verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. Hij verklaart: Ik wil niet reageren. Ik ben niet de meest perfecte persoon, maar ik ben maar een mens. Ik maak fouten, maar justitieel? Excuses voor de irritatie die het heeft opgeleverd.

De politierechter beslist als volgt.

De politierechter verklaart het onderzoek gesloten en zegt terstond mondeling vonnis te zullen geven.

De politierechter spreekt het vonnis uit ter openbare terechtzitting.

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------

A a n t e k e n i n g van het m o n d e l i n g v o n n i s

--------------------------------------------------------------------

Inhoud van de tenlastelegging

Bij de dagvaarding is aan de verdachte ten laste gelegd dat

1. hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2015 tot en met 21 januari 2017 te Rotterdam, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [naam slachtoffer] , met het oogmerk die [naam slachtoffer] , in elk geval die ander, te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte wederrechtelijk stelselmatig, meermalen althans eenmaal

- die [naam slachtoffer] telefonisch (per sms en/of per whatsapp) en/of via internet (met emails en/of I-cloud) benaderd met hinderlijke en/of bedreigende en/of beledigende tekst(en) en/of;

- familieleden en/of vriend(en) en/of collega('s) en/of werkgever(s) ( [naam bedrijf] en/of de [naam instelling] ) van die [naam slachtoffer] telefonisch (per sms en/of whatsapp) en/of via internet (via emails) benaderd met hinderlijke en/of bedreigende en/of beledigende tekst(en) (bedoeld voor die [naam slachtoffer] ) en/of

- die [naam slachtoffer] en/of familieleden achtervolgd en/of

- die [naam slachtoffer] opgewacht bij haar woning en/of werk;

2. hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2016 tot en met 31 juli 2016 te Rotterdam [naam slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een (personen)auto al snelheidverhogend, in elk geval met hoge, althans aanzienlijke, snelheid en/of zonder te remmen afgereden/ingereden op [naam slachtoffer] ;

3. hij in of omstreeks de periode van 1 november 2015 tot en met 30 november 2015 te Rotterdam [naam slachtoffer] heeft mishandeld door haar (met kracht) aan de arm te trekken.

Ontvankelijkheid officier van justitie

Namens de verdachte is aangevoerd dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in de vervolging, omdat niet voldaan is aan de klachttermijn uit artikel 66 van het Wetboek van Strafrecht.

Dit verweer wordt verworpen.

Art. 164 Sv strekt er toe dat komt vast te staan dat de tot klacht gerechtigde persoon uitdrukkelijk heeft verzocht een strafvervolging in te stellen. Het bestaan van een klacht kan ook worden aangenomen, indien op grond van het onderzoek op de terechtzitting is vastgesteld dat de klager ten tijde van het opmaken van de aangifte de bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld. Door de indiening van de – later opgemaakte - klacht ter zitting staat genoegzaam vast dat aangeefster met de aangifte de strafvervolging van verdachte heeft beoogd. Dit blijkt ook uit het feit dat aangeefster gebruik gemaakt heeft van het recht om als slachtoffer geinformeerd te worden omtrent het verloop en de afdoening van deze strafzaak.

Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die meebrengen dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in de vervolging. De officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen.

Bewijsmiddelen en voor bewijs redengevende feiten en omstandigheden

Ten aanzien van feit 1:

De verklaring van verdachte op de terechtzitting, voor zover inhoudende:

U vraagt me of al de overhandigde e-mailberichten en sms-berichten door mij zijn verstuurd. Ja, dat klopt . Ik heb de vader van aangeefster geregeld aangesproken. Ik heb aangeefster vaak opgewacht, wanneer zij uit haar werk kwam.

Het ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer [proces-verbaalnummer 1] , opgemaakt en op 27 januari 2017 ondertekend door de opsporingsambtenaar [naam verbalisant 1] , voor zover inhoudende als de op 21 januari 2017 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van de aangeefster [naam slachtoffer] :

