Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:10392

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-03-2017
Datum publicatie
05-02-2018
Zaaknummer
5186666 CV EXPL 16-5083
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling van stelplicht en bewijslast bij een vordering jegens de verzekeraar op grond van artikel 6 Wam en met betrekking tot in reconventie gevorderde buitengerechtelijke kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 5186666 CV EXPL 16-5083

uitspraak: 30 maart 2017

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [plaatsnaam],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

gemachtigde: mr. S.M. Bothof,

tegen:

de naamloze vennootschap
Achmea Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. A.P.E. de Ruiter.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘Achmea’.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. de dagvaarding van 17 juni 2016;

  2. de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie;

  3. de conclusie van antwoord in reconventie;

  4. het tussenvonnis van 15 september 2016 waarin een comparitie van partijen is bepaald;

  5. de aantekening dat de comparitie heeft plaatsgevonden op 18 november 2016.

Het vonnis is nader bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

2.1

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken, staat het volgende tussen partijen vast.

2.2

[eiser] was eigenaar van een Audi S5 met als kenteken [kentekennummer]. [eiser] heeft op 30 april 2015 een aanrijding gehad met de heer [K.], die op dat moment een Opel Corsa bestuurde waarvoor hij was verzekerd bij Achmea.

2.3

[eiser] en [K.] hebben een aanrijdingsformulier ingevuld. Op dat formulier is afgebeeld dat het voertuig van [eiser] ten opzichte van het voertuig van [K.] van rechts kwam. Als opmerking heeft [eiser] geschreven: “Voertuig B verleende geen voorrang”. Zowel [eiser] als [K.] hebben Achmea aangesproken voor de schade aan de voertuigen.

2.4

Achmea heeft de heer [S.] opdracht gegeven onderzoek te verrichten. [S.] heeft in zijn rapport – voor zover thans van belang – het volgende geschreven.

Vraagstelling:

In het rechter voorportier werd een stempelvormige afdruk van de kentekenletter/ cijfer combinatie “F-2” aangetroffen, zie onderstaande foto’s. Deze afdruk is te plaatsen bij een contact met de zogenaamde “luxe” kentekenplaat van de Audi die voorzien is van oplegde kunststof letters en cijfers. Verder werd in het rechter voorportier en op de velg van het rechter voorwiel van de Opel ronde witkleurige stempelvormige afdrukken aangetroffen, zie onderstaande foto’s.

Deze witkleurige afdrukken zijn gezien de vorm en kleurstelling te plaatsen bij een contact met de parkeersensoren die in de voorbumpercover van de Audi bevestigd waren. Qua hoogte kan de afdruk op de velg passen indien men de velg een kwart slag naar recht draait waarbij de afdruk zich ineen nagenoeg verticale positie bevindt.

Op basis van de hiervoor besproken contactkenmerken kan een onderlinge positie van de Audi en de Opel tijdens de botsing worden bepaald, de zogenaamde botsconfiguratie. In de figuur hieronder is met behulp van schaalmodellen de (±) botsconfiguratie voorgesteld.


(…)

De hiervoor besproken stempelvormige afdruk van de kentekenplaatletter/cijfer combinatie “F2” van de Audi is niet tijdens deze beweging te verwachten, omdat de kentekenplaat tijdens de botsing het eerste deel van de Audi betreft dat in contact komt met de rechterflank van de Opel.

De stempelvormige afdruk van de kentekenletter/cijfer combinatie “F-2” is wel tijdens de indringfase te verwachten indien de Opel ten tijde van het botscontact stil dan wel nagenoeg stilstond.

(…)

Resumé schadeplausibiliteit :

Op basis van het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de verklaarde gereden snelheid van de Opel vlak voor dan wel tijdens de aanrijding met de Audi - ± 25 – 30 km/h — niet in overeenstemming is met het schadebeeld aan de rechterflank van de Opel en de voorzijde van de Audi. De Opel heeft tijdens de botsing stil dan wel nagenoeg stilgestaan.

Conclusie
Op basis van het onderzoek en analyse wordt het volgende geconcludeerd:
- De Audi is met de voorzijde tegen de rechterflank van de Opel gebotst.
- De Opel kan met linker voorzijde in botscontact zijn geweest met de volgens opgave geparkeerde oplegger indien deze blauw en geel van kleur was.
- De door de Opelbestuurder verklaarde gereden snelheid van ± 25 -30 km/h vlak voor dan wel tijdens de aanrijding komt niet overeen met het schadebeeld aan de rechterflank van de Opel en de voorzijde van de Audi. De Opel heeft tijdens de botsing stil dan wel nagenoeg stil gestaan.”

