Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:10385

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-07-2017
Datum publicatie
01-02-2018
Zaaknummer
C/10/529148 / KG ZA 17-656
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering opheffen beslag op schip afgewezen. Schip is eigendom van rechtspersoon waarin de aandelen deels gehouden worden door het Ministerie van financiën staat Nigeria. Onvoldoende aannemelijk dat het beslag onrechtmatig is wegens staatsimmuniteit. Summierlijk toetsend geen ondeugdelijke vordering. Aanleiding tot herbegroting vordering. Vordering begroot op € 3.530.000,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/539821 / KG ZA 17-1276

Vonnis in kort geding van 11 december 2017

in de zaak van

de rechtspersoon naar vreemd recht ASSET MANAGEMENT COMPANY OF NIGERIA,

gevestigd te Abuja, Nigerië,

eiseres in conventie,

advocaat mr. T. Bezmalinovic,

tegen

1 de rechtspersoon naar vreemd recht EUROFINANCE SERVICES INC.,

gevestigd te Monrovia, Liberia,

2. de rechtspersoon naar vreemd recht EUROFINANCE SERVICES INC, gevestigd te Monrovia, Liberia, als gevolmachtigde van EUROTANKERS INC.,

gevestigd te Piraeus, Griekenland,

3. de rechtspersoon naar vreemd recht EUROTANKERS INC,

gevestigd te Piraeus, Griekenland,

advocaat mr. R.A.D. Blaauw.

Partijen zullen hierna AMCON en Eurofinance c.s. genoemd worden. Gedaagde sub 1. zal daarnaast worden aangeduid met Eurofinance.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de producties van AMCON

  • -

    de producties van Eurofinance c.s.

  • -

    de mondelinge behandeling op 30 november 2017

  • -

    de pleitnota van AMCON, met eiswijziging,

  • -

    de pleitnota van Eurofinance c.s.

  • -

    de eis in reconventie, zoals geformuleerd in de overgelegde conceptdagvaarding.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

AMCON is de geregistreerd als eigenaar van het zeeschip ‘Mongolia’ bekend onder IMO nummer 9041069 (hierna: het schip).

2.2.

AMCON en Eurofinance hebben, beide vertegenwoordigd door een makelaar, onderhandeld over de verkoop van het schip aan Eurofinance.

Op 22 maart 2016 is tussen de makelaars van partijen overeenstemming bereikt over de koopprijs van USD 8.000.000,00.

2.3.

Op 1 april 2016 heeft AMCON aan Eurofinance c.s., voor zover van belang, bericht:

“AMCON Management had decided to discontinue the sale of the vessel in view of the interest expressed by the federal government of Nigeria in retaining the vessel for national use. All previous offers are hereby withdrawn.”

2.4.

Op 14 april 2016 heeft Eurofinance – blijkens het rekest mede namens Eurotankers Inc., gevestigd te Piraeus, Griekenland – krachtens beslagverlof van de voorzieningenrechter van deze Rechtbank van 14 april 2016 conservatoir beslag gelegd op het schip voor, blijkens het rekest, een vordering begroot op USD 5.830.000,00 (USD 5.000.000,00 vermeerderd met een bedrag aan rente en kosten) op grond van geleden schade waarvoor AMCON volgens Eurofinance aansprakelijk is.

2.5.

Tussen partijen is te Londen een door Eurofinance aangevangen arbitrageprocedure aanhangig. Op 12 augustus 2016 is in die procedure de statement of claim ingediend.

In het beslagverlof van 14 april 2016 werd de termijn van artikel 700 lid 3 Rv bepaald op vier weken na beslaglegging. Binnen de bepaalde termijn is (ook) een bodemzaak aanhangig gemaakt te Rotterdam. De behandeling van de bodemprocedure zal op verzoek van partijen niet eerder dan eind 2017 aanvangen in verband met voornoemde arbitrageprocedure.

2.6.

AMCON heeft Eurofinance in kort geding gedagvaard en geconcludeerd tot opheffing van het beslag (procedure met zaak-/rolnummer: C/10/529148 / KG ZA 17-656). Vervolgens is op 17 juli 2017 door de voorzieningenrechter van deze rechtbank een vonnis gewezen dat, voor zover van belang voor dit geding, luidt als volgt:

“(…)

4.11

Summierlijk toetsend kan er niet zonder meer worden uitgegaan dat Eurofinance naar Engels recht geen vordering op Eurofinance (voorzieningenrechter lees: AMCON) heeft.