Vanaf augustus 2015 tot nu heeft [naam verdachte] mij en mijn familie bijna dagelijks lastig gevallen. (..) Ik werkte destijds bij het bedrijf, [naam bedrijf] , aan [adres] te Capelle aan den IJssel. [naam verdachte] belde mij en mijn collega's dagelijks meerdere keren per dag. (..) Ook stond [naam verdachte] vaak te wachten bij een benzinestation, destijds de BP, aan de Maasboulevard te Rotterdam. Ik reed daar altijd voorbij als ik naar mijn werk reed. Als [naam verdachte] mij langs zag rijden, reed hij achter mij aan. [naam verdachte] stond ook heel vaak bij mijn ouders aan de deur. Ik woonde daar ook, aan de [adres ouders] te Rotterdam. (..) In september 2015 heeft [naam verdachte] naaktfoto's van mij naar mijn twee oudere broers gestuurd via de telefoon. [naam verdachte] had daar eerder mee gedreigd in een email die hij naar mij had gestuurd, naar mijn emailadres, [naam email-adres 1] . [naam verdachte] heeft die mail verstuurd met zijn emailadres, [naam email-adres 2] . Deze email overhandig ik u. (..) In november 2015 liep ik vanuit mijn werk naar mijn auto. Ik werkte toen nog bij [naam bedrijf] . Ik zag dat [naam verdachte] mij opgewacht had en buiten stond bij zijn auto. (..) Ik ben snel weggereden, maar zag dat [naam verdachte] achter mij aan reed. [naam verdachte] heeft mij bij een tankstation, de Esso of de BP aan de Maasboulevard klem gereden. (..) Vanaf januari 2016 is [naam verdachte] mij ernstig lastig gaan vallen op mijn werk. Ik werkte toen dus bij [naam bedrijf] . [naam verdachte] belde meerdere keren naar mij op mijn werk. Ook belde hij het algemene nummer constant waardoor collega's van mij ook lastig gevallen werden. Een van mijn toenmalige collega's, [naam getuige 1] , is daar getuige van geweest. Er zijn natuurlijk meer getuigen, maar met deze collega heb ik nog contact. [naam verdachte] heeft ook veel emails gestuurd naar mijn werk emailadres, [naam email-adres 3] . (..) [naam verdachte] hangt vaak rond bij de avondwinkel aan de Vierambachtsstraat te Rotterdam (..) [naam verdachte] staat daar dan te wachten tot ik voorbij rijd in mijn auto. Om de wijk uit te rijden moet ik langs deze avondwinkel rijden. Als ik daar voorbij rijd, komt [naam verdachte] altijd achter mij aan en achtervolgt hij mij waar ik heen ga (..) Vanaf juni 2016 ben ik gaan werken bij de [naam instelling] (..) Rond oktober 2016 belde [naam verdachte] mij en vroeg hij of ik voor hem een adres van iemand die hij kende op wilde zoeken in het gemeentelijke computersysteem. Ik wilde dat natuurlijk niet doen. [naam verdachte] dreigde het seks filmpje van ons openbaar te maken als ik het niet zou doen. Mijn vader accepteert mij vooralsnog, maar hij weet niet van het filmpje af dat [naam verdachte] stiekem heeft gemaakt. Ik denk dat mijn vader dat filmpje waarop [naam verdachte] en ik seks hebben niet zal accepteren. Ik zit de hele dag thuis en heb niet veel meer om voor te leven. [..]

Ik heb daarom dat adres van die persoon uit het systeem opgezocht en aan hem gegeven. [naam verdachte] heeft vervolgens contact opgenomen met mijn werkgever en heeft gezegd dat ik gegevens van burgers openbaar had gemaakt. Ik ben toen gelijk ontslagen. Toen ik nog werkte bij de [naam instelling] kwam [naam verdachte] een keer zomaar langs op mijn werk daar. (..) Later die dag heeft [naam verdachte] mij daadwerkelijk gebeld en zei hij door de telefoon: 'Ik stop niet tot ik je leven kapot heb gemaakt. Je weet dat ik heel secuur te werk ga. Ik wil dat je niets meer hebt.' Dat gesprek heb ik opgenomen met een andere telefoon. Ik overhandig aan u dat telefoongesprek. (..) In september 2016 heeft [naam verdachte] mij zijn auto ingetrokken. (..) Ik kon gelukkig het portier van zijn auto open trappen en kon ontsnappen. Ik ben naar een bushalte gerend en ben de bus ingegaan. Bij de bushalte vlakbij mijn huis ben ik uitgestapt en hard naar mijn huis gerend. [naam verdachte] is mij achterna gereden en is als een gek aan gaan bellen bij mijn huis. (..) [naam verdachte] valt mij echter al anderhalf jaar bijna dagelijks lastig. Hij belt mij, stuurt emails en komt overal waar ik ook kom. Ook belaagt hij mijn familie. (..) Als voorbeeld heb ik een screenshot gemaakt van mijn Whatsapp op mijn telefoon. [naam verdachte] heeft mij toen 608 berichten via Whatsapp gestuurd tijdens een nacht. [naam verdachte] heeft verschillende telefoonnummers gebruikt om mij te stalken.