2.5

Op 12 juni 2015 heeft Achmea een interview afgenomen met [eiser]. [eiser] heeft daarbij – voor zover thans van belang – het volgende verklaard.

“V: Wat kunt u mij vertellen over de gebeurtenissen van 30 april 2015?
A: Ik was op weg naar huis. Ik had mijn bedrijf afgesloten. Ik reed samen met een vriend van mij over de Wattstraat in de richting van de Amperestraat. Ik had voorrang op het verkeer dat van links komt. Ik keek naar rechts. Ik zag niets aankomen. Ik stuurde al naar links om de bocht te nemen. Op dat moment kwam er ineens een auto van links die ik niet heb zien aankomen. Ik heb er ook niet opgelet omdat ik voorrang heb op deze kruising. Ik raakte de andere auto aan de rechter voorzijde.

(…)

V: Wat gebeurde er precies?
A: Zoals gezegd reed ik de straat uit en wilde links afslaan. Ik heb wel naar rechts gekeken of er iemand aankwam. Terwijl ik de kruising opreed knalde ik tegen een auto die van links kwam en mij voorrang had moeten verlenen. Ik heb niet geremd omdat ik de andere auto helemaal niet aan heb zien komen. Pas na de aanrijding kwam ik tot stilstand.”

2.6

Bij brief van 27 juli 2015 heeft Achmea geschreven dat zij de door [eiser] geleden schade niet zal vergoeden omdat Achmea van oordeel is dat sprake is van fraude. Achmea heeft daarnaast de gegevens van [eiser] opgenomen in het incidentenregister en in het Melding Extern Verwijzingsregister.

2.7

Achmea heeft de heer [S.] naar aanleiding van een reactie van de destijds gemachtigde van [eiser] in oktober 2015 om een nadere reactie gevraagd. [S.] heeft daarin – voor zover thans van belang – het volgende geschreven:
“De heer [D.] stelt in zijn brief dat uit niets blijkt dat de botsing tussen de voorzijde van de Audi en de rechterflank van de Opel exact onder een botshoek van 90 heeft plaatsgevonden. Deze stelling is niet juist In het rapport P-CVD1508900 — pagina 9 — werd op basis van de contactkenmerken die werden herleid uit het schadebeeld van de Audi en de Opel een onderlinge ± positie van de Audi en de Opel tijdens de botsing bepaald, de zogenaamde botsconfiguratie. Getuige deze botsconfiguratie kan een botshoek van exact 90 wel degelijk aan de orde zijn geweest. De term ± werd gebruikt omdat mende botsconfiguratie niet op één graad nauwkeurigheid kan bepalen.
De kentekenplaat van de Audi is het eerste deel van de voorzijde van de Audi dat tijdens den indringfase van de botsing met de rechter voorflank van de Opel in botscontact kwam. Indien de Opel in beweging was met een snelheid van 25 -30 km/h dan wordt de kentekenplaatletter/ - cijfer combinatie “F-2 van de Audi niet opgedrukt dan wel platgedrukt en kan de kentekenplaatletter/cijfer combinatie “F—2” niet stempelvormig aftekenen op het rechter voorportier van de Opel.”

2.8

[eiser] heeft de heer [B.] en de heer [W.] [hierna: [W.]] gevraagd een deskundigenrapport op te stellen.

[B.] heeft in zijn rapport – voor zover thans van belang – het volgende geschreven:

“(…) Op grond van de beschreven aanrijding ter plaatste, van de verkeerssituatie, en de beschrijving/uitleg van de bestuurder(s) op het aanrijdingsformulier, is het meer dan aannemelijk dat de Audi met een snelheid van ca. 20-30 km/h onder een flauwe hoek op de rijbaan van de Opel gekomen is. Daar de Audi een bocht maakte om op de Ampèrestraat te komen, stond de Audi ten tijde van de impact schuin op de rijbaan.

De Audi is dus niet frontaal, maar onder een (flauwe) hoek ingedrongen op de Opel.

Het is ook aannemelijk, dat de Audi een inprint (onderzoek [S.]) van het eigen kenteken op de Opel heeft achter gelaten en dat het Audi-kenteken daarna door de impact van de botsing is weggesprongen. In tegenstelling tot het aangevoerde stuk van Dhr. [S.] van de botsproeven, waar de kentekens met vier schroeven bevestigd waren, was de kentekenplaat van de Audi simpel geklemd in nummerplaathouder en niet geschroefd.

Met het oog op bovenstaand en de tot mij ter beschikking gestelde informatie is het dus vrijwel evident, dat conclusies uit het rapport botsproeven [S.] derhalve niet leidend kunnen zijn voor een vergelijk naar de aanrijding tussen de Audi en de Opel.”