4.12

Uit moet worden gegaan van het in 4.8 opgenomen toetsingskader.

Voor de beoordeling is van belang is dat AMCON heeft aangevoerd dat volgens haar geen overeenkomst tot stand is gekomen, kort gezegd, omdat geen memorandum of agreement tot stand is gekomen of ondertekend en geen toestemming van de ‘board of directors and shareholders’ is verkregen, terwijl Eurofinance wist dat die wel was vereist. Ten aanzien van dit laatste punt heeft Eurofinance aangevoerd dat de toestemming niet (langer) was vereist vanaf het moment dat op accept/except basis werd onderhandeld. Blijkens de e-mails die als producties zijn ingediend heeft AMCON in elk geval op 17 maart 2016 gereageerd op een bod van Eurofinance waarin zij zelf aangeeft dat het gaat om een ‘accept except basis’ reactie.

Daarnaast is van belang dat Eurofinance heeft aangevoerd dat zij naar Engels recht een vordering heeft ofwel op grond van de overeenkomst, ofwel wegens de afgebroken onderhandelingen. Beide grondslagen leiden volgens Eurofinance, naar Engels recht, tot de conclusie dat Eurofinance een vordering met als omvang het verschil tussen de “current market value” van het schip in maart/april 2016 en de koopprijs, verminderd met de reactiveringskosten.

Vervolgens is van belang dat vaststaat dat partijen hebben onderhandeld over de verkoop van het schip. Uit de mails van de door hen ingeschakelde makelaars blijkt dat op relevante hoofdpunten overeenstemming was bereikt. Ook over de prijs. Over de status van het onderhandelingsresultaat en of voor het sluiten van de definitieve overeenkomst toestemming van de board was vereist twisten partijen. En daarmee twisten zij dus ook over het antwoord op de vraag of daadwerkelijk een overeenkomst tot stand is gekomen.

4.13

In dit kort geding is het bij deze stand van zaken, gelet op het beperkte karakter van de procedure, niet vast te stellen of Eurofinance naar Engels recht in deze situatie jegens AMCON aanspraak heeft op schadevergoeding. Dat is echter ook niet uit te sluiten, nu een koopovereenkomst niet steeds door middel van een geschrift hoeft te worden gesloten of bewezen en daarnaast, naar Engels recht, in specifieke gevallen de mogelijkheid voor buitencontractuele aansprakelijkheid bestaat. Daarmee is gegeven dat summierlijk toetsend niet is gebleken van een ondeugdelijke vordering.

4.14

Wat betreft de omvang van de gepretendeerde vordering geldt evenwel dat aanleiding bestaat voor een herbegroting. Voor de berekening van de gepretendeerde schade(vordering) dient, ook naar het Engelse recht, een vergelijking plaats te vinden waarbij de concreet geleden schade het uitgangspunt is. Zoals beide partijen lijken te veronderstellen geldt dat voor die berekening relevant is wat de waarde van het schip was in 2016. Die waarde valt in dit kort geding niet met absolute zekerheid vast te stellen.

De begroting van de vordering zal de voorzieningenrechter baseren op een schatting van de (mogelijke) schade, daarbij uitgaande van het verschil tussen de overeengekomen prijs van USD 8.000.000,00 en de “current market value” van het schip vastgesteld op maart/april 2016. Ook het aspect van de kosten die Eurofinance had moeten maken direct na aankoop zal in de schatting worden meegewogen.

4.15

Eurofinance heeft zich beroepen een taxatie van Poten en Partners, die een marktwaarde noemt van USD 13.000.000,00 - 15.000.000,00 uitgaande van de datum 20 april 2016. Voorts stelt zij een taxatierapport in haar bezit te hebben van [persoon 1] AS die uitgaat van USD 14.000.000,00. Dat rapport is niet in het geding gebracht. De juistheid van de taxatie van Poten en Partners is door AMCON, onder verwijzing van door haarzelf in het geding gebrachte taxaties gemotiveerd weersproken.