Het ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer [proces-verbaalnummer 2] , opgemaakt en op 11 februari 2017 ondertekend door de opsporingsambtenaar [naam verbalisant 2] , voor zover inhoudende als de op 11 februari 2017 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van de getuige [naam getuige 3] :

U zegt tegen mij dat mijn dochter [naam slachtoffer] aangifte heeft gedaan van stalking en vraagt mij wat ik daarover kan verklaren. [naam verdachte] wacht mij een paar keer per week op de Grote Visserijstraat te Rotterdam op. Hij zit dan in een Zwarte Volkwagen Golf en rijdt dan achter mij aan of rijdt mij klem. (..) Hij belt meerdere keren per dag naar de slagerij. Als ik opneem dan praat hij wel. (..) Wij hebben thuis al 3 of 4 keer ons huisnummer veranderd, omdat telkens [naam verdachte] achter het nieuwe nummer komt. Hij belde ons meerdere keren overdag en s` nachts en vaak zei hij niets. Wij vinden het eng dat [naam verdachte] telkens weer achter het nieuwe nummer komt. [naam verdachte] weet ook heel veel andere nummers van familieleden, dat vinden wij eng.[…]

Wij zijn bang dat het straks van kwaad tot erger gaat worden. Wij zijn bang voor ons zelf en onze kinderen. Straks komen ze een keer in een ziekenhuis of worden ze vermoord. [naam verdachte] blijft maar doorgaan en houd niet op. Elke dag belt hij mijn dochter, met de vraag waar ben je?, ben je op het werk? En vervolgens wacht hij haar op en achtervolgt hij haar. Mijn dochter is nu bij haar zus in de buurt van [plaats] gaan wonen, omdat zij weg wilt uit Rotterdam.

Het ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer [proces-verbaalnummer 3] , opgemaakt en op 21 februari 2017 ondertekend door de opsporingsambtenaren [naam verbalisant 3] en [naam verbalisant 4] , voor zover inhoudende als de op 13 februari 2017 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de getuige [naam getuige 4]:

Ik ken [naam slachtoffer] mijn hele leven. Wij zijn samen opgegroeid en woonden in de

Van Heusdenstraat te Rotterdam. (..) [naam verdachte] heeft mij twee keer gebeld. Hij heeft dit via de Icloud van [naam slachtoffer] achterhaald. Daarna heb ik een nieuw telefoonnummer genomen.

Het ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer [proces-verbaalnummer 4] , opgemaakt en op 26 februari 2017 ondertekend door de opsporingsambtenaar [naam verbalisant 2] , voor zover inhoudende als de op 26 februari 2017 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van de getuige [naam getuige 1] :

Vanaf begin 2014 tot mei 2016 heb ik samen met [naam slachtoffer] bij het bedrijf [naam bedrijf]

gewerkt. (..) Toen wij ( [naam slachtoffer] en ik) samen werkten bij het bedrijf [naam bedrijf] belde [naam verdachte] ongeveer 20 keer per dag naar het bedrijfstelefoonnummer. [naam slachtoffer] bleef altijd erg netjes aan de telefoon. [naam verdachte] sprak allemaal dreigementen naar haar uit, zoals: "Ik ga het tegen je ouders zeggen, je zal wel zien en je bent een hoer". (..) [naam verdachte] kwam ongeveer 3 keer per week langs op haar werk. Als wij in onze pauze een broodje gingen halen, stond [naam verdachte] buiten te wachten. Als [naam slachtoffer] in de pauze met mij liep, dan kwam [naam verdachte] niet naar haar toe. [naam verdachte] keek dan alleen maar. Na het werk wachtte [naam verdachte] haar op. Als zij vervolgens weg reed in haar auto, werd zij door [naam verdachte] achtervolgd.

Het ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer [proces-verbaalnummer 5] , opgemaakt en op 23 april 2017 ondertekend door de opsporingsambtenaar [naam verbalisant 2] , voor zover inhoudende bevindingen van de verbalisant:

Naar aanleiding van een aangifte ter zake stalking heb ik, verbalisant [naam verbalisant 2] , op zondag 23 april 2017 om 09:40 uur de stalking berichten bekeken en gesorteerd. Deze stalking berichten waren als bijlage bij de aangifte gevoegd. Ik heb de berichten onderzocht en hieruit is het volgende gebleken:

- 8 september 2015: [naam verdachte] stuurt 12 e-mails naar [naam slachtoffer] . Strekking: “Naaktfoto in bezit, wachtwoord Icloud opgevraagd, bel me, lafaard en een slet ben je, dat zal ik iedereen laten weten.” (..)