[W.] heeft in zijn rapport – voor zover thans van belang – het volgende geschreven:

Conclusie

Omdat aannemelijk is dat de botsing heeft plaatsgevonden onder een hoek van 90 graden, kan het in Duitsland uitgevoerde onderzoek niet worden toegepast in onderhavig schade-incident.

Voorts kunnen de conclusies uit het Duitse onderzoek in verband met het specifieke schadebeeld van de kentekenplaten in het onderhavige geval niet dienovereenkomstig worden toegepast, omdat de kentekenplaat in het Duitse onderzoek met vier schroeven aan de bumper was bevestigd, terwijl de kentekenplaat van de Audi door middel van een plastic kentekenhouder was bevestigd. Het is aannemelijk dat de kentekenplaat door het geweld van de botsing van de bumper is losgeraakt, waardoor geen schaven waarneembaar zijn.

Op grond van het voorgaande ben ik van mening dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de door de heer [S.] genoemde feiten en omstandigheden de door hem getrokken conclusie, dat de Opel ten tijde van de botsing stilstond dan wel nagenoeg stilstond, rechtvaardigt.”

2.9

Achmea heeft naar aanleiding van de rapporten van [B.] en [W.] een reactie gevraagd van [S.]. Daarin heeft [S.] – voor zover thans van belang – het volgende geschreven:

“De botsconfiguratie waarbij de Audi onder een flauwe hoek in botsing komt met de Opel past niet bij het schadebeeld van de Audi. Onder deze flauwe hoek zouden namelijk het rechter voorscherm, het rechter en voorste deel van de motorkap en de rechter koplampunit — op de foto’s hieronder aangegeven met behulp van rode pijlen — van de Audi deelnemen aan het botscontact en beschadigd/gedeformeerd worden. Het rechter voorscherm en het rechter en voorste deel van de motorkap vertoonde vrijwel geen (contact)schade. De motorkap is voornamelijk opgedrukt/vervormd door het contact met de sterkere/stijvere A-stijl van de Opel, op de foto hieronder weergegeven met behulp van een rood kader. De rechter koplampunit was weliswaar belast c.q. licht beschadigd, maar is niet volledig beschadigd zoals te verwachten onder de gestelde nauwe hoek.

Kortom, de stelling van de heer [W.] en de heer [B.] dat de door ondergetekende bepaalde botsconfiguratie van ± 90° niet juist is en de Audi onder een flauwe hoek in botsing is gekomen met de Opel is niet correct én is ook niet in overeenstemming met de door de heer [K.] verklaarde posities. Het moet een (±) botsconfiguratie zijn geweest zoals door ondergetekende werd bepaald en beschreven in het rapport P-CVD1508900.

3 De vordering en het verweer in reconventie

3.1

[eiser] vordert in conventie dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. Achmea wordt veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] € 18.500,-- te betalen, te vermeerderen met de rente over dit bedrag vanaf 30 april 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

II. Achmea wordt veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de meldingen/registraties in het incidentenregister en in het Melding Extern Verwijzingsregister ongedaan te maken, te schrappen of te verwijderen;

III. iedere veroordeling op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 750,-- per dag dat Achmea (deels) in gebreke blijft uitvoering te geven aan bovengenoemde veroordelingen, tot een maximum van € 25.000,--;

IV. [eiser] wordt veroordeeld in de proceskosten inclusief een bedrag aan nakosten.

3.2

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de door hem gestelde toedracht met betrekking tot de aanrijding de juiste is en dat derhalve geen sprake is van fraude. Achmea is daarom – aangezien de aanrijding de schuld was van [K.] – gehouden de door hem geleden schade te vergoeden. Achmea handelt daarnaast onrechtmatig door hem op te nemen in bovengenoemde registers.

3.3

Achmea heeft verweer gevoerd. Daarop zal – voor zover van belang – hierna worden ingegaan.

4 De vordering en het verweer in reconventie

4.1

Achmea vordert in reconventie dat [eiser] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van:

I. € 2.434,52, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2015;

II. € 326,70, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2015;

III. € 767,74, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 mei 2016;

IV. € 77,04, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2015;

V. € 375,85, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 juni 2015;

VI. € 488,11, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2015;

VII. € 1.391,12, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 juli 2015;

VIII. € 372,66, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2015;

IX. € 669,52, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 juni 2015;

X. de proceskosten, waaronder een bedrag aan nakosten.

4.2

Achmea legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. [eiser] heeft de aanrijding met [K.] in scène gezet. Hij heeft daarmee onrechtmatig gehandeld en is gehouden de kosten die Achmea ter vaststelling daarvan heeft moeten maken, te vergoeden.