Het ‘Market Valuation Cerficate’, waarop AMCON zich beroept, van Vessels Value Ltd noemt een markt waarde van USD 11.190.000,00 uitgaande van de datum 2 mei 2016 en het rapport van Alpina ‘Cerficate of Valuation’ noemt een marktwaarde noemt van USD 6.000.000,00 - 7.000.000.000 uitgaande van de datum van 15 mei 2016.

Die bedragen en het door Eurofinance genoemde bedrag lopen behoorlijk uiteen, ook wanneer rekening wordt gehouden met de verschillende uitgangspunten in de taxaties (ofwel in de staat waarin het schip zich bevindt, ofwel rekening houden met direct te maken kosten).

Ten aanzien van de te maken kosten geldt dat kennelijk, blijkens de pleitaantekeningen van Eurofinance, minstens voor USD 991.300,00 aan kosten diende te worden gemaakt, terwijl AMCON betoogt dat met de benodigde werkzaamheden een veel hoger bedrag zou zijn gemoeid.

Wat betreft de ‘Dry Dock’ acht de voorzieningenrechter niet zonder meer aannemelijk dat deze noodzakelijk was in maart/april 2016, gelet op het gemotiveerde standpunt van Eurofinance onder verwijzing van het ‘pre-purchase survey rapport’ dat in september 2015 is opgesteld, voorafgaand aan de aangekondigde de veiling van het schip (welke veiling niet is doorgegaan), welk rapport de noodzaak van een ‘Dry Dock’ niet vermeldt.

4.16

In de taxaties van Vessels Value Ltd en Alpina waarop AMCON zich beroept ziet de voorzieningenrechter, ondanks de door Eurofinance daartegen aangevoerde bezwaren, aanleiding te veronderstellen dat de door Eurofinance begrote waarde van het schip van USD 13.000.000,00 aan de hoge kant is. Daarbij komt dat sprake is van een ‘desktop valuation’ en dat Eurofinance de stelling van AMCON dat die waardering niet is gebaseerd op een bezoek aan het schip niet heeft weersproken.

4.17

Eurofinance heeft verzocht in dit geding getuigenbewijs te mogen aanbieden om meer duidelijkheid te verschaffen over de toestand van het schip. De voorzieningenrechter ziet daarin geen aanleiding een tussenvonnis te wijzen en Eurofinance die mogelijkheid te bieden. De kort geding procedure leent zich niet (goed) voor (getuigen)bewijslevering.

4.18

Gelet op de thans beschikbare taxaties en hetgeen partijen hebben aangevoerd over de kosten is voorshands aannemelijk dat de relevante marktwaarde hoger ligt dan het door AMCON gestelde bedrag en minder is dan door Eurofinance aangenomen. Het ligt naar het oordeel van de voorzieningenrechter daarom – en mede gelet op de wederzijds gestelde belangen – in de rede te bepalen dat de vordering waarvoor het beslag ten laste van AMCON op het schip “Mongolia” is gelegd, in redelijkheid nader wordt begroot op USD 3.000.000,00, waarop de gebruikelijke toeslag voor rente en kosten wordt toegepast, zodat de vordering in totaal wordt begroot op USD 3.530.000,00.

(…)

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1

begroot de vordering waarvoor het beslag ten laste van AMCON op het schip “Mongolia” is gelegd, nader op USD 3.530.000,00;

5.2

heft op het op 14 april 2016 ten laste van AMCON op het schip “Mongolia” gelegde beslag indien en zodra AMCON ten behoeve van Eurofinance zekerheid heeft gesteld in de vorm van een bankgarantie conform het Rotterdams Garantieformulier 2008 voor een bedrag van USD 3.530.000,00;

(…) ”

2.7.

Eurofinance c.s. heeft op 16 november 2017 de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om de vordering van Eurofinance c.s. voorlopig te begroten op USD 9.130.000 en (opnieuw) verlof te verlenen tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van AMCON op de “Mongolia”.

De voorzieningenrechter heeft het verlof voorlopig toegestaan met de opmerking:

“voorlopig, in die dat de voorzieningenrechter definitief op het verzoek zal beslissen nadat partijen zijn gehoord, waartoe de griffier een datum zal bepalen.”

Vervolgens heeft Eurofinance c.s. op 16 november 2017 beslag gelegd op de “Magnolia”.

3 Het geschil in conventie

3.1.