- 17 juli 2016: [naam verdachte] stuurt 60 e-mails naar de mail van [naam slachtoffer] . [naam slachtoffer] reageert ook terug op de e-mails. Strekking: [naam verdachte] wil dat [naam slachtoffer] reageert en antwoord geeft op zijn berichten. [naam slachtoffer] reageert dat hij haar met rust moet laten. (..)

- Op 10 mei 2016 en 17 en 18 juli 2016 hebben er chat gesprekken tussen [naam slachtoffer] en [naam verdachte] plaatsgevonden. De strekking van de gesprekken is dat [naam verdachte] met [naam slachtoffer] wil praten. (..)

- Er is een Whatsapp gesprek geweest, hierin is een foto van [naam slachtoffer] te zien. Verder gaat het gesprek over de relatie.

Ten aanzien van feit 2:

De verklaring van verdachte op de terechtzitting, voor zover inhoudende:

Ik heb toen en daar een verkorte route via de stoep genomen om te kunnen zien waar ze was en waar ze naartoe reed. Ik ben haar achterna gereden en later weer weggegaan, dat was het.

Het ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer [proces-verbaalnummer 1] , opgemaakt en op 27 januari 2017 ondertekend door de opsporingsambtenaar [naam verbalisant 1] , voor zover inhoudende als de op 21 januari 2017 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van de aangeefster [naam slachtoffer] :

In juli 2016 zat ik even in een eetcafé in Rotterdam-Zuid. Ik zat daar met een paar vrienden van mij. Toen ik naar buiten liep met twee vrienden van mij, [naam 2] en [naam 3] , zag ik dat [naam verdachte] mij op stond te wachten. Ik liep met hen naar mijn auto die in een parkeergarage stond. Ik zag dat [naam verdachte] in zijn auto zat en heel hard op ons af kwam rijden. [naam verdachte] reed recht op mij in.

Het ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer [proces-verbaalnummer 6] , opgemaakt en op 6 april 2017 ondertekend door de opsporingsambtenaar [naam verbalisant 2] , voor zover inhoudende als de op 30 maart 2017 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van de getuige [naam getuige 2] :

In de zomer van 2016 zat ik met 3 andere vrienden op het terras bij het eetcafé Erasmus. Toen kwam [naam slachtoffer] aangelopen en kwam bij ons op het terras zitten. Op een gegeven moment zei [naam slachtoffer] : "Oh my god, daar is mijn ex. Haar ex zat in een zwarte Volkswagen Polo. (..) Ineens rende [naam slachtoffer] naar buiten en rende in de richting van de parkeergarage. Op dat moment reed haar ex hard, met ongeveer 30 a 45 kilometer per uur haar richting op.

Ten aanzien van feit 3:

De verklaring van verdachte op de terechtzitting, voor zover inhoudende:

Ik heb haar toen daar bij haar arm gepakt.

Het ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer [proces-verbaalnummer 1] , opgemaakt en op 27 januari 2017 ondertekend door de opsporingsambtenaar [naam verbalisant 1] , voor zover inhoudende als de op 21 januari 2017 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van de aangeefster [naam slachtoffer]:

In november 2015 liep ik vanuit mijn werk naar mijn auto. Ik werkte toen nog bij [naam bedrijf] . Ik zag dat [naam verdachte] mij opgewacht had en buiten stond bij zijn auto. Ik wilde snel mijn eigen auto in om daar weg te rijden. [naam verdachte] kwam echter naar mij toe en trok mij heel hard aan mijn arm. [naam verdachte] trok zo hard aan mijn arm dat ik pijn voelde aan mijn rechter arm. Het voelde alsof hij mijn arm uit de kom trok. Mijn jas scheurde doordat [naam verdachte] er zo hard aan trok. (..) Ik

heb daarna nog vijf dagen pijn gehad aan mijn rechter arm.

De inhoud van de bewijsmiddelen is steeds zakelijk weergegeven.

Bewijsmotivering

Anders dan de officier van justitie en de raadsman acht de politierechter de tenlaste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. De bewezenverklaring steunt op de hiervoor weergegeven inhoud van de bewijsmiddelen, leverende op de redengevende feiten en omstandigheden voor die bewezenverklaring.

