Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:10390

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-09-2017
Datum publicatie
02-02-2018
Zaaknummer
4794050 CV EXPL 16-1018
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid vanwege niet nakomen contractuele verplichtingen. Afhankelijkheid dochteronderneming van kaptiaalinjecties van de holding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/615
INS-Updates.nl 2018-0032
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 4794050 CV EXPL 16-1018

uitspraak: 14 september 2017

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Mikomax Nederland B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

eiseres,

gemachtigde: mr. N.J.P. Vanaken,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Rietlanden Holding B.V.,

gevestigd te [plaatsnaam] ,

2. [gedaagde 2] ,

wonende te Sliedrecht,

gedaagden,

gemachtigde: mr. E. Hoogendam .

Partijen worden hierna aangeduid als ‘Mikomax’, ‘Rietlanden Holding’ en ‘ [gedaagde 2] ’.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. het tussenvonnis van 14 juli 2016 en de daarin genoemde stukken;

  2. het proces-verbaal van het op 14 oktober 2016 gehouden getuigenverhoor;

  3. het proces-verbaal van het op 1 mei 2017 gehouden getuigenverhoor;

  4. de conclusie na getuigenverhoor van de zijde van Mikomax;

  5. de conclusie na getuigenverhoor van de zijde van gedaagden.

Het vonnis is bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

2.1

Bij tussenvonnis van 14 juli 2017 is Mikomax in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat gedaagden op 26 augustus 2014 wisten of behoorden te begrijpen dat Total Office de betalingsverplichting ten aanzien van de op dat moment nog niet door Mikomax geleverde goederen niet zou kunnen nakomen.

2.2

Mikomax heeft ter levering van het bewijs de volgende getuigen doen horen:

I. [getuige A]
destijds commercieel medewerker bij [de failliet];

II. [getuige B] ],
destijds commercieel directeur bij [de failliet];

III. [getuige C.] ],
destijds directeur van Mikomax.

2.3

Gedaagden hebben de volgende getuigen doen horen:

I. [Getuige 1] ],
(ook) destijds de advocaat van [gedaagde 2] ;

II. [gedaagde 2] ,
bestuurder van Rietlanden Holding en gedaagde onder 2;

III. [getuige 3] ,
de echtgenote van [gedaagde 2] .

2.4

Niet in geschil is dat dat [de failliet] vanwege haar slechte financiële situatie afhankelijk was van kapitaalverstrekking door Rietlanden Holding. Uit de verklaring van [Getuige 1] blijkt dat [de failliet] op het moment van faillissement meer dan € 800.000,- schuld had aan Rietlanden Holding (en/of [gedaagde 2] ). Op grond van die omstandigheden had voor [gedaagde 2] duidelijk moeten zijn dat [de failliet] - bij gelijkblijvende omstandigheden - niet in staat zou zijn haar verplichtingen na te komen indien Rietlanden Holding niet opnieuw kapitaal zou verstrekken.

2.5

Op basis van de getuigenverklaringen kan niet als bewezen worden beschouwd dat [gedaagde 2] begin augustus 2014 reeds had besloten faillissement aan te vragen dan wel dat hij reeds had besloten geen geld meer in [de failliet] te investeren. De verklaringen van [getuige A] en [getuige B] zijn daarvoor onvoldoende.

2.6

Gesteld noch gebleken is dat tussen augustus 2014 en september 2014 gebeurtenissen hebben plaatsgevonden die maken dat de situatie rondom [de failliet] in die periode is veranderd. Evenmin was er aanleiding om aan te nemen dat de situatie op korte termijn zou verbeteren, bijvoorbeeld omdat sprake was van mogelijk geïnteresseerde investeerders. Op het moment dat [gedaagde 2] het e-mailbericht van 26 augustus 2014 verstuurde, had hij dan ook moeten beseffen dat hij in redelijkheid geen andere keuze zou hebben dan te besluiten om geen geld meer aan de [de failliet] te verstrekken. Een en ander blijkt ook uit het feit dat zowel de zoon als de echtgenote van [gedaagde 2] van mening waren dat [gedaagde 2] volgens hen eerder ‘de stekker eruit had moeten trekken’.

2.7

Het vorenstaande neemt niet weg dat moet worden aangenomen dat [gedaagde 2] te goeder trouw kapitaal is blijven verstrekken aan [de failliet]. Van enige intentie of vooropgezet plan om de goederen van Mikomax geleverd te krijgen en vervolgens een faillissement aan te vragen, is niet gebleken. Toch kan naar het oordeel van de kantonrechter [gedaagde 2] door het versturen van het e-mailbericht van 26 augustus 2014 persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt. [gedaagde 2] had immers moeten beseffen dat [de failliet] de tegenprestatie voor de te leveren goederen – zonder nieuwe kapitaalinjectie – niet zou kunnen voldoen. Voorts diende hij te beseffen dat hij zou moeten besluiten geen nieuwe kapitaalinjectie meer te laten plaatsvinden. Aangezien Mikomax de goederen juist onder zich hield ter zekerheidstelling voor betaling, moet het actief aansporen van Mikomax om toch opnieuw te leveren als een persoonlijk ernstig verwijt worden aangemerkt. Rietlanden Holding en [gedaagde 2] zijn daarom als bestuurder en indirect bestuurder aansprakelijk voor de door Mikomax geleden schade.

2.8

De vordering van Mikomax tot vergoeding van de schade en de gevorderde verklaring voor recht zullen worden toegewezen. De wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten zullen eveneens worden toegewezen nu daartegen geen nader verweer is gevoerd.

2.9

Gedaagden zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

3 De beslissing

De kantonrechter:

verklaart voor recht dat gedaagden als gevolg van hun handelwijze hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door Mikomax geleden schade;

veroordeelt gedaagden hoofdelijk tot betaling binnen een termijn van veertien dagen na vonniswijzing van een bedrag van € 19.829,24, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 18.865,58 vanaf de vervaltermijnen van de betreffende facturen tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Mikomax vastgesteld op € 941,- aan griffierecht, € 90,38 aan explootkosten en € 1.200,- aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

371