AMCON vordert – samengevat, na eiswijziging – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. opheffing van zowel het op 16 november 2017 gelegde beslag als het op 14 april 2016 gelegde beslag tegen zekerheidstelling voor primair een door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag dat lager is dan USD 3.530.000,00 dan wel subsidiair voor het bedrag van USD 3.530.000,00, op het Rotterdams Garantieformulier conform de tekst zoals overgelegd als productie 7 bij dagvaarding, met dien verstande dat ook een andere Nederlandse of Engelse eerste klas bank de garantie mag verstrekken,

  2. Eurofinance c.s. te verbieden een nieuw beslag op de “Mongolia” te leggen op straffe van verbeurte van een dwangsom van USD 500.000,00 per dag indien het verbod wordt overtreden

  3. Eurofinance c.s. te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

Eurofinance c.s. voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

Eurofinance c.s. vordert samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

De uitvoerbaar bij voorraad van het kort geding vonnis van 17 juli 2017 in de procedure met zaak-/rolnummer: C/10/529148 / KG ZA 17-656 te schorsen totdat het arrest in hoger beroep tegen dat vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, met veroordeling van AMCON in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen.

4.2.

AMCON voert verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie en in reconventie

5.1.

Hetgeen in het vonnis van 17 juli 2017 is overwogen met betrekking tot rechtsmacht en toepasselijk recht geldt als hier herhaald en ingelast.

Het spoedeisend belang is gelegen in de aard van de vorderingen en is als zodanig door geen van partijen betwist.

5.2.

Allereerst zal de voorzieningenrechter beoordelen of de vorderingen in dit kort geding inhoudelijk getoetst kunnen worden, gelet op het vonnis dat op 17 juli 2017 reeds tussen AMCON en Eurofinance is gewezen. In dat vonnis is een beslissing genomen over de vordering waarvoor thans (wederom) beslag is gelegd door Eurofinance c.s. en is die vordering begroot op USD 3.530.000,00. Het hoger beroep tegen het vonnis loopt nog.

In dit geding wensen partijen wederom een uitspraak van de voorzieningenrechter over de (omvang van) de gepretendeerde vordering van Eurofinance op AMCON.

5.3.

De voorzieningenrechter overweegt dat aan het onderhavige kort geding een (hernieuwd) beslagverzoek van Eurofinance c.s. is vooraf gegaan.

Eurofinance c.s. heeft in het beslagrekest gesteld dat sprake is van nieuwe feiten waaruit zou blijken dat de vordering (veel) groter is dan in het vonnis van 17 juli 2017 door de voorzieningenrechter begroot. Zij heeft haar stelling onderbouwd met een deskundigenrapport dat ten tijde van het eerste beslag nog niet beschikbaar was.

Eurofinance c.s. heeft haar belang bij het rekest onderbouwd met de vrees dat het schip verdwenen zou zijn tegen de tijd dat het gerechtshof in appel een beslissing zou hebben genomen, terwijl ook een beslissing inhoudende de schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van het gerechtshof niet tijdig – in de zin van: voordat het schip zou zijn vertrokken – zou kunnen worden verkregen.

Bij deze stand van zaken was het indienen van een nieuw beslagrekest, aldus Eurofinance c.s., de enige mogelijkheid om tijdig rechtsmaatregelen te kunnen treffen.

5.4.

De voorzieningenrechter heeft op het rekest beslist en het beslag voorlopig toegestaan, totdat partijen over het beslag zouden zijn gehoord. In de periode voordat de mondelinge behandeling voor het horen van partijen zou plaatsvinden, is het onderhavige kort geding aangevraagd door AMCON. De voorzieningenrechter heeft daarop bepaald dat het horen in een mondelinge behandeling zou plaatsvinden tegelijk met de behandeling van de vorderingen in het kort geding.

5.5.

Gelet op de hiervoor beschreven gang van zaken acht de voorzieningenrechter een nieuwe beoordeling van de zaak aangewezen. In deze situatie levert de omstandigheid dat eerder is beslist over de vordering(en) van partijen geen strijd met de goede procesorde op.

5.6.