De politierechter overweegt met betrekking tot de ter zitting getoonde berichten dat niet blijkt van wie die afkomstig zijn en wanneer die zijn verstuurd, zodat aan deze berichten geen betekenis kan worden toegekend.

Vaststaat dat de verdachte vele malen op verschillende wijzen steeds zich indrong in haar leven en dat van haar familieleden en collega’s. Niet alleen via berichten maar ook met geweld of dreiging met geweld. Weliswaar beantwoordde aangeefster vele malen zijn oproepen en app-berichten, maar daaruit mag niet worden afgeleid dat aangeefster dit contact wilde. Integendeel. Zij was bevreesd dat de verdachte uitvoering zou geven aan zijn dreiging haar ouders naaktfoto’s/sexfilm van haar toe te sturen. Steeds opnieuw gaf zij aan met rust gelaten te willen worden. Dat verzoek heeft de verdachte genegeerd en zijn eigen wensen op de voorgrond laten staan.

Bewezenverklaring

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan op die wijze dat

1. hij in de periode van 1 augustus 2015 tot en met 21 januari 2017 te in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [naam slachtoffer] , met het oogmerk die [naam slachtoffer] , te dwingen iets te doen, te dulden en vrees aan te jagen, immers heeft verdachte wederrechtelijk stelselmatig, meermalen

- die [naam slachtoffer] telefonisch (per sms en per whatsapp) en via internet (met emails) benaderd met hinderlijke en of bedreigende of beledigende tekst(en) en

- familieleden en vriend(en) en collega('s) en werkgever(s) ( [naam bedrijf] en de [naam instelling] ) van die [naam slachtoffer] telefonisch en via internet (via emails) benaderd met hinderlijke tekst(en) en

- die [naam slachtoffer] en familieleden achtervolgd en

- die [naam slachtoffer] opgewacht bij haar woning en werk;

2. hij in de periode van 1 juli 2016 tot en met 31 juli 2016 te Rotterdam [naam slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een (personen)auto met hoge snelheid afgereden op [naam slachtoffer] ;

3. hij in de periode van 1 november 2015 tot en met 30 november 2015 te Rotterdam, [naam slachtoffer] heeft mishandeld door haar (met kracht) aan de arm te trekken.

Bij het opmaken van de aantekening van het mondeling vonnis ten behoeve van het ingesteld hoger beroep werd het volgende geconsteerd. In de telastelegging is een onjuiste pleegplaats opgenomen. Dit moet beoordeeld worden als een misslag, die niet als een kennelijke verschrijving kan worden verbeterd. De verdachte had hierop dienen te worden vrijgesproken.

Kwalificaties

De bewezen feiten leveren op:


T.a.v. feit 1: belaging

T.a.v. feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

T.a.v. feit 3: mishandeling

Strafbaarheid feiten

De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid verdachte

De verdachte is strafbaar.

Uit de bewijsmiddelen staat vast dat de verdachte gedurende een lange tijd aangeefster heeft gevolgd, emails heeft gestuurd, haar heeft aangesproken en haar heeft gebeld. Daarmee heeft de verdachte haar vrees aangejaagd, haar gedwongen tot het verrichten van handelingen en in deze periode het haar onmogelijk gemaakt om onbevangen te leven. Aangeefster werd zelf hierdoor gedwongen naar een andere stad te verhuizen om zo de verdachte te ontlopen.

Toegepaste wetsartikelen

Artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 285, 285b, 300

van het Wetboek van Strafrecht.

Strafoplegging

Gevangenisstraf voor de duur van drie maanden,

met bevel dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt.

Taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan,

met bevel dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen.

Algemene en bijzondere voorwaarden

Algemene voorwaarden:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Bijzondere voorwaarde:

- de veroordeelde zal op geen enkele wijze – direct of indirect - contact opnemen, zoeken of hebben met [naam slachtoffer] , geboren te [geboorteplaats slachtoffer] op [geboortedatum slachtoffer] gedurende de proeftijd van 2 jaren.

Aan genoemde reclasseringsinstelling wordt opdracht gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Motivering strafoplegging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

_________________________________________________________________________

De politierechter geeft aan de verdachte kennis dat hij binnen veertien dagen hoger beroep kan instellen tegen dit vonnis en maakt hem opmerkzaam op het recht om op de terechtzitting van dat rechtsmiddel afstand te doen.

Dit proces-verbaal is vastgesteld en ondertekend door de politierechter en de griffier.