4.3

[eiser] heeft verweer gevoerd. Daarop zal – voor zover van belang – hierna worden ingegaan.

5 De beoordeling

1.

5.1

Niet in geschil is dat [K.] met Achmea een verzekeringsovereenkomst heeft gesloten op grond waarvan Achmea gehouden is door derden geleden schade te vergoeden voor zover de bestuurder van het voertuig van [K.] daarvoor aansprakelijk is. Op grond van artikel 6 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen [hierna: Wam] heeft een benadeelde jegens de verzekeraar door wie de aansprakelijkheid volgens de Wam is gedekt, een eigen recht op schadevergoeding.

5.2

Het vorenstaande neemt niet weg dat [K.], en daarmee Achmea, slechts door [eiser] kunnen worden aangesproken indien en voor zover [eiser] schade heeft geleden als gevolg van onrechtmatig handelen van [K.]. Het is op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv. aan [eiser], voor zover hij zich jegens Achmea beroept op de gevolgen van de aansprakelijkheid van [K.], om die feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat [K.] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld.

5.3

Ter zitting heeft [eiser] een andere bewijslastverdeling bepleit. Hij heeft daarbij onder meer gewezen op de bewijslastverdeling die voortvloeit uit artikel 7:941 BW. Een beroep op dit artikel leidt tot een andere bewijslastverdeling indien op grond van een tussen de verzekeraar en verzekerde gesloten overeenkomst de verzekeraar in beginsel gehouden is tot vergoeding van schade en de verzekeraar zich er vervolgens op beroept dat de verzekerde zijn meldingsplicht heeft geschonden, als gevolg waarvan het recht op uitkering is komen te vervallen of de uitkering verminderd dient te worden. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake.

5.4

In reconventie beroept Achmea zich op de rechtsgevolgen van het door haar gestelde onrechtmatig handelen van [eiser]. Immers, alleen indien komt vast te staan dat sprake is van een geënsceneerde aanrijding, is [eiser] jegens haar gehouden tot vergoeding van de kosten die zij heeft moeten maken ter vaststelling daarvan. In dat verband is het dan ook aan Achmea om die feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat [eiser] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld.

5.5

Partijen hebben reeds deskundigen geraadpleegd over de toedracht van de aanrijding. Naar het oordeel van de kantonrechter moet op basis van die rapporten voorshands worden aangenomen dat sprake is van een geënsceneerde aanrijding. De conclusies van [S.] bieden voldoende grondslag om aan te nemen dat de auto van [K.] tijdens de aanrijding heeft stilgestaan, hetgeen in strijd is met de verklaringen van [eiser]. [B.] en [W.] hebben de conclusie van [S.] weliswaar in twijfel getrokken, maar zij hebben – in vergelijking tot [S.] – onvoldoende onderbouwd waarop zij dit baseren. Bovendien is de kritiek van [W.] en [B.] door [S.] gemotiveerd weerlegd.

5.6

[eiser] zal gelet op het vorenstaande – zowel in conventie als in reconventie – in de gelegenheid worden gesteld om te bewijzen respectievelijk – in het kader van tegenbewijs – aannemelijk te maken dat [K.] daadwerkelijk een aanrijding met hem heeft veroorzaakt c.q. dat deze aanrijding tussen hem en [K.] niet is geënsceneerd, een en ander als hierna in het dictum omschreven.

5.7

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

6 De beslissing

De kantonrechter:

In conventie en in reconventie:

stelt [eiser] (in conventie) in de gelegenheid om de door hem gestelde toedracht van de aanrijding te bewijzen;

stelt [eiser] (in reconventie) in de gelegenheid om in het kader van tegenbewijs aannemelijk te maken, dat [eiser] de bedoelde aanrijding niet in scène heeft gezet;

verwijst de zaak naar de rolzitting van donderdag 4 mei 2017 om 10:00 uur, teneinde [eiser] in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten of hij dit bewijs en tegenbewijs wenst te leveren en,

- indien hij dit bewijs schriftelijk wenst te leveren, dit dadelijk bij deze akte te doen, en

- indien hij dit bewijs wenst te leveren door het doen horen van getuigen, dadelijk bij deze akte op te geven de namen van de voor te brengen getuigen met de verhinderdata van alle betrokkenen, zodat onmiddellijk ter rolzitting een of meer data voor de getuigenverhoren kunnen worden bepaald;

bepaalt dat eventuele getuigenverhoren zullen plaatsvinden in het gerechtsgebouw aan het Steegoversloot 36 te Dordrecht voor de hierna te noemen kantonrechter;

wijst [eiser] erop dat hij voor te brengen getuigen zelf zal dienen op te roepen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

371