De kernvraag die thans daarom moet worden beantwoord is of de nieuwe feiten waarop Eurofinance c.s. zich beroept, en de standpunten van partijen voor zover deze op nieuwe feiten zijn gebaseerd (waaronder het verweer van AMCON, die zich ook op nieuwe rapporten beroept) nopen tot een ander oordeel ten aanzien van de omvang van de vordering, dan in het vonnis van 17 juli 2017 is opgenomen.

5.7.

In het vonnis van 17 juli 2017 heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de begroting van de vordering gebaseerd was op een schatting, waarbij is uitgegaan van de waarde van het schip als vermeld in de toen ter beschikking staande deskundigenrapporten (respectievelijk taxatierapporten) en hetgeen door partijen in dat geding was aangevoerd over de te maken reactiveringskosten.

Ten aanzien van zowel de waarde als de kosten lagen de standpunten van partijen ver uiteen.

Rekening houdend met alle toen bekende feiten en omstandigheden en de wederzijds gestelde belangen is de vordering in het vonnis begroot op USD 3.530.000,00.

5.8.

Eurofinance c.s. meent dat het thans nieuw in het geding gebrachte rapport van [persoon 2] d.d. 14 november 2017 zonder meer aannemelijk maakt dat de vordering (veel) hoger is dan in het vonnis van 17 juli 2017 is begroot. Dat standpunt overtuigt de voorzieningenrechter niet.

Vaststaat dat vele deskundigen zich over dit geschil en de waarde van het schip hebben uitgelaten. Ook aan de zijde van AMCON zijn nieuwe rapporten (respectievelijk reacties op het rapport van [persoon 2] ) in het geding gebracht. De deskundigen blijken het op verschillende relevante punten met elkaar oneens te zijn. Het is niet aan de voorzieningenrechter zich te mengen in de discussie tussen die deskundigen.

5.9.

De begroting van de vordering is, anders dan Eurofinance c.s. in dit geding lijkt te betogen, niet uitsluitend gebaseerd op de (op basis van: Sound (reactivated) trading value) getaxeerde waarde van het schip, er vanuit gaande dat het schip in goede staat zou verkeren, maar is ook gebaseerd op de omvang van de kosten die nodig zouden zijn om het schip in die staat te krijgen.

Thans liggen nieuwe gegevens over de mogelijke waarde van het schip voor, maar verdere concrete informatie over de reactiveringskosten is niet voorhanden. Ook [persoon 2] heeft zich daar niet over uitgelaten (hetgeen, naar hij ter zitting uitdrukkelijk bevestigde, ook niet aan hem was). Ten aanzien van beide aspecten (kosten en waarde) was, en is nog steeds, onduidelijk welke bedragen ermee zijn gemoeid.

Ten aanzien van de waardering van het schip lopen de standpunten uiteen van USD 6.000.000,00 (rapport Alpina) tot 17.000.000,00 (rapport [persoon 2] ). Wat betreft de kosten variëren de taxaties tussen USD 991.300,00 (het in het vonnis genoemde bedrag) en USD 5.000.000,00, het door Marinco Survey BV op 27 november 2017 genoemde bedrag (productie 21 AMCON). Het door partijen aangevoerde is onvoldoende om een van de rapporten of stellingen van doorslaggevende waarde te achten of een bepaald bedrag als aannemelijk te beschouwen. De constatering – door Eurofinance c.s. als nieuw feit aangeduid – dat de “Mongolia” een aantal specifieke kenmerken heeft die een positieve invloed hebben op de waarde van het schip, zoals de in 2012 een aangebrachte coating, maakt dit niet anders. Immers ook negatieve aspecten, zoals bijvoorbeeld het een fors aantal jaren uit de vaart zijn van de “Mongolia”, kunnen een thans niet nader te concretiseren invloed hebben op de berekening van de door Eurofinance c.s. beweerdelijk geleden schade.

5.10.

In het vonnis van 17 juli 2017 is een beslissing genomen over de omvang van de vordering. In de beslissing is blijkens het vonnis rekening gehouden met alle toen bekende feiten en omstandigheden en de wederzijds gestelde belangen. Uitsluitend indien evident zou zijn dat de begroting in het vonnis onjuist was, zou aanleiding bestaan voor een nieuwe begroting van de vordering in dit kort geding. Van een dergelijke situatie is geen sprake.

5.11.

Het voorgaande betekent dat de voorzieningenrechter in de omstandigheden geen zwaarwegende reden ziet om op het eerdere oordeel terug te komen.

Voor de vorderingen van partijen betekent dit het volgende.

5.12.

AMCON heeft in conventie opheffing van de op 16 november 2017 en op 14 april 2016 gelegde beslagen gevorderd.

Uit het voorgaande volgt reeds dat het primair gevorderde, voor zover de vordering inhoudt dat het beslag zal worden opgeheven indien en zodra AMCON voor een lager bedrag dan USD 3.530.000,00 zekerheid heeft gesteld, niet toewijsbaar is.

Dit betekent ook dat de vordering die ziet op het beslag van 14 april 2016 wordt afgewezen, nu dit beslag in het vonnis van 17 juli 2017 reeds is opgeheven indien en zodra AMCON zekerheid zou hebben gesteld op de wijze als in het dictum genoemd.

Voor zover AMCON heeft verzocht in dit vonnis te oordelen over de in het petitum van de dagvaarding genoemde garantietekst overweegt de voorzieningenrechter dat hem deze tekst, die overeenkomt met de tekst van productie 7 van AMCON, passend voorkomt, mede gelet op de verklaring van Eurofinance c.s. ter zitting, dat zij geen bezwaren had tegen deze tekst. Nu de tekst wellicht nog op ondergeschikte onderdelen aanpassing behoeft en ter zitting is gebleken dat mogelijk een andere Nederlandse of Engelse eersteklas bank de garantie zal verlenen, ziet de voorzieningenrechter er vanaf in het dictum van dit vonnis een tekst op te nemen.

De vordering tot opheffing van het beslag van 16 november 2017 zal worden toegewezen, nu zoals hiervoor is overwogen wat betreft de begroting van de vordering geen aanleiding bestaat af te wijken van het oordeel in het vonnis van 17 juli 2017.

5.13.

AMCON heeft vervolgens in conventie gevorderd Eurofinance c.s. te verbieden een nieuw beslag te leggen op de “Mongolia”. Die vordering zal worden afgewezen.

Niet kan worden uitgesloten dat er in de toekomst, op grond van gewijzigde feiten en/of omstandigheden, voor de voorzieningenrechter gronden aanwezig zijn om opnieuw toestemming te verlenen tot het doen laten leggen van beslag door Eurofinance c.s. ten laste van AMCON. Wel zal de voorzieningenrechter verstaan dat ter gelegenheid van de behandeling van een eventueel volgend beslagrekest, betrekking hebbend op de in deze aan de orde zijnde problematiek, Eurofinance c.s., danwel rechtsopvolgers van Eurofinance of Eurotankers, of één van hen, een kopie van dit vonnis en het vonnis van 17 juli 2017 aan de voorzieningenrechter dient te verstrekken.

De voorzieningenrechter zal geen dwangsom opleggen.

5.14.

In reconventie heeft Eurofinance c.s. gevorderd de uitvoerbaarheid van het vonnis van 17 juli 2017 te schorsen. In hetgeen hiervoor is overwogen ligt besloten dat daartoe geen grond bestaat. De vordering zal daarom worden afgewezen.

5.15.

Ten aanzien van de kosten zal Eurofinance c.s. als de in het ongelijk gestelde partij in conventie en in reconventie in de proceskosten worden veroordeeld.

De kosten aan de zijde van AMCON worden in conventie begroot op:

- dagvaarding € 97,31

- griffierecht 618,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.531,31

De kosten aan de zijde van AMCON in reconventie worden begroot op: € 408,00 aan salaris advocaat (factor 0,5 × tarief € 816,00).

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie en in reconventie

6.1.

heft op het op 16 november 2017 ten laste van AMCON op de “Mongolia” gelegde beslag,

6.2.

verstaat dat bij het indienen van een eventueel volgend beslagrekest betrekking hebben op de in deze zaak aan de orde zijnde problematiek Eurofinance c.s., danwel rechtsopvolgers van Eurofinance of Eurotankers, of één van hen, een kopie van dit vonnis en van het vonnis van 17 juli 2017 aan de voorzieningenrechter dient te verstrekken;

6.3.

veroordeelt Eurofinance c.s. in de proceskosten, aan de zijde van AMCON tot op heden begroot op € 1.939,31,

6.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2017.

1